Inbreng Gert-Jan Segers inzake de Wet gedeeltelijk verbod gezichtsbedekkende kleding (gedeeltelijk boerkaverbod)

donderdag 21 januari 2016

Inbreng verslag (wetsvoorstel) van ChristenUnie Fractievoorzitter Gert-Jan Segers als lid van de vaste commissie voor Veiligheid en Justitie ten behoeve van de Wet gedeeltelijk verbod gezichtsbedekkende kleding

Onderwerp:   Wet gedeeltelijk verbod gezichtsbedekkende kleding

Kamerstuk:    34349

Datum:           21 januari 2016

De leden van de fractie van de ChristenUnie hebben met interesse kennisgenomen van het wetsvoorstel om gezichtsbedekkende kleding gedeeltelijk te verbieden. Waar de

openbare orde, de veiligheid of de normale sociale interactie in de publieke ruimte wordt belemmerd, kan een verbod op het dragen van gelaatsbedekkende kleding in de ogen van deze leden gerechtvaardigd zijn. Zij hebben evenwel enkele vragen bij het onderhavige wetsvoorstel.

De leden van de fractie van de ChristenUnie constateren dat er steeds een evenwicht moet worden gevonden tussen de in onze samenleving gebruikelijk omgangsvormen, wijzen van communicatie enerzijds en individuele vrijheden en godsdienstvrijheid anderzijds. Kan de regering aangeven op welke punten de weging van het belang van godsdienstvrijheid heeft geleid tot terughoudendheid in het onderhavige wetsvoorstel?

De leden van de fractie van de ChristenUnie lezen dat de Raad van State stelt dat de voorgestelde wet mogelijk in strijd zal komen met art. 9 EVRM (de godsdienstvrijheid). Hoe beoordeelt de regering die inschatting? Is er jurisprudentie bekend met betrekking tot maatregelen in andere Europese landen van gelijke strekking?

Kan de regering aangeven welke andere Europese landen een geheel of gedeeltelijk verbod op gezichstbedekkende kleding kennen? In hoeverre laten de wettelijke regelingen in deze landen zich vergelijken met het onderhavige wetsvoorstel?

De leden van de fractie van de ChristenUnie lezen dat onder meer de Raad van State wijst op alternatieven voor een wettelijk verbod, zoals het opstellen van huisregels binnen instellingen. In 2008 was dat voor de regering reden om af te zien van een wettelijk maatregel. Waarom is de afweging nu anders? De regering schrijft zich nog steeds bewust te zijn van deze mogelijkheden, maar te vrezen dat onduidelijkheid en rechtsonzekerheid zal ontstaan en stelt daarom een wettelijke uniforme regeling voor. Kan de regering nadere voorbeelden geven van deze onduidelijkheid en rechtsonzekerheid?

Voorts vragen deze leden of duidelijk is op hoeveel van de plaatsen waar het verbod straks moet gaan gelden nu reeds een verbod geldt, op grond van de reeds bestaande mogelijkheden daartoe? Zo nee, kan de regering daarvan wel een inschatting maken? En waarom is naar de inschatting van de regering op sommige van de beoogde verbodsplaatsen nog niet gebruik gemaakt van de bestaande mogelijkheden om een verbod in te stellen? Kan de regering nader toelichten wat de juridische status van huisregels met een verbod op gezichtsbedekkende kleding is?

De leden van de fractie van de ChristenUnie lezen dat de noodzaak tot identificatie als grond voor onderhavig wetsvoorstel genoemd wordt. Kan de regering aangeven waarom de bestaande wettelijk mogelijkheden om identificatie af te dwingen niet voldoen?

Is de regering bij benadering bekend hoeveel vrouwen om godsdienstige redenen gezichtsbedekkende kleding dragen?

Voor meer informatie: www.tweedekamer.nl.

« Terug