Bijdrage Eppo Bruins aan de plenaire behandeling van de Wet bestuurlijk verbod ondermijnende organisaties

donderdag 16 januari 2020 00:00

Bijdrage Eppo Bruins aan een plenair debat met minister Dekker voor Rechtsbescherming over Voorstel van wet van de leden Kuiken, Van Toorenburg, Van Wijngaarden, Van der Graaf en Van der Staaij houdende regels over het bestuursrechtelijk verbieden van organisaties die een cultuur van wetteloosheid creëren, bevorderen of in stand houden

Kamerstuknr. 35079

De heer Bruins (ChristenUnie):
Voorzitter. Ook van mij natuurlijk complimenten aan de indieners van het wetsvoorstel en hun deskundige ondersteuning. Het is een taai voorstel, maar ook een vérstrekkend voorstel over de aanpak van een groot probleem: ondermijning van de bovenste plank door georganiseerde bendes, vaak in motorclubverband. Juridisch doen we vandaag best iets spannends. Maar als ik dit voorstel lees, denk ik terug aan de raketbeschieting van het hoofdkantoor van Panorama, aan burgemeesters die met de dood worden bedreigd, aan Ridouan T., die moordopdrachten bij een motorclub bestelde alsof het pizza's waren. Bij elke grote ondermijningszaak lijken ze betrokken te zijn. Satudarah, Bandidos, No Surrender, Hells Angels, Caloh Wagoh, stuk voor stuk organisaties die worden geassocieerd met drugs, geweld, liquidaties, afpersing en ga zo maar door. Achter deze organisaties zitten mensen, mensen die zichzelf boven de wet wanen. De 1% die zich afzet tegen de 99% van de burgers die zich wel aan de wet houdt. Bij deze outlaw motorgangs gaan we de lat net iets lager leggen om tot een verbod te komen. Dat vindt mijn fractie gerechtvaardigd, ook als steun in de rug van bestuurders, Openbaar Ministerie en handhavers.

Mevrouw Helder (PVV):
De collega van de ChristenUnie zegt: 1% van de mensen die zich niet aan de wet houdt waar 99% van de mensen of de organisaties — ik weet even niet precies welke term hij gebruikte — last van heeft. Maar dit wetsvoorstel doet wel heel veel meer, hoor. Dat pakt echt niet alleen die 1%. Ik hoef niet eens het voorbeeld van collega Buitenweg aan te halen: meerdere collega's hebben gezegd dat het gaat om organisaties die een cultuur van wetteloosheid creëren, bevorderen of in stand houden. Je zult maar die voetbalclub zijn die die paar idioten niet van de tribunes weg kan krijgen, waardoor dadelijk jouw club verboden wordt. Ik denk dat dit wetsvoorstel dat wel mogelijk maakt. Zou u daar ook eens op in willen gaan?

De heer Bruins (ChristenUnie):
Ik denk dat voetbalclubs in Nederland nog altijd organisaties zijn die niet een cultuur van wetteloosheid voorstaan, faciliteren of stimuleren. Sterker nog, de voetbalclubs die ik zie, verafschuwen wat een klein clubje gekken uithaalt in de stadions of net daarbuiten. Dus ik zie die clubs niet heel gauw onder de reikwijdte van deze wet vallen.

Mevrouw Helder (PVV):
Dan zien we het verschil van mening en dus ook het gevaar. U als politicus ziet het niet, maar meerdere van mijn collega's zien het wel. U zou maar minister zijn en straks worden opgevolgd door een minister die er heel anders over denkt. Waar blijft de rechtszekerheid dan?

De heer Bruins (ChristenUnie):
In de tekst van dit initiatiefwetsvoorstel staat in het kernartikel het woordje "noodzakelijk": als het noodzakelijk is om de openbare orde te bewaren. Dat woordje is heel erg belangrijk in de wettekst, omdat dit al aangeeft dat het hier gaat om zeer uitzonderlijke gevallen en dat deze weg ook slechts in die zeer uitzonderlijke gevallen bewandeld zou moeten worden.

Mevrouw Helder (PVV):
En degene die beoordeelt of dat noodzakelijk is, is niet de rechter die voor het leven is benoemd — waar mijn fractie wel problemen mee heeft, maar dat staat hier nu niet ter discussie — maar de minister. De minister gaat die termen toetsen. Daar ligt wel degelijk het gevaar.

De heer Bruins (ChristenUnie):
Uiteindelijk toetst de rechter, ook bij dit initiatiefwetsvoorstel. Als dit tot een wet komt, dan heeft in Nederland uiteindelijk altijd de rechter het laatste woord. Het gaat om de al dan niet opschortende werking: mag je in de tussentijd wel of niet doorgaan met je activiteiten? Daar is dit wetsvoorstel duidelijk een steun in de rug van bestuurders, het OM en handhavers, die onze diepste steun verdienen.

De voorzitter:
Gaat u verder.

De heer Bruins (ChristenUnie):
Voorzitter. Verboden voor dit soort bendes zijn niet onbekend. We zien dat het de rechter in recente jaren lukt om deze organisaties uiteindelijk te verbieden. Dat is belangrijk. Maar we zien ook dat dit verre van perfect is en dat het lang duurt. Met dit voorstel moet daar een einde aan komen. Het is een snellere route naar een verbod, en heeft een directe werking.

De ChristenUnie beseft dat dit een inperking is op de grondwettelijke vrijheid van vereniging. Voorzitter, u weet dat de ChristenUnie de Grondwet en haar vrijheden koestert. Maar toch vinden we deze inperking, zoals deze is voorgesteld in het wetsvoorstel, gerechtvaardigd. Volgens ons — in tegenstelling tot mevrouw Helder — gaat het wel om een beperkte groep. Die beperkte groep vormt de spil van de ondermijnende criminaliteit die de maatschappij grote schade toebrengt. Het verlagen van de lat om deze groepen te verbieden, vinden we dan ook verdedigbaar.

Het is ook alleen verdedigbaar voor de ChristenUnie — dat zeg ik ook in de richting van mevrouw Helder — doordat er een uitzonderingsgrond is opgenomen voor groepen die zijn verenigd als kerkgenootschappen, vakbonden of politieke organisaties. Dat is voor ons belangrijk. Hier gaan immers ook andere grondwettelijke vrijheden mee gepaard, zoals de vrijheid van meningsuiting, die ons allen zo dierbaar is, maar ook de vrijheid van godsdienst als het gaat om kerkgenootschappen.

Nu zondert momenteel artikel 2.1 lid 3 BW rechtspersonen die door het publiekrecht zijn ingesteld eveneens uit. Dat gaat dan bijvoorbeeld om de Staat en om gemeenten. Die vallen daarmee niet onder de reikwijdte van artikel 2.20 Burgerlijk Wetboek. Het wetsvoorstel dat wij vandaag behandelen, kent zo'n bepaling niet. Ik vraag aan de indieners of het niet raadzaam zou zijn om dit alsnog op te nemen in het wetsvoorstel.

Met deze terechte uitzondering in het achterhoofd kan de ChristenUnie ook meemaken dat een dergelijke bevoegdheid bij de minister komt te liggen. Tegelijkertijd heeft de Raad van State hier inderdaad zorgen over geuit, bijvoorbeeld vanwege de spanning die er is door een in hun ogen te open criterium voor wat onder openbare orde mag worden verstaan, en artikel 8 van de Grondwet, dat zegt dat enkel bij wet de vrijheid op vereniging mag worden ingeperkt. Kunnen de indieners aangeven hoe zij deze zorgen, en de zorgen van mevrouw Helder, proberen te ondervangen? Ik vraag aan de minister wat hij ervan vindt dat deze bevoegdheid aan hem wordt toebedeeld.

Voorzitter. De Raad van State heeft vragen gesteld over de verhouding van het verbodscriterium "cultuur van wetteloosheid" tot de grondwettelijke beperkingensystematiek. De woorden lijken lastig te objectiveren en bieden de minister mogelijk niet afdoende sturing in de uitoefening van zijn bevoegdheid. De Raad van State stelt voor om te kiezen voor een beperking van het criterium tot het stelselmatig plegen van strafbare feiten "die een daadwerkelijke en ernstige aantasting vormen van als wezenlijk ervaren beginselen van onze rechtsorde en die als gevolg daarvan onze samenleving of delen daarvan ontwrichten of kunnen ontwrichten". Het criterium dat de Raad van State voorstelt is aan de ene kant algemener en ruimer geformuleerd, maar aan de andere kant lijkt dit ook afgebakend genoeg voor een beperkt toepassingsgebied. Zouden de initiatiefnemers dit nog eens kunnen overwegen? Hiermee zou namelijk de democratisch verkozen wetgever in plaats van de minister voor een belangrijk deel de invulling van het criterium bepalen. Dat is vanuit rechtsstatelijk oogpunt wel weer een belangrijke zaak.

Voorzitter. Uit de consultatie komt naar voren dat ook burgemeesters de bevoegdheid zouden willen hebben om over te gaan tot een verbod. Maar daar kiezen de indieners niet voor, vanwege de landelijke reikwijdte van een verbod en het belang dat wordt gehecht aan uniformiteit. De ChristenUnie vindt dit een verstandige keuze. Tegelijkertijd zijn burgemeesters wel een belangrijke bondgenoot. Hoe kan wel gebruik worden gemaakt van de kennis en de observaties van burgemeesters? Zouden zij bijvoorbeeld een verzoek kunnen doen aan de minister om tot een verbod van een in hun gemeente actieve organisatie over te gaan?

Tot slot. Deze wet staat uiteraard niet op zichzelf. Er gebeurt meer op het gebied van wetgeving om op te kunnen treden tegen organisaties die onze rechtsstaat ondermijnen. Kan de minister aangeven hoe voorliggend wetsvoorstel zich verhoudt tot het lopende traject voor herziening van artikel 22 van het Burgerlijk Wetboek?

Dank u wel.

Meer informatie

« Terug

Nieuwsarchief > 2020

juli

juni

mei

april

maart

februari

januari