Debat wijziging waterleidingwet

donderdag 11 september 2003 15:59

De heer Slob (ChristenUnie): In tegenstelling tot de vorige spreker heeft mijn fractie de wijziging van de Waterleidingwet met instemming begroet. Het betreft de uitvoering door de regering van een door de meerderheid van de Kamer aangenomen motie op dit punt. Dat is een goede zaak. Daarnaast betreft het een wetsvoorstel waarin het publieke belang van de netwerksector op een goede manier wordt gewaarborgd. Het kabinet kiest in dit wetsvoorstel voor een verstandige lijn door het eigendom van waterleidingbedrijven in publieke handen te houden en de regionale waterleidingbedrijven een monopolie te geven op de productie en levering van drinkwater. Dat voorkomt problemen in de sfeer van onderhoudsuitgaven en kwaliteitsverlies die wij in andere publieke sectoren, waar tot liberalisering en soms gedeeltelijke privatisering is besloten, steeds meer zien optreden. Denk aan de energiesector en het openbaar vervoer.
In antwoord op vragen van mijn fractie geeft de regering toe dat er sprake is van voortschrijdend inzicht in het liberaliseringvraagstuk. Ze kondigt in dat kader de oprichting van een kenniscentrum ordeningsvraagstukken aan. Wij zijn benieuwd wat daarvan de stand van zaken is.
Spiegelbeeldig aan het alleenrecht om drinkwater te mogen leveren, ligt het in de reden dat de waterleidingbedrijven een wettelijke aansluitplicht krijgen. Mijn fractie leest het antwoord van de regering op pagina 16 van de nota naar aanleiding van het verslag als een toezegging aan de Kamer dat die aansluitplicht er ook komt. Het gewijzigde amendement-Van Lith op stuk nr. 11 kan dit misschien nog versnellen.

De heer Geluk (VVD): Een aansluitplicht zegt nog niets over de levering van water. Je kunt de pijp wel hebben aangesloten, maar als het een dun pijpje is, terwijl het bedrijf veel water nodig heeft, heeft het nog een probleem.

De heer Slob (ChristenUnie): De regering zegt in de nota naar aanleiding van het verslag toe dat de aansluitplicht er komt. Ik ga ervan uit dat die toezegging wordt uitgevoerd. Wij vinden dat positief. De dikte van de buisjes is nu niet aan de orde.

De heer Van Lith (CDA): Is de fractie van de ChristenUnie het met mijn fractie eens dat er niet langer meer moet worden gewacht met het wettelijk verankeren van de aansluitplicht? Wij regelen nu een monopolie. Die leidt tot rechten en plichten voor een waterleidingbedrijf. Een aansluitplicht geeft ruimte aan iemand die een drinkwatervoorziening wil hebben. Daarnaast is er sprake van een aanbod van een waterleidingbedrijf om er met elkaar uit te komen. Dan moet je dat nu toch regelen? Het wordt nu een exclusief recht van een waterleidingbedrijf om aan iedereen te leveren.

De heer Slob (ChristenUnie): De heer Van Lith heeft daar gelijk in. Als wij instemmen met de nu voorliggende wetgeving, dan moet je inderdaad zo snel mogelijk proberen die kwestie ook te regelen. In dat opzicht waarderen wij het gewijzigde amendement van de heer Van Lith. Wij steunen dat, vooral nu er ook enkele redactionele correcties zijn aangepast, vanwege kleine foutjes in verband met de verwijzing naar de wettekst.
Dan nog iets over het toezicht op de doelmatigheid. Dat maakt strikt genomen geen onderdeel uit van het wetsvoorstel. De regering zorgde voor enige verwarring op dit punt, omdat in de memorie van toelichting werd aangekondigd dat er een systeem van maatstafconcurrentie zou komen, terwijl in de nota naar aanleiding van het verslag wordt gesteld dat de besluitvorming hierover is opgeschoven. Uit de brief van de staatssecretaris, die als begeleidend schrijven bij het evaluatierapport aan de Kamer is gezonden, blijkt dat hij nog geen standpunt heeft ingenomen. Wij begrijpen dat uit het oogpunt van zorgvuldige besluitvorming, maar anderzijds wordt in het evaluatierapport klare taal gesproken. Daar staat namelijk: “Het huidige decentrale toezicht door middel van prestatievergelijking sluit goed aan bij het karakter van de drinkwatervoorziening. Er kan optimaal rekening worden gehouden met regionale omstandigheden.” Wij zijn benieuwd hoe ver het denken van de staatssecretaris op dit punt is gevorderd en hoe hij dit na de herziening van de Waterleidingwet zal oppakken.
Bij het toezicht op de doelmatigheid speelt de kwaliteit van de drinkwatervoorziening een rol, maar ook het kostenplaatje. Het water gaat ons in de toekomst al genoeg kosten. Inefficiënte bedrijfsvoering past daar dus niet bij.

In het verlengde daarvan heb ik een vraag over de winstbestemming. Uit de nota naar aanleiding van het verslag blijkt dat de gezamenlijke waterleidingbedrijven zo’n 54 mln euro winst hebben gemaakt. Bij het merendeel van de waterleidingbedrijven bestaat een beperking in de statuten ten aanzien van de uitkering van dividend aan de publieke aandeelhouders. Verdient het geen aanbeveling om wettelijk te regelen dat de winst zoveel mogelijk wordt geherinvesteerd en uitkeringen van dividend aan aandeelhouders worden beperkt? Dan krijgen de consumenten van drinkwater immers ook waar voor hun geld. We krijgen dan ook heel graag de toezegging van de staatssecretaris dat hij dit aspect meeneemt in de komende herziening van de Waterleidingwet.
Voorzitter. Er ligt een groot aantal amendementen voor. Over het amendement op stuk nr. 11 heb ik reeds ons oordeel uitgesproken. Wat betreft de overige amendementen zullen wij de reactie van de staatssecretaris erop betrekken bij onze uiteindelijke beoordeling.



« Terug

Nieuwsarchief > 2003

december

november

oktober

september

augustus

juli

juni

mei

april

maart

februari

januari