Lezing toekomst van het christelijk onderwijs

zaterdag 04 januari 2003 10:01

Lezing Arie Slob gehoudens tijdens docentendag CSG Prins Maurits te Middelharnis d.d. 4 januari 2003 met als onderwerp: toekomst van het christelijk onderwijs

Dank voor de uitnodiging om vandaag naar Middelharnis te mogen komen. Ik moest er wel vroeg voor uit mijn bed. Dat was weer even wennen na de kerstvakantie. Toen ik vanmorgen mijn warme bed uitstapte moest ik aan Prins Maurits denken (niet vreemd als je naar een scholengemeenschap gaat die deze naam draagt). Maurits zijn dagen waren altijd goed gevuld met militaire campagnes, voorbereidingen voor de volgende campagnes, bemoeienissen met het bestuur van gewesten en steden en het bestuur van zijn domeinen. Een druk bezet man. Hij had altijd de gewoonte om zomers om 06.00 uur uit bed te gaan. In de winter permitteerde hij het zich om tot 07.00 uur te blijven liggen. Als hij opstond liet hij altijd eerst pages naar buiten gaan om te voelen hoe de wind stond. Afhankelijk daarvan besloot hij dan of hij al dan niet een hemdrok aan zou doen. Meestal had hij een uur nodig om zich aan te kleden.

Ik heb het vanmorgen allemaal wat sneller gedaan. Ook niet mijn kinderen naar buiten gestuurd om de windrichting en kracht vast te stellen. Zonder hemdrok ben ik op weg gegaan naar Middelharnis om hier te spreken over de toekomst van het onderwijs in het algemeen en van het christelijk onderwijs in het bijzonder. Een onderwerp dat weer valt onder de bredere noemer van deze dag: ‘Identiteit in de praktijk. Verleden, heden en toekomst’. Mijn complimenten voor het feit dat u op de eerste schooldag van een nieuw kalenderjaar een dergelijk thema op de schop neemt. Een thema dat u bepaalt bij de roots van de school. Wie en wat bent u? Maar ook: wie en wat wilt u zijn? Zonder te willen dramatiseren durf ik wel te stellen dat het bespreken van dit soort thema’s van zeer groot belang is voor de school. We hebben het namelijk over uw bestaansrecht. Waarom is er een christelijke scholengemeenschap Prins Maurits met een hoofdvestiging in Middelharnis en een nevenvestiging in Stellendam? Een school waarvan de rector in het voorwoord van de schoolgids zegt dat het een voluit Christelijke school wil zijn. Niet een wereldje op onszelf, zo schrijft hij. Maar voorbereiding op Zijn wereld. Zoals we belijden: de aarde is van de Heere (psalm 24). Mooie woorden. Waarbij rector Boot de hoop uitspreekt dat leerlingen en ouders dat terug zullen vinden in zowel de schoolgids als de school.

Waarom is er een dergelijke school? Afgezien van de woorden van de rector in het voorwoord wordt daar in de schoolgids niet veel aandacht aan gegeven. Er zullen ongetwijfeld andere documenten zijn waarin de reden voor het oprichten van deze school uitgebreid besproken wordt. Ik lees wel iets over een mulo in Middelharnis die in 1930 gestart is, de groei van de school ook als het om schooltypes gaat, en een fusie met de chr. Lhno ‘De Dillenburg’. Ik ga ervan uit dat de hoofdreden voor het ontstaan van deze scholen gelegen is het in feit dat christen-ouders in deze omgeving onderwijs voor hun kinderen zochten dat aansloot bij de opvoeding thuis. De verantwoordelijkheid van ouders voor de opvoeding raakt namelijk ook de schoolkeuze die men voor de aan hen toevertrouwde kinderen moet maken. Is daarbij zelfs zeer cruciaal voor hun vorming als je bedenkt op wat voor kwetsbare leeftijd kinderen het funderend onderwijs bezoeken. In Nederland hebben we dan het grote voorrecht dat er ruimte is voor het stichten en instandhouden van eigen scholen. In een workshop van Ton van der Schans zal vanmiddag daar nog uitgebreid aandacht aan gegeven worden. Het Nederlands onderwijsbestel is uniek in de wereld. Terug te voeren op de onderwijspacificatie van 1917. Het heeft een onderwijssysteem opgeleverd dat mogelijkheden biedt om in een land van minderheden kwalitatief hoogwaardig en pluriform onderwijs te garanderen in een democratische samenleving. Ik zie de vrijheid van onderwijs zoals we die in Nederland kennen – en waar u met uw school dankbaar gebruik van maakt - als een van de belangrijkste verworvenheden uit onze parlementaire geschiedenis. De vrijheid van onderwijs geeft ouders de gelegenheid hun overtuiging (al dan niet levensbeschouwelijk bepaald) tot uitdrukking te brengen in het onderwijs. Dit recht is zelfs vastgelegd in onze grondwet. Het befaamde artikel 23. Nogmaals: uniek in de wereld. Iets om trots en zuinig op te zijn. Toch staat onze onderwijsvrijheid voortdurend onder druk. Ik hoef u alleen maar recente uitspraken van onder meer PvdA-lijsttrekker Bos en VVD-lijsttrekker Zalm in herinnering te roepen. Of de discussies die gevoerd zijn over de controle op het godsdienstonderwijs. Eigenlijk al vanaf het allereerste begin is de onderwijsvrijheid niet alleen als een zegen maar ook als een ergernis gezien. Vooral bij mensen die een voorstander zijn van pluriforme scholen. Onverdeeld naar de openbare school, is jarenlang een adagium voor dergelijke mensen geweest. Vooral in liberale- en socialistische kringen. Deze geluiden beginnen nu weer met kracht terug te komen. Katalysator daarbij zijn ondermeer problemen die zich voordoen in probleemwijken in grote steden. In het bijzonder de problemen op de zogenaamde zwarte scholen in deze wijken. Volgens politici als Bos en Zalm, maar al eerder de D66-er de Graaf en SP-er Marijnisse, staat de vrijheid van onderwijs zoals we die nu kennen oplossingen voor deze problemen in de weg. Zelfs de inhoud van een uitgebreide verkenning over artikel 23 van de Onderwijsraad zoals die recent is verschenen, heeft hen niet op andere gedachten gebracht. Heeft niet juist de Onderwijsraad zeer goed beargumenteerd afgerekend met enkele hardnekkige mythen rond artikel 23 van de grondwet. Als oorzaak voor de zwarte scholenproblematiek werd namelijk niet de vrijheid van onderwijs genoemd (het recht van stichting, richting en inrichting van scholen). Niet de vrijheid van het bijzonder onderwijs om leerlingen te selecteren op basis van godsdienstige achtergrond is de hoofdoorzaak van het probleem: de tweedeling van witte en zwarte scholen vloeit vooral voort uit de bevolkingssamenstelling van de wijk en de schoolkeuze van ouders. Het aantasten van het grondwettelijke recht van de vrijheid van onderwijs is daarvoor dus niet de oplossing. Is men horende doof? Opvallend is daarnaast ook de discussies over het Islamitisch onderwijs. Onderzoek heeft uitgewezen dat van de 37 Islamitische scholen die er zijn, er bij 3 wat kanttekeningen te plaatsen zijn. Bij 1 school in het bijzonder. Toch is de eindconclusie van het rapport, dat onder de verantwoordelijkheid van de onderwijsinspectie is opgesteld, dat er geen wettelijke voorschriften worden overschreden. Desondanks wordt er geroepen om een moratorium op het oprichten van dergelijke scholen voor bijzonder onderwijs. Niet alleen dat: vermeende maar niet bewezen feiten worden tevens aangegrepen om een nadrukkelijke vinger te krijgen achter de inhoud van het godsdienstonderwijs op alle scholen voor bijzonder onderwijs. En wat te denken van de uitlatingen van Zalm vorige week in het NRC waarin hij zich aansloot bij standpunten van PvdA, D66, GroenLinks en SP om van het bijzonder onderwijs een acceptatieplicht te vragen als het gaat om het toelaten van leerlingen waarvan de ouders de grondslag van de school wensen te respecteren; ook als de school onderschrijving van de grondslag vraagt. Waarom wordt er door mensen als Bos en Zalm zo slordig omgegaan met het grondrecht van bijzonder onderwijs? Zeker als het gaat om situaties waarin de feiten daarvoor geen directe aanleiding geven. Hooguit als je de feiten verdraaid naar je eigen hand wilt zetten. Ik trek daarin de volgende conclusies:

1. Het is verkiezingstijd en dergelijke gespierde uitspraken doen het goed bij een deel van het kiezerselectoraat. Goedkoop scoren dus. Democraten onwaardig, zeg ik er wel bij.
2. Er zou een verborgen agenda achter kunnen zitten. Men af wil van de vrijheid van onderwijs zoals we die vanaf de Pacificatie al kennen. Het zou wel zo fraai zijn als men daar dan open voor uitkomt. Alle kaarten op tafel graag. Dan weten we tenminste waar we aan toe zijn. Alleen de SP komt hier echter openlijk voor uit.
3. Door de toenemende secularisatie neemt het gevoel, begrip en draagvlak voor scholen die op een levensbeschouwelijke grondslag zijn gefundeerd zienderogen af.

Loopt de vrijheid van onderwijs nu echt gevaar? Laten we het niet zwaarder maken dan nodig is. Toch zijn de voortdurende terugkerende aanvallen op de vrijheid van onderwijs druppels die de harde steen wel steeds meer uithollen kunnen. Ik ben daar niet gerust op. Het vraagt om een grote alertheid. Van politici die vast willen houden aan het grondwettelijk recht op de vrijheid van onderwijs, maar ook van scholen en ouders zelf. Ik bedoel daarmee het volgende. Veel scholen voor bijzonder onderwijs voeren tegenwoordig een open toelatingsbeleid. Dat betekent dat als ouders de grondslag van de school respecteren, hun kind toegang tot de school kan krijgen; óók bv. als ouders hun kind naar een christelijke school sturen maar zelf geen christen zijn. Er zijn ook scholen die bij de aanname van personeel – voornamelijk vanwege de grote tekorten aan leerkrachten voor bepaalde vakken – accepteren dat er docenten voor de klas komen te staan die de grondslag van de school niet kunnen onderschrijven. In de discussies die over de vrijheid van onderwijs gevoerd worden wordt daar nog wel eens de vinger bij gelegd. De praktijk bij een deel van de PC-scholen die een open toelatingsbeleid voert is namelijk van dien aard dat de christelijke identiteit van de school steeds meer verwaterd. Het wordt er in ieder geval niet scherper van. Ik zeg nadrukkelijk bij: bij een deel van de PC-scholen. Hetzelfde speelt zich ook af bij bv de katholieke scholen. Als dit soort scholen dan ook nog eens in bepaalde situaties percentages gaan stellen aan de toegang van niet-christelijke of niet-katholieke leerlingen, dan roept dat weerstanden op die ik eerlijk gezegd nog wel kan begrijpen ook. Dit soort situaties maakt het er voor politici als mij ook niet makkelijker op om pal te kunnen blijven staan voor de vrijheid van onderwijs. De vrijheid van onderwijs vindt namelijk niet alleen haar verankering in het politieke draagvlak dat daarvoor is. Minstens zo bepalend is het draagvlak voor deze vrijheid – en dan in het bijzonder de praktisering van deze vrijheid – bij de scholen zelf. Als de door de vrijheid van onderwijs verkregen eigen identiteit van de school niet meer is – ik zeg het wat gechargeerd - dan een bordje op de gevel van het schoolpand of een logo op het briefpapier, dan zullen we op termijn de strijd verliezen. Alleen als scholen echt werk en inhoud van hun identiteit maken, hebben we goede papieren om ons blijvend te beroepen op het recht van vrijheid van onderwijs. Identiteit moet dan wel de bloedstroom van de school zijn. De identiteit van de school moet dan wel – om de woorden van uw rector nog maar een keer aan te halen – in de school terug te vinden zijn.

Daarover wil ik het volgende zeggen:

Het belang om binnen de school met identiteit bezig te zijn is niet bij iedereen even duidelijk. Twee jaar geleden verscheen er een proefschrift van pedagoge Anneke de Wolff, inmiddels werkzaam bij de Protestant Christelijke Besturenraad, die daar in ieder geval grote vraagtekens bij plaatste. In een interview met de gereformeerde ochtendkrant voor christelijk Nederland gaf ze aan dat het woord identiteit maar in de ijskast moest. Het spreken over identiteit zou alleen maar verwarrend werken. Ik ben het daar niet mee eens. Al zie ik in de praktijk van scholen wel enige verlegenheid om de identiteit van de school, vaak fraai omschreven in grondslagen en statuten, in de schoolpraktijk van elke dag handen en voeten te geven. Toch is dat naar mijn mening wel een voortdurende opdracht.

Waar hebben we het over als we het begrip identiteit in de mond nemen? Een korte omschrijving van identiteit is “het geen karakteristiek of typerend voor iets of iemand is”. Als het om de identiteit van scholen gaat hanteer ik vaak de omschrijving van de pedagoog Messelink die identiteit omschrijft als ‘het consistente geheel van herkenbare en relatief stabiele karakteristieken waardoor een school zich onderscheidt van andere scholen’. Deze omschrijving omvat de onderdelen: samenhang, herkenbaarheid, relatieve stabiliteit en onderscheid.

Samenhang: de karakteristieken van de school hangen niet als los zand aan elkaar, maar vormen tesamen een samenhangend en innerlijk niet tegenstrijdig geheel.

Herkenbaarheid: beweren bijvoorbeeld in een basisdocument, dat de school een duidelijke identiteit heeft is niet voldoende. De identiteit dient concreet zichtbaar en ook voor andere herkenbaar te zijn.

Relatief stabiel: identiteit komt niet uit de lucht vallen, maar kent een geschiedenis en een zekere continuïteit. Een school die voortdurend veranderingen aanbrengt in de voor de school van belang zijnde karakteristieken bezit in dat opzicht geen duidelijke identiteit.

Onderscheid: de identiteit van een school wordt zichtbaar en aanwijsbaar in vergelijking met andere scholen (dit zijn onze manieren, zo doen wij). Als het om christelijk onderwijs gaat zal dat voor een deel gaan om karakteristieken die levensbeschouwelijk bepaald zijn. Daarmee onderscheid u zich van bijvoorbeeld openbare scholen.

Mogelijk blijft het nu toch nog wat te abstract. Daarom wil ik het begrip identiteit nader structureren en in kaart brengen met behulp van drie aspecten die aan identiteit zijn te onderscheiden: het ideële aspect, het vormaspect en het handelingsaspect. Ik ben ervan overtuigd dat een gedreven en zorgvuldige invulling van deze aspecten van groot belang is voor het christelijk onderwijs. Mogelijk zelfs het bestaansrecht van het christelijk onderwijs zullen vormen. Ik zou u ook willen uitdagen voor uw eigen school deze kenmerken eens in te vullen.

Allereerst het ideële aspect: dat is de immateriële basis van identiteit. Het heeft te maken met de ideeën, gedachten, opvattingen, visies en concepten die mensen over onderwijs hebben. Het kan zijn uitgekristalliseerd in bepaalde opvattingen over de wijze waarop een levensbeschouwing moet doorwerken in het onderwijs. Het ideële aspect van identiteit wordt meestal uitgewerkt in grondslagdocumenten ed. Dat zijn belangrijke documenten. Ze vormen het fundament van de school. Gevaar van dit soort documenten is wel dat er na vaststelling al snel een dikke laag stof overheen ligt en dat er weinig over gesproken wordt. Laat staan dat betrokkenen aangesproken worden op het handelen naar en in de geest van dit soort documenten. Voor een school is het van belang dat er geregeld prikkels worden gegeven om over het ideële aspect van identiteit van de school na te denken. Wat betekent het voor mij als docent, als toa, als vakgroep, maar ook als leerling. Prikkels ook geven aan ouders tijdens schoolavonden, maar ook via artikelen in door de school uit te geven periodieken. En mogelijk ook prikkels uitdelen aan de kerken van waaruit uw leerlingen komen. Predikanten uitnodigen op de school, zou daarbij een middel kunnen zijn.

Naast de voortdurende bewustwording van de basis waarop de school staat door alle bij de school betrokken deelnemers – is het ook van belang om stil te staan bij de praktisering van de identiteit van de school in de praktijk van iedere schooldag. De vlag die op de school wappert, moet de lading wel dekken. Dat brengt ons bij het vormaspect van identiteit. Identiteit moet concreet en aanwijsbaar zijn. Dat kan op verschillende manieren gebeuren. Ik noem het benoemingsbeleid van de school. Als je als school nadrukkelijk een christelijke missie formuleert, dan heb je daarvoor ook missionarissen nodig die deze missie ter hand kunnen nemen. Voor een christelijke school betekent dat naar mijn mening dat er transparante christenen werken die zich in willen zetten voor de scholing van kinderen om hun talenten dienstbaar in te zetten voor de samenleving. Die kinderen willen leren om in een pluriforme samenleving hun plaats als christen zonder schroom in te zetten. Mogelijk staat het benoemingsbeleid tijdens perioden van grote schaarste onder druk. Toch blijft het een wezenlijke factor voor het met elkaar bouwen aan een christelijke school. En dan gaat het niet alleen om de docent godsdienst of maatschappijleer, maar ook de wiskundedocenten of de docenten lichamelijke opvoeding, maar ook de toa’s, de conciërges en noemt u maar op. Met elkaar vormt u peilers onder de school. Bestuur en directie dienen hier dus zorgvuldig mee om te gaan. Ook als het om de verdere begeleiding van docenten, vakgroepen en noemt u maar op gaat. Neem geregeld tijd voor geestelijke teambuilding. Spreek in functioneringsgesprekken met elkaar over dit soort zaken. Het is van groot belang.

Van groot belang is ook de wijze waarop inhoud wordt gegeven aan de leerinhouden. De levensbeschouwelijke identiteit van een school zal niet alleen bij een vak als godsdienst tot uiting moeten komen. Hoe belangrijk dit vak ook is. Ik heb zelf drie jaar als identiteitscoördinator gewerkt op een gereformeerde school voor voortgezet onderwijs. Ik heb toen gemerkt hoe moeilijk het soms is voor docenten om vanuit de identiteit van de school inhoud te geven aan de leerinhouden. Ik ben ooit mijn identiteitswerk gestart met een inventarisatie bij alle vakgroepen. Waar zijn de identiteitsgevoelige onderwerpen van hun vak? Hoe vullen ze dat in? Tegen welke problemen lopen ze op? Hebben ze ondersteuning nodig? Enz. Het was boeiend om te zien wat er uit deze inventarisatie kwam. Er waren docenten die al 20 jaar binnen de school actief waren en die aangaven nog nooit eerder zo intensief met dit soort vragen bezig te zijn geweest. Er waren er ook die aangaven dat niet van plan te zijn. ‘Ik geef geen identiteitsgebonden vak’, merkte bijvoorbeeld een docent vreemde talen zeer gedecideerd in mijn richting op. Einde oefening. Andere docenten zagen juist de kans schoon aandacht te vragen voor zaken waar ze voortdurend tegenaan liepen, bv. in bepaalde methoden. Het leverde mij uiteindelijk een grote hoeveelheid actiepunten op waarmee ik binnen de school aan de slag kon. Inclusief de docent vreemde talen. Enkele voorbeelden daarvan: het ontwikkelen van eigen fraai vormgegeven lesmateriaal bij vakken als geschiedenis en biologie (noodzakelijke aanvullingen bij methoden van zgn. neutrale uitgeverijen), het aanvullen van de keuze van de leerstof bij bv. een vak als economie, het gerichter ondersteunen van leerlingen bij het samenstellen van literatuurlijsten (en niet alleen voor het vak Nederlands) enz. Identiteit werd een vast agendapunt bij vakgroepen en sectoren. Ook hebben we flink geïnvesteerd, o.a. door het organiseren van studiedagen, in het met elkaar verder doordenken van de identiteitsaspecten die aan bepaalde vakken vastzitten.

Welke school je ook bent: als je je identiteit serieus neemt is het van belang om van tijd tot tijd de identiteitskam eens door het onderwijsaanbod heen te halen. In hoeverre worden de kansen die er zijn benut om de identiteit van de school een eigentijdse vertaling te geven naar de lespraktijk. Hoe doordacht en gestructureerd gaan we daar mee om? Wat geven we de leerlingen echt mee op dat punt? Mijn ervaring is dat als je, vanuit een duidelijke intrinsieke motivatie, je gericht de vakinhouden en de daarbij behorende methoden gaat screenen er veel op tafel kan komen. Zeker nu er ook weer meer ruimte lijkt te komen in het bepalen van lesinhouden (de teugels van de overheid worden wat minder strak) biedt dit ongekende kansen.

Ongekende kansen zijn er ook bij het handelingsaspect van identiteit. Een school is meer dan een leerfabriek. Alle betrokkenen bij het onderwijs op een school handelen met het oog op het realiseren van ideëel bepaalde doelstellingen. Hierbij staat het doelgericht pedagogisch en didactisch handelen van docenten en andere bij de school werkzame functionarissen centraal. Maar ook de wijze waarop leerlingen zich gedragen. Anders gezegd: blijkt uit de wijze waarop we binnen de school met elkaar omgaan (onze omgangsstijl) dat we een christelijke school zijn? In mijn hoedanigheid als identiteitscoördinator was dit, naast eerder genoemde onderdelen, een belangrijke peiler van mijn werk. Een soms wel eens wat ongrijpbare peiler, zeg ik eerlijk bij. Ik heb op verschillende manieren geprobeerd voor het onderwerp pedagogisch klimaat aandacht te vragen. Het begrip pedagogisch klimaat heb ik gehanteerd in de uitleg dat het gaat om “een verzamelconcept voor een aantal belangrijke factoren die van invloed zijn op het bereiken van de opvoedingsdoelen”. Als je dan denkt aan beïnvloedende factoren, dan heb ik het o.a. over het gedrag van leerlingen, de kenmerken van de onderwijsgevenden, de kenmerken van de omgeving (zowel sociaal als materieel) en de kenmerken van de taak. Sommige van u zullen daar het zgn. GLOOT-model in herkennen.

Gedrag van leerlingen: daar kun je veel over zeggen. Soms wel eens teveel als ik de gesprekken in de docentenkamer me nog goed herinner. Gericht met leerlingen over hun gedrag en gewenst gedrag in gesprek gaan, is wel van belang. Individuele mentorgesprekken, klassengesprekken, maar ook gerichte projecten (bv op het gebied van drugspreventie) kunnen daar een goed middel bij zijn. Binnen mijn school heb ik nog aan de basis gestaan van een anti-vloekdag (een prikkelende titel om aandacht te vragen voor het taalgebruik binnen de school). Ook organiseerde we themabijeenkomsten over leefstijl. Daar werden leerlingen intensief bij betrokken.

Ook met docenten kunt u in gesprek gaan over het handelingsaspect van identiteit. Waar staan docenten als het om gedrag gaat? Hoe gaat men om met het werkpubliek? Welke grondhouding staan we met elkaar voor? Hoe belangrijk is de grondhouding van de docent? Hierover met elkaar spreken kan uitermate vruchtbaar zijn.

Wat ook vruchtbaar kan zijn, al ben je er nooit, is dat er gerichter gekeken wordt naar het schoolklimaat in algemene zin. Hoe kunnen we daar op een positieve manier onze levensbeschouwelijke identiteit in vertalen. Bij dagopeningen, bij de viering van christelijke feestdagen, maar ook in het beleid rond straffen en belonen (om die oude omschrijving maar eens te gebruiken), onze omgangsstijlen en noemt u maar op.

We spreken vandaag met elkaar over de toekomst van het christelijk onderwijs. Ondanks het veranderende politieke klimaat ben ik ervan overtuigd dat er een toekomst is voor het christelijk onderwijs. Het is in ieder geval een zaak waar ik me politiek sterk voor zal blijven maken. Ik heb echter eerder aangegeven dat het wel van twee kanten moet komen. Het christelijk onderwijs zal zelf zich ook bewust moeten zijn van haar verantwoordelijk. Ze zal naar de toekomst duidelijk moeten maken waarom ze benaming christelijk onderwijs draagt. Ze zal duidelijk moeten maken waarom ze hecht aan een school op een dergelijke grondslag. Als de school op haar geboortepapieren bevraagd zal worden – en dat zal steeds meer gebeuren – dan moeten er valide antwoorden terugkomen. Antwoorden die niet alleen bestaat uit woorden, maar dat geïllustreerd kunnen worden met daden. Een school waar niet alleen aan het ideële aspect van identiteit inhoud is gegeven, maar waar ook dagelijks gewerkt wordt aan het vorm - en handelingsaspect, heeft namelijk recht van spreken. Zo’n school heeft toekomst. Ik hoop dat u zich daarvan ook zelf goed bewust bent. Een eerste schooldag in een nieuw kalenderjaar is in ieder geval een goed moment om in dat opzicht de neuzen dezelfde kant uit te zetten. Want daar komt het uiteindelijk wel op aan. Een goede invulling van de identiteit van de school staat en valt uiteindelijk met de intrinsieke motivatie van leidinggevenden, ouders, leerlingen en last but not least de man en vrouw voor de klas. Ik wens u veel wijsheid van Boven toe om daar vandaag en in het komende kalenderjaar op een vruchtbare wijze mee bezig te zijn.

Ik dank u.

« Terug

Reacties op 'Lezing toekomst van het christelijk onderwijs'

Geen berichten gevonden

Log in om te kunnen reageren op nieuwsberichten.

Nieuwsarchief > 2003

december

november

oktober

september

augustus

juli

juni

mei

april

maart

februari

januari