Bijdrage Mirjam Bikker aan het debat over de nieuwe inlichtingenwet

Mirjam Bikker - Foto: Rufus de Vries/ChristenUniedinsdag 11 juli 2017 23:32

Op de laatste vergaderdag voor het zomerreces debatteerde de Eerste Kamer over de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Senator Mirjam Bikker leverde namens de ChristenUnie-fractie een bijdrage. Deze kunt u hier nalezen.

Voorzitter,

De AIVD en de MIVD hebben gezien dat Nederlandse overheidsinstellingen het afgelopen jaar herhaaldelijk doelwit waren van omvangrijke en hardnekkige digitale spionageaanvallen. Zo zijn het ministerie van Buitenlandse Zaken en het ministerie van Defensie meerdere malen aangevallen, ook door landen die niet eerder zijn waargenomen als dreiging tegen Nederlandse overheidsnetwerken. De aanvallen geven blijk van omvangrijke en structurele interesse in de Nederlandse overheid,’ zo valt te lezen in het verslag van de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid over de Cybersecurity van Nederland in het afgelopen jaar. Sinds 2002 toen de vorige Wet Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten tot stand kwam zijn de technische mogelijkheden en middelen enorm gegroeid. Met alle gevolgen van dien. Dat laat ook het werk van onze inlichtingen- en veiligheidsdiensten niet onberoerd. Ik wil juist daarom beginnen met een compliment aan de vele mannen en vrouwen die dag en nacht in touw zijn om Nederland een veilig land te laten zijn. We zijn hen dankbaar.

Het wetsvoorstel dat wij vandaag bespreken beoogt aan te sluiten bij de veiligheidsvraagstukken van deze  tijd. Om onze rechtsorde en daarmee onze vrijheid en nationale veiligheid te beschermen is het de taak van de wetgever om zorg te dragen voor een bij de tijd passend en effectief wettelijk kader voor de diensten. De ChristenUnie steunt het kabinet in die zoektocht. Maar constateert tegelijk dat er wel een spanningsveld is: hoeveel vrijheid moet een burger inleveren om voor ons land te kunnen garanderen dat vrijheid en een stabiele rechtsorde de pijlers blijven?  Als dat te veel wordt dan wordt wat we beogen te beschermen ook uitgehold. Het komt aan op een zorgvuldig evenwicht en juist op dat punt heeft de fractie van de ChristenUnie zorgen. Ik leg ze aan de minister voor en geef  hem vooraf mee  dat de beantwoording voor ons veel betekent voor ons uiteindelijke stemgedrag.

Legaliteitsbeginsel
Het is voorstelbaar dat opvolging wordt gegeven aan de aanbeveling van de commissie Dessens om het onderscheid tussen kabel en ether bij interceptiebevoegdheden te laten vallen. Tegelijk vraagt dat wel om genoeg wettelijke waarborgen om de proportionaliteit en subsidiariteit te kunnen garanderen. Dessens heeft gepleit voor een techniekonafhankelijke formulering. Maar terugkijkend naar de Wiv2002 is het voorgekomen dat er bevoegdheden in stonden die door technologische ontwikkelingen een veel grotere reikwijdte kregen dan dat door de wetgever voorzien was.[1]  Neem bijvoorbeeld de analyse van grootschalig opgevangen ethergebonden telecommunicatie. Dat was niet voorzien bij het vaststellen van de wet in 2002 en kreeg een enorme vlucht. Dat schuurt met het legaliteitsbeginsel.  

De nu gekozen techniekonafhankelijke formuleringen – hebben als groot voordeel dat de diensten technisch bij kunnen blijven. Maar voor mijn fractie is dit geen blanco cheque. Kan de minister toezeggen dat daar waar nieuwe technieken worden toegepast of nieuwe technische hulpmiddelen worden gebruikt die een andere of verdergaande inbreuk op de persoonlijke levenssfeer maken dan nu voorzien, dat dergelijke ontwikkelingen een expliciet punt van aandacht worden van de vijfjaarlijkse evaluatie? En heb ik de minister goed begrepen dat de inzet van een bijzondere bevoegdheid nimmer het recht op de lichamelijke integriteit van personen zal schenden?

Sleepnet
Dan de onderzoeksopdrachtgerichte interceptie, in veel bezorgde mails die ik ontving ook wel als een sleepnetbevoegdheid geduid. Bewaren de diensten niet te lang en te veel gegevens van burgers waar de dienst helemaal niks te zoeken heeft? De minister heeft onderstreept de motie Recourt dat deze bevoegdheid zo gericht mogelijk wordt ingezet en dat bij een verzoek om toestemming voor de uitoefening van deze bevoegdheid nadrukkelijk de noodzakelijkheid, proportionaliteit, subsidiariteit aan de orde zijn.  Bovendien vindt er na het oordeel van de Minister nog een rechtmatigheidstoets plaats. Mijn fractie heeft op twee punten zorgen bij dit wetsvoorstel.  De ene ziet op de bewaartermijnen en de andere op de inrichting van het stelsel van toezicht en in het bijzonder de figuur van de toetsingscommissie. Allereerst de bewaartermijnen. Mijn fractie heeft moeite met de bewaartermijn van drie jaar voor gegevens die verzameld zijn door onderzoeksopdrachtgerichte interceptie. Artikel 48 geeft in lid 6 voor versleutelde informatie bovendien nog de mogelijkheid dat het diensthoofd na de bewaartermijn van drie jaar verzoekt om verlenging. Er zit geen slot op die deur van uitstel. Wie of wat voorkomt nu dat informatie alsnog eindeloos bewaard wordt?

De voorbeelden in de Memorie van Toelichting die het nut moeten bewijzen van de driejaarstermijn gaan allen maximaal 2 jaar terug in de tijd. Bewaartermijnen van omliggende landen zijn volgens de minister op hoofdlijnen hetzelfde. Maar specifiek over de termijnen voor gegevens die voortkomen uit onderzoeksopdrachtgerichte interceptie wordt hij niet. Kan hij de stelling dat het in de omliggende landen hetzelfde is specifiek onderbouwen? Welke aanwijzingen heeft de minister dat Nederland hiermee stand kan houden bij het EHRM?
En is deze mogelijkheid ook niet strijdig met het advies in het Privacy Impact Assesment om zo snel mogelijk de relevantie te beoordelen en de rest terstond te vernietigen? Deze gegevens kunnen namelijk gedurende de tijd dat ze bewaard worden ook aan andere diensten worden verstrekt. En hoe garandeert de minister dan dat de bewaartermijn op dat moment ook in stand blijft? Is dat een uitgangspunt bij de verstrekking aan andere diensten?

Rechtmatigheidstoetsing
Dan de TIB (Toetsingscommissie Inzet Bevoegdheden). Is dit nu de beste manier om vooraf onafhankelijk te toetsen? De Raad van State spreekt de vrees uit dat de  toetsing zeer marginaal en slechts een abstracte rechtsmatigheidsbeoordeling zal zijn. De TIB als stempelmachine. Het ontbreekt aan rechtstreekse toegang tot gegevens, aan knowhow. Het beschikken over deze kennis en inzichten is echter onmisbaar om een weloverwogen oordeel over de noodzaak, proportionaliteit en subsidiariteit van de inzet van bijzondere bevoegdheden te vellen. Ik waardeer de uitbreiding en steviger financiële armslag door de motie Schouten, maar blijf de zorg houden dat het toezicht vooraf onvoldoende stevigheid kent. En wat doet  de minister met de TIB als meerdere malen blijkt dat het oordeel van de CTIVD na afloop anders uitvalt? Hoe informeert hij het parlement hier over? Waarom acht hij dit toezichtstelsel effectiever dan het voorstel dat de Raad van State deed? Hoe weet hij zeker dat deze constructie EHRM-bestendig is? De ChristenUniefractie betwijfelt zeer of de TIB voor deze taak robuust genoeg is. Gaat de minister het toezichtsstelsel ook kwalitatief evalueren? Zodat duidelijk wordt of er voldoende kennis is en ruimte ervaren wordt om te oordelen dat een besluit onrechtmatig is? De ChristenUnie fractie deelt de overtuiging van de Raad van State dat toezicht over het geheel van activiteiten door de CTIVD van de diensten effectiever zal zijn.

De Raad van State maakt bovendien terechte opmerkingen over de beperking van de politieke verantwoordelijkheid van de minister. De TIB geeft een soort alibi, terwijl ze alleen de juridische argumenten toetst en niet de politieke en internationale componenten. De Raad van State ontraadt deze keuze ernstig. De toevoeging van een lid met technische bagage is dan onvoldoende. Naast ICT-deskundigheid is er ook expertise in veiligheidsvraagstukken nodig. Bovendien moet de expertise de eerste tijd worden opgebouwd. Hoe ziet de minister die overgangstijd voor zich? Het moge duidelijk zijn, mijn fractie vindt deze invulling van het toezichtstelsel nog niet overtuigend.  

Klachtenafhandeling
De fractie van de ChristenUnie zet bovendien vraagtekens bij het verplaatsen van de behandeling van klachten over de veiligheidsdiensten van de Nationale Ombudsman naar de CTIVD belegd te worden. Simpelweg omdat het in de weg staat aan de beleving van de burger dat dit een onafhankelijke behandelaar is. De minister kan wijzen naar de chinese muur tussen afdelingen, de burger ziet dezelfde aftiteling als die van de toezichthouder. Bovendien is de CTIVD een onbekende voor veel burgers. Waarom voor de handvol klachten die het betreft, deze rigoureuze wijziging? Is de burgerperceptie ook onderdeel van de evaluatie? Ik hoor de minister er graag over.

Conclusie

Voorzitter, hoeveel vrijheid moet een burger inleveren om voor ons land te kunnen garanderen dat vrijheid en een stabiele rechtsorde de pijlers blijven? Het luistert er bij het bewaken van de balans tussen enerzijds de veiligheid en vrijheid die je krijgt en anderzijds de privacy die  je daarvoor op moet geven nauw. Het komt er voor de fractie van de ChristenUnie op aan dat er recht wordt gedaan aan het legaliteitsbeginsel, ook als de wet een opening blijkt te geven voor andere technieken dan voorzien. We hebben zorgen bij de bewaartermijnen en de effectiviteit van het toezicht vooraf en tenslotte vrezen we dat de klachtafhandeling niet meer als onafhankelijk wordt beleefd. We beseffen ook dat de huidige wet nodig gemoderniseerd moet worden en dat de dreiging in deze tijd fors is. Ik hoop dat de minister in zijn beantwoording recht weet te doen aan de moeiten die we hebben met elementen uit dit voorstel.



[1] Vgl. A.J. Nieuwenhuis, Tussen geheimhouding en controle: de AIVD in de democratische rechtsstaat, TvCR, april 2016

Labels
Eerste Kamer
Mirjam Bikker
Veiligheid

« Terug