2e termijn debat over schoolsponsoring

donderdag 11 september 2003 16:05

De heer Slob (ChristenUnie): Voorzitter. Ik dank mevrouw Dijksma voor haar brief van 4 september 2003. Ik ben blij dat wij binnen een week na ontvangst van deze brief al de plenaire afronding van dit debat kunnen hebben. Het is niet verantwoord de bevalling van dit wetsvoorstel verder vooruit te schuiven, zeker niet nu de indiener ervan een belangrijke wijziging heeft doorgevoerd.
In eerste termijn heb ik namens mijn fractie fundamentele kritiek geuit op de juridische ondeugdelijkheid van haar wetsvoorstel. Als ik de brief van 4 september jongstleden op mij laat inwerken, valt het mij op dat mevrouw Dijksma nog steeds niet helemaal overtuigd lijkt te zijn van de argumenten die ik en anderen hebben gebruikt om haar aan te geven dat het zo niet kon. Ik vind het ook opmerkelijk dat uit de brief blijkt dat zelfs ambtenaren van het ministerie haar niet gewaarschuwd hebben voor dit juridisch wangedrocht, zoals ik het nu maar even wil noemen. Je zou haast boze opzet vermoeden. Hoe het ook zij, overname van een door omstandigheden iets te vroeg gelanceerd amendement van mijn hand heeft deze grote omissie in het wetsvoorstel weggenomen. Tot uw dienst mevrouw, zeg ik dan maar. Mijn fractie verzet zich niet tegen overname van dit amendement. Ik constateer wel dat daar nog geen officieel besluit over is genomen.

De voorzitter: Dit punt is al een paar keer naar voren gekomen. Het lijkt mij goed om de overname van dit gewijzigd amendement te formaliseren. Mevrouw Dijksma heeft in haar brief geschreven dat zij het gewijzigd amendement-Slob zal overnemen indien geen der leden zich daartegen verzet. Conform het Reglement van orde stel ik de vraag of een der leden zich daartegen verzet. Naar mij blijkt, is dat niet het geval.
Het gewijzigd amendement-Slob (stuk nr. 13) is overgenomen.
**

De heer Slob (ChristenUnie): Voorzitter. Daarmee is voor onze fractie een belangrijke hobbel om te kunnen instemmen met het wetsvoorstel weggenomen. Ik zeg er wel bij: juicht u nog niet te vroeg. De vraag blijft immers of wij verder moeten met dit nu wel in juridisch opzicht voldragen wetsvoorstel. In alle eerlijkheid zeg ik dat wij met die vraag wel wat geworsteld hebben. Wij kennen de opvattingen uit het onderwijsveld, dat in meerderheid aangeeft liever eerst verder te willen gaan met het nu in werking zijnde convenant. Ik kan mij dat, als ik mij in hun situatie verplaats, ook wel voorstellen. Als parlementariërs zijn wij echter niet gekozen om in alles de scholen in hun opvattingen te volgen, maar zullen wij een eigenstandige en vaak ook bredere afweging moeten maken.
Ik kom dan terug bij wat ik in eerste termijn over sponsoring heb gezegd. Mijn fractie is niet in alles tegen sponsoring, maar zij is er wel zeer terughoudend in. Sponsoring mag in onze ogen nooit afbreuk doen aan de grondwettelijk verankerde verantwoordelijkheid die de overheid draagt voor het onderwijs. In dat opzicht mogen sponsorgelden naar onze mening nooit worden gebruikt om de gaten te dichten die vallen in de overheidsfinanciering. Dat risico is in tijden van economische recessie niet geheel denkbeeldig, zo zeg ik heel voorzichtig. Dat kan zomaar, misschien sluipenderwijs, gebeuren. Daar komt bij dat onze fractie ook bezorgd is over de toename van het aantal reclame-uitingen in de publieke ruimte. Wij zien dat om ons heen gebeuren. “Publieke ruimte” zie ik heel erg breed; daar horen wat ons betreft ook de scholen bij. Door sponsoring kan daar het aantal reclame-uitingen verder gaan toenemen met als schrikbeeld een poster van Loesje die ik ooit een keer tegenkwam over sponsoring van scholen: “mijnheer, u staat voor het bill-bord”. Het is natuurlijk nog niet zover als dit ludiek bedoelde schrikbeeld en zover moet het uiteraard ook niet komen, maar regeren is vooruitzien. Daarom vindt mijn fractie het wel gerechtvaardigd dat wij zoeken naar handvatten om de toch wel aanwezige vrijblijvendheid bij het convenant weg te nemen en ook daadkrachtiger te kunnen ingrijpen wanneer sponsoring zich ontwikkelt op een manier die wij met elkaar niet willen. Nogmaals, ik hoop ook dat het niet zover zal komen. Dit wetsvoorstel, zeker na de doorgevoerde amendering, biedt daarvoor meer mogelijkheden dan het convenant dat wij nu kennen. Het is naar mijn mening ook een misverstand om te denken dat dit wetsvoorstel opeens een enorme lastenverzwaring voor de scholen met zich brengt, zoals ik opnieuw lees in de brief van de minister. Volgens mij is dat niet waar, want de regels gelden nu ook al. Als het goed is, probeert men daar inhoud aan te geven. Men kijkt naar de regels en men probeert ze toe te passen. Daarover wil ik graag de opvatting van de indiener horen. Het enige wat verdwijnt, is de vrijblijvendheid van de afgesproken regels. In eerste termijn heb ik aangegeven dat wij met het convenant wel de koepelorganisaties binden, maar niet de individuele scholen die daarachter zitten. Dat wordt weggenomen met dit wetsvoorstel.
Dan blijft er nog één puntje over waarop ik de reactie van mevrouw Dijksma wil hebben. Het wetsvoorstel komt aan de orde op een moment dat een tweede convenantsperiode nog loopt en dat verdient niet in alles de schoonheidsprijs. Uit het veld heb ik ook geluiden gehoord die aangeven dat de wet pas in werking zou moeten treden als de convenantsperiode is afgelopen. Wat is de reactie van mevrouw Dijksma daarop? Uiteraard hoor ik ook graag haar reactie op de nieuwe amendementen die zijn ingediend door mevrouw Lambregts, die op dit moment waarschijnlijk nog bij een ander overleg is. Deze amendementen zijn redelijk fundamenteel voor het vervolg.

De heer Jan de Vries (CDA): Voorzitter. Als ik zijn inbreng in eerste termijn terughaal, constateer ik dat de heer Slob nu een belangrijke ommezwaai maakt. Nu hecht hij geen geloof meer aan de gevolgen van het convenant en aan de bestaande mogelijkheden van de minister via de inspectie om ook scholen aan te spreken op de uitvoering van het convenant. Dat verbaast mij.

De heer Slob (ChristenUnie): Mij verbaast de conclusie van de heer De Vries. In eerste termijn ben ik redelijk open geweest en heb ik vooral vragen gesteld, met name ook aan de indiener. Toen de indiener aan haar eerste termijn begon, heb ik mij in de discussie geroerd en een toelichting gegeven op het amendement dat de juridische ondeugdelijkheid van haar wetsvoorstel repareert. Voor beide opvattingen kunnen wij ons verhaal wel maken. Ik kan het verhaal houden dat de heer De Vries waarschijnlijk straks zal houden. Ik heb net echter onze argumenten genoemd, ook met betrekking tot de vrijblijvendheid van het convenant en de huidige reclame-uitingen in de publieke ruimte. Je komt dan tot een weging. Ik heb de indruk dat onze fractie dan net iets de andere kant opgaat dan de CDA-fractie misschien zal doen. Dat is, denk ik, het goed recht van een fractie. Wij doen dat op basis van het totale debat. Ik heb niet al in eerste termijn mijn conclusies getrokken. Dat doe je volgens mij pas in tweede termijn.

Mevrouw Kraneveldt (LPF): Ik wil nog even terugkomen op uw opmerking dat het niet de schoonheidsprijs verdient dat het voorstel is ingediend, terwijl het convenant nog niet is afgelopen. Daarmee zegt u volgens mij dat wij de convenantpartners een kans hadden moeten geven. U ontneemt hen nu echter die kans door met het voorstel in te stemmen. Ik snap dat niet helemaal.

De heer Slob (ChristenUnie): Ik heb alleen de reacties die ik uit het veld heb gehoord op het voorstel, doorgegeven. Een van die reacties was: op zichzelf kunnen wij ons vinden in zo'n voorstel, maar wij vragen ons wel af of het niet beter was geweest om dit pas in te dienen op het moment dat de convenantperiode voorbij is. Ik vraag mevrouw Dijksma als indiener om daar een reactie op te geven. Het zijn dus niet mijn eigen woorden, al kan ik mij er wel iets bij voorstellen.

Mevrouw Kraneveldt (LPF): U onderschrijft die woorden echter niet.

De heer Slob (ChristenUnie): Ik onderschrijf die woorden in die zin dat ik mij kan voorstellen dat die gevoelens loskomen en dat men dan zo'n opmerking maakt. Dat laat onverlet dat de Kamer een eigenstandige afweging kan maken, als zij daar redenen voor ziet. Wij spreken hier nu over en wij blijken hier verschillend over te denken, maar dat neemt niet weg dat wij toch kunnen kiezen voor de voorgestelde route.

« Terug

Nieuwsarchief > 2003

december

november

oktober

september

augustus

juli

juni

mei

april

maart

februari

januari