Algemeen Overleg Mid Term Review (LNV)

donderdag 05 juni 2003 20:36


Algemeen Overleg Mid Term Review (MTR), d.d 5 juni 2003
Arie Slob, Woordvoerder LNV fractie ChristenUnie

Voorzitter,

Ik wil om te beginnen mijn erkentelijkheid uitspreken voor de continuering van het ministerschap LNV van minister Veerman. Zijn karwei was nog niet af. Namens mijn fractie verheug ik me op de te voeren debatten. Waarvan het debat over de MTR. De grote vraag is waar we op dit moment staan als het gaat om de hervormingsvoorstellen van Eurocommissaris Fischler. Het NRC-handelsblad schreef vorig jaar al in een hoofdredactioneel commentaar dat het al heel wat zou zijn als Fischler de helft van zijn voorstellen overeind zal houden. Het is duidelijk dat er op dit moment verschuivingen plaatsvinden. Nederland neemt in dit geheel een bescheiden plaats in. Grote vraag is welke conclusies Frankrijk en Duitsland volgende week in hun bilaterale overleg zullen trekken. Dat zou wel eens leidend kunnen zijn voor de uiteindelijke uitkomst van de plannen van Fischler.

Afgelopen najaar hebben we ons voor de eerste keer uitgesproken over de toen voorliggende hervormingsvoorstellen. Mijn voorganger stelde bij die gelegenheid vast dat de discussie over de beleidsvoornemens zich voornamelijk toespitste op de centen en de procenten, niet op de fundamenten. Helaas is er sindsdien niet zo veel veranderd. Ik hecht er dan ook aan hier (nogmaals) eerst de positie van mijn fractie in algemene termen te markeren, voordat ik inga op de concrete voorstellen.

Veranderde maatschappelijke eisen en noodzaak tot beheersing van de uitgaven vanwege de uitbreiding, zijn beide reden genoeg de hoogte en structuur van de gemeenschappelijke landbouwuitgaven onder de loep te nemen. Daarbij komt dat er in het kader van de lopende WTO-onderhandelingen er één en ander van de Europese Unie aan toezeggingen wordt verwacht. Daarbij valt met name te denken aan maatregelen in de sfeer van markttoegang en afbouw van steun, kortom aan verdergaande liberalisering. De Europese Commissie lijkt met haar voorstellen in deze tendens mee te gaan en ook van de minister hoor ik daar weinig kritische geluiden over. Wat onze fractie betreft, mag de autonome wens om te komen tot meer marktwerking geen reden zijn om het gemeenschappelijk landbouwbeleid te herzien. Deze opvatting heeft uiteraard gevolgen voor de taxatie van de problemen en de te kiezen oplossingen en prioriteiten.

De ChristenUnie heeft in haar verkiezingsprogramma al gesteld dat verdergaande liberalisering moet worden voorkomen. We pleiten al langer voor een systeem van productiebeheersing. Door middel van braaklegging, quotering, invoerbeperking en exportsubsidiebeperking wordt in bepaalde mate sturing gegeven aan de productie en daarmee aan de prijsvorming van landbouwproducten als melk, graan en vlees. Op die manier worden overschotten en dumping tegen gegaan, maar zijn boeren wel in staat een redelijk inkomen via de markt te verwerven. Op deze manier hoeft er ook minder uitgegeven te worden aan ondersteuning van boereninkomens.
Een systeem van productiebeheersing is gericht op regionale markten. Het energie vretende gesleep van producten over de wereld zou hiermee worden tegen gegaan, evenals de dumping van productieoverschotten op de wereldmarkt. Daarmee levert productiebeheersing tegelijk een structurele bijdrage aan een beter milieubeleid en worden derde wereldlanden ook in staat gesteld hun eigen regionale landbouwmarkt te ontwikkelen en in stand te houden.

Ik heb met genoegen vastgesteld dat het kabinet, bij alle drang tot verdergaande liberalisering, oog zegt te hebben voor de positie van de ontwikkelingslanden (28625 nr 3, p. 6). Dat moet wel een concrete vertaling gaan krijgen. Van groot belang dat er overleg komt de notitie beleidscoherentie Ontwikkelingssamenwerking-Landbouw.

De Nederlandse ambitie is, zo blijkt uit de stukken, dat marktwerking in het landbouwbeleid versterkt moet worden en het proces van vermindering van de steun en bescherming van de landbouw met kracht moet worden voortgezet. Sterker, het kabinet waardeert het dat haar inbreng op de punten 'vervroeging van de zuivelhervorming' en 'introductie van degressiviteit' is meegenomen.

Ik heb daar wel zo mijn vragen bij.
In het kader van de beheersing van de uitgaven is een vast bedrag als plafond afgesproken (gevolg interventie Blakenende). Dit plafond mag slechts met 1% per jaar stijgen, nog niet genoeg om inflatie te compenseren. Op zichzelf lijkt het afspreken van een zeker plafond me te billijken. Waarom is er niet gekozen voor volledige inflatiecorrectie? Hoezeer het afspreken van een plafond ook noodzakelijk is, het voert me te ver wanneer na afspreken van een maximumbedrag de deur wagenwijd blijft openstaan voor het onderbrengen van allerlei extra uitgaven onder hetzelfde plafond. Zo stelt de minister dat ‘hervormingen van de sectoren suiker, katoen, olijfolie, tabak en mogelijk ook groenten en fruit die in de loop van 2003 op de agenda staan een verdere afbouw van de inkomenssteun noodzakelijk kunnen maken. Hetzelfde geldt voor de toetreding van Bulgarije en Roemenië die in 2007 is voorzien. Daarnaast moet er nog voldoende marge overgehouden worden om onverwachte zaken als een dierziekteuitbraak van te kunnen betalen.(28625 nr 3, p 6) Dit biedt naar mijn mening te weinig zekerheid voor boeren om een goede bedrijfsvoering op te kunnen bouwen. We spreken dan nu wel een bepaald bedrag af en brengen bepaalde percentages daarop in mindering (degressiviteit), maar voor hetzelfde geld ligt het binnenkort nog weer veel moeilijker, vanwege allerlei onderhandelingen in het kader van specifieke hervormingen en onderhandelingen met andere landen. Reactie minister!

Voorzitter. Het meest in het oog springende punt in de plannen van Fischler is wel de zogenaamde ontkoppeling. Het klinkt aanlokkelijk om boeren een inkomenstoeslag te geven en ze daarmee te stimuleren voor de markt te produceren. Bovendien lijkt ontkoppeling in WTO kringen goed te worden ontvangen. Er zitten echter nogal wat haken en ogen aan.
Zo is het de vraag of boeren met een bedrijfstoeslag collega-boeren zullen wegconcurreren die zonder die toeslag aardappelen, bloembollen en groente produceren. Volgens het LEI zal dit op nationaal niveau nog wel meevallen, maar hoe zit het op Europees of (in mindere mate van belang) wereld niveau? Gaat de minister dat onderzoeken?
Daarnaast is het sterke punt van de inkomenstoeslagen, ontkoppeling van de productie, meteen een zwakte. Zo kunnen we ons de vraag stellen of we over, zeg, 10 jaar, nog bereid zijn de boer een toeslag te geven over hetgeen hij ooit eens produceerde. 'Subsidies' (zo zal de toeslag toch beschouwd gaan worden) kunnen in de politiek met haar korte geheugen soms zomaar afgeschaft worden.
De minister geeft aan dat de ontkoppeling van de steun van de productie de bedrijven een grote vrijheid geeft. Het toeslagrecht zal een waarde krijgen, omdat het verhandelbaar is. Het kan hierbij gaan om een fors kapitaal. Een en ander kan, aldus de minister, een verdere tweedeling in de landbouw stimuleren:actieve marktgerichte bedrijven naast passieve, veelal rustende landbouwers met een inkomen op basis van verworven toeslagrechten. Ik vraag me af of dit wel zo gewenst is. Was dat nu juist niet jarenlang de discussie rondom de melkquota? Boeren in het bejaardentehuis die lekker rentenieren van het verleasen van hun quotum en dit zo aan de markt onthouden?
De berekeningen van het LEI geven aan dat daartegenover de prijzen van melkquota en de grondprijzen lager zullen worden. Dat is, gezien het feit dat er nu al weer volop geschoven wordt in bijvoorbeeld de zuivelhervormingsvoorstellen misschien nog maar de vraag. Maar ik vraag me bovendien af of dit er voldoende tegenop zal wegen. We zien nu al dat de waarde van boerenbedrijven ten opzichte van het rendement te hoog is. Deze scheve verhouding bemoeilijkt bedrijfsovernames, iets waarvoor het NAJK al jaren aandacht vraagt. Ik verneem graag een analyse van de minister hierover. Wat zal de voorgestelde ontkoppeling voor gevolg hebben voor deze verhouding bedrijfswaarde/rendement?
Overigens las ik in brief 28625 nr 3 (p. 3) dat de betalingsrechten overdraagbaar zullen zijn met of zonder grond, maar dat om een betalingsrecht te verzilveren deze wel vergezeld dient te gaan van een hectare grond. Het gaat hier alleen om betalingsrechten in het kader van aardappelzetmeel? Waarom gelden daarvoor andere regels?

Ik heb begrepen dat commissaris Fischler met betrekking tot de genoemde concurrentievervalsing met nieuwe voorstellen zal komen. Is daar al meer over bekend? Zijn er naar uw mening waarborgen te creëren, zodat de concurrentievervalsing niet (of minder) zal optreden? In uw brief aan de Kamer heeft u ten aanzien van de ontkoppeling zelf ook nog enige vragen. Zo zou als gevolg van de omschakeling naar andere teelten een grotere milieubelasting kunnen optreden. Kunt u al meer inzicht geven in (de omvang van) een dergelijk neveneffect? Verder mag ontkoppeling wat u betreft niet leiden tot een verhoging van de administratieve lastendruk voor overheid en ondernemers. Is inmiddels al bekend of dit al of niet het geval zal zijn? Ik vraag me af of de minister met alle genoemde haken en ogen nog wel zo positief gestemd is/kan zijn over de ontkoppeling. Ik wil hem in dat kader ook vragen om een oordeel over het voorgenomen voorstel van het Europees Parlement om niet geheel te ontkoppelen, maar met 25% te beginnen. Zou hij, wanneer het aan de orde zou zijn, bereid zijn dit te ondersteunen? (blijkbaar kan het bij aardappelzetmeel ook)

Voorzitter, dan kom ik bij het punt van de plattelandsontwikkeling. Mijn fractie is met het kabinet van mening dat de rol van met name de grondgebonden landbouw, maar ook die van andere actoren op het platteland als beheerder van het landelijk gebied moet worden versterkt. We weten allemaal dat daar waar Nederland zijn best moet doen om het landschap open te houden, andere landen juist geconfronteerd worden met leegloop van het platteland. Het is evident dat het beleid ten aanzien van de plattelandsontwikkeling op deze zeer verschillende omstandigheden toegesneden moet zijn. Ik steun de minister dan ook in zijn voornemen hier in de evaluatie over het plattelandsbeleid op in te zetten.

Fischler stelt voor om een deel van de besparingen uit de eerste pijler naar de tweede pijler over te hevelen. Daar heb ik op zich niet zoveel op tegen. Deze gelden zullen dan door Brussel weer over de lidstaten herverdeeld worden. Daar ben ik wel tegen. Het bij een lidstaat afgeroomde geld moet ook weer ter beschikking van die lidstaat zelf komen. Gezien de herverdelingscriteria ziet Nederland anders weinig tot niets terug van dat geld. (NL heeft weinig areaal, amper agrarische werkgelegenheid en een hoog BBP). Bijdragen vanuit Brussel aan het plattelandsbeleid gaan daarnaast uit van co-financiering. Met de verschuiving naar de tweede pijler hebben we dus wel een overheid nodig die actief meedenkt/zoekt en betaalt. Daar heeft het de afgelopen jaren nogal eens aan ontbroken. De nieuwe coalitie lijkt er op het eerste gezicht meer feeling voor te hebben. Wat dat betreft vraag ik me wel af waarom het kabinet geen voorstander is van het verhogen van het budget voor plattelandsontwikkeling anders dan door een afroming van de inkomenssteun in de eerste pijler. Geld steken in plattelandsontwikkeling werkt niet handelsverstorend maar is wel van groot belang voor het vitaal en open houden van ons platteland. Het zorgt voor extra inkomstenbronnen voor boeren en daarmee voor een door ons toch ook zo gewenste verbreding van de landbouw en een tegenhanger voor de verdergaande liberalisering en intensivering.

De voorstellen van de Europese Commissie zijn wat betreft de zuivel desastreus te noemen. De inkomenseffecten van de plannen zijn voor de melkveehouders aanzienlijk. Daar doet het LEI-onderzoek dat de effecten van de voorstellen voor de Nederlandse agrarische sector in totaal wel mee zullen vallen niets aan af. Wanneer we dan zien dat naast de zuivelsector ook de akkerbouw er in inkomen aardig op achteruit zal gaan dan baart me dat zorgen. Deze grondgebonden sectoren zijn bij uitstek van belang voor het (onderhoud van) Nederlandse landschap. Intussen lijken de voorstellen ten aanzien van de zuivel wat te zullen worden afgezwakt. Zo ziet het ernaar uit dat de steunprijsverlagingen niet verder zullen gaan dan Agenda 2000. Voorzitter, dat is wat mij betreft nog wel het minste. Want de prijsverlagingen in combinatie met de voorgenomen quotumuitbreiding van 3,5% zal slechts tot verdere intensivering leiden en die kant moeten we helemaal niet op. We moeten niet de kant op van de intensivering, maar van opwaardering.(producten met toegevoegde waarde)
De minister spreekt zelf ook zijn twijfels uit ten aanzien van de voorgenomen quotumverruiming met 3,5 %. Ik zou hem willen zeggen: twijfel niet langer, verzet u ertegen. De door u genoemde argumenten zijn steekhoudend en zwaarwegend. De ChristenUnie ziet juist veel meer in een kleine quotumreductie, zodat we in Europa zelfvoorzienend zijn, of zelfs iets daaronder. Dan zullen de melkprijzen stijgen en betalen consumenten zelf voor de aanvullende landschaps- en dierenwelzijseisen.
Al met al zal de voorgestelde prijsverlaging en quotumuitbreiding leiden tot een ongewenste intensiveringsdrang en bovendien een onacceptabele inkomensdaling. Wat ziet het kabinet overigens als een onacceptabele inkomensdaling? Op welk percentage ligt dat?

Tot slot een laatste punt.
In de laatste stand van zaken (ontwerp regelgeving januari 2003) is er nog steeds sprake van een niet-roulerende braakverplichting van 10 jaar waarvan slechts afgeweken mag worden als roulerende braak gunstiger blijkt te zijn voor het milieu. Gezien het belang van Nederland bij de mogelijkheid van roulerende braak vraag ik de minister of deze uitzonderingsgrond voldoende soulaas biedt voor het agrarische bedrijfsleven. Zo niet, ziet u dan nog mogelijkheden dit voorstel in voor Nederland positeve zin om te buigen?

« Terug

Reacties op 'Algemeen Overleg Mid Term Review (LNV)'

Geen berichten gevonden

Log in om te kunnen reageren op nieuwsberichten.

Nieuwsarchief > 2003

december

november

oktober

september

augustus

juli

juni

mei

april

maart

februari

januari