Bijdrage Carola Schouten aan het plenair debat inzake de Wet beloningsbeleid financiële ondernemingen

donderdag 02 oktober 2014

Bijdrage van ChristenUnie Tweede Kamerlid Carola Schouten als lid van de vaste commissie voor Financiën aan een plenair debat met minister Dijsselbloem van Financiën

Onderwerp:   Wet beloningsbeleid financiële ondernemingen

Kamerstuk:    33 964

Datum:           2 oktober 2014

Mevrouw Schouten (ChristenUnie):
Voorzitter. Het liefst had ik dit wetsvoorstel niet gehad. Ik heb bij de voorbereiding van dit wetsvoorstel gedacht: zijn wetten nu gestold wantrouwen of zijn wetten een gestolde moraal? Wij zijn al jaren bezig met wetgeving aan te nemen — er is al veel gebeurd sinds de kredietcrisis — op onder andere het terrein van het beloningsbeleid. Tegelijkertijd zien wij ook dat er nog steeds vraagstukken opspelen waarbij wij ons afvragen of dit de goede weg is. Ten diepste zou ik willen dat juist iedereen die zelf werkzaam is in de financiële sector aan zichzelf die vraag stelt. Is dit verantwoord? Kunnen wij dit maken? Is dit beloningsbeleid in de geest van de wijze waarop wij als sector willen functioneren? Ik constateer dat er toch wel zaken hebben plaatsgevonden waardoor wij met deze vragen geconfronteerd werden en waardoor wij ook weer dit wetsvoorstel vandaag behandelen, waarin wordt bepaald dat de variabele beloning op 20% wordt gezet en waarin bepalingen rond de vertrekpremie zijn geregeld. Laat ik eerst zeggen dat ik van ganser harte hoop dat dit wetsvoorstel niet de nieuwe norm gaat worden en dat de variabele beloning dus 20% gaat worden. Ik hoop dat iedereen die in de financiële sector werkt gewoon nadenkt over wat een goed beloningsbeleid is.

Dat gezegd hebbende, heb ik nog wel een aantal vragen over het wetsvoorstel. Ten eerste een vraag die de heer Van Dijck ook heeft gesteld, namelijk over de verdeling van de 20% wanneer er sprake is van het deels of niet toepassen van de cao. Voor iedereen die onder de cao valt, is de norm maximaal 20% variabele beloning, maar voor degenen die daarbuiten vallen, wordt dit enigszins op macroniveau bekeken. Dat wil zeggen over de hele groep, waardoor je dus bij één persoon 0% of 1% kunt hebben en bij anderen misschien 50% of 60%. De ratio achter dat voorstel kan ik niet vinden. Waarom heeft de minister er niet voor gekozen om voor iedereen een kap op 20% te zetten en om te zeggen dat dat voldoende moet zijn? Misschien kan hij dat nog een keer toelichten, maar ik kijk ook naar het amendement dat de heer Van Dijk heeft ingediend.

Het bonusplafond is niet van toepassing op bijkantoren van banken en beleggersondernemingen met een zetel in de Europese Economische Ruimte. Er zijn geluiden dat buitenlandse banken uit de EER hun dochterondernemingen omvormen tot bijkantoren om het bonusplafond te ontlopen. Volgens de minister kan dit niet zomaar, maar ik vraag me af welke bevoegdheden de toezichthouder heeft om dat goed te kunnen beoordelen. Hoe beoordeelt de toezichthouder met andere woorden dat het niet ingegeven is door dit argument? Ik snap dat je niet zomaar je kantoor omvormt, maar ik wil wel graag weten of De Nederlandsche Bank, of straks wellicht de ECB, kan toetsen dat dat niet de reden is voor het omvormen.

Ik heb een vraag over de opbouw van de variabele beloning. We hebben destijds de commissie-Maas gehad. Die commissie heeft aanbevolen om een significant deel van de variabele beloning voor werknemers in de financiële sector te koppelen aan niet-financiële doelstellingen als klanttevredenheid, risicomanagement, operationele doelstellingen, integriteit et cetera. Ik lees in het wetsvoorstel dat dit ook voor de minister een uitgangspunt is. Daar zat natuurlijk ook de drijfveer voor het oppompen van de winsten, aangezien heel veel variabele beloning gebaseerd was op financiële criteria. Ik kon die aanbeveling van de commissie-Maas dan ook volmondig onderschrijven. In het wetsvoorstel wordt hierover ook wat gezegd, maar wel vrij algemeen. Er staat in een artikel bijvoorbeeld: de variabele beloning bestaat uit financiële en niet-financiële doelstellingen. Dat is vrij vrijblijvend. Vindt de minister net als wij dat we daar een percentage aan moeten koppelen, bijvoorbeeld dat ten minste 50% van de criteria waarop de variabele beloning wordt gebaseerd, bestaat uit niet-financiële criteria? Ik heb hiervoor een amendement voorbereid. Helaas ligt het nog niet hier, maar ik zou hierop wel graag alvast een reactie van de minister krijgen.

Mijn fractie vindt dat er met dit wetsvoorstel een grote en belangrijke stap wordt gezet. De bonussen in de financiële sector hebben op het moment dat er een perverse prikkelwerking van uitging, echt weinig goeds opgeleverd. Het is goed dat het kabinet dit ook met het wetsvoorstel — laat ik het zo zeggen — nogmaals bekrachtigt en er ook een aanscherping in aanbrengt. In die zin is deze wetgeving gestolde moraal, en daar is niets mis mee. Ik hoop dan ook van harte dat het bijdraagt aan versneld herstel van vertrouwen van consumenten in de banken.

Voor meer informatie: www.tweedekamer.nl.

« Terug

Archief > 2014 > oktober