Landinrichtingswet

woensdag 26 november 2003 14:49

De heer Slob (ChristenUnie): Voorzitter. Het wetsvoorstel dat vanmorgen aan de orde komt, heeft het karakter van een noodwet. In dat opzicht heeft het vonnis van de rechtbank te Groningen inzake de ruilverkaveling in Sauwerd heel wat losgemaakt. De fractie van de ChristenUnie heeft vanuit het oogpunt van politieke zuiverheid en rechtszekerheid grote vraagtekens geplaatst bij de in dit wetsvoorstel gekozen oplossing. Met name het met terugwerkende kracht laten ingaan van dit wetsvoorstel stuit bij ons op de nodige vragen. Dat heb ik ook bij de inbreng voor het verslag al heel goed duidelijk gemaakt. Ik heb uiteraard met de nodige interesse en belangstelling uitgekeken naar de beantwoording. In zijn antwoord op de door ons gestelde vraag op dit punt geeft de minister aan dat inwerkingstelling met terugwerkende kracht mogelijk is, omdat er geen materiële belangen van eigenaars of rechthebbenden in het geding zijn. Hij geeft daarvoor in de nota naar aanleiding van het verslag een aantal argumenten die ik hier niet zal herhalen. Het lijkt een plausibel betoog, maar ik wil er toch een kanttekening bij plaatsen. Hoe wij het ook wenden of keren, het wetsvoorstel van de minister grijpt in in lopende procedures bij rechtbanken. Partij in de procedures zijn doorgans grondgebruikers of grondeigenaren enerzijds en landinrichtingscommissies anderzijds. De landinrichtingscommissie is een bestuursorgaan van de staat. Dezelfde staat der Nederlanden heeft dit wetsvoorstel in procedure gebracht. Op basis van die redenering kan er gesteld worden dat het ministerie van LNV enerzijds partij is in lopende juridische geschillen ten overstaan van de rechter en dat het anderzijds via dit wetsvoorstel zijn rechtspositie in dat lopende geschil probeert te verbeteren. Als de wet met terugwerkende kracht zou ingaan, dan zijn de gebreken in de procedure zoals deze zijn komen vast te staan naar aanleiding van het vonnis van de rechtbank in Groningen hersteld. De staat grijpt dan echter ook via wetgeving in in een rechtszaak waarin de staat zelf partij is. De vraag is dan of wij nog kunnen spreken over een betrouwbare overheid en of dit de rechtszekerheid van burgers garandeert. Daar moeten wij toch een overtuigend antwoord op krijgen. De vraag is ook hoe sterk de overheid staat als zij dit pad bewandelt. Niet uitgesloten mag worden dat dit tot verdere rechterlijke procedures zal gaan leiden. Dan is de vraag zeer klemmend die ook mevrouw Schreijer-Pierik heeft gesteld, namelijk hoe dit zich verhoudt tot een eerdere uitspraak van het Europese Hof van de rechten van de mens in Straatsburg uit december 1999 in een geschil waarbij de Griekse staat ingreep met wetgeving in een rechtszaak waarbij zij zelf partij was. Daar is uitspraak over gedaan. Het Hof achtte aanwezig schending van het recht op een eerlijke behandeling van de zaak, fair trial, van artikel 6 lid 1 EVRM, omdat de staat met haar wetgeving de voor de staat vrijwel zeker negatieve uitkomst van het geschil heeft verhinderd. Het legaliteitsbeginsel en de notie van fair trial zoals vastgelegd in dat beruchte artikel 6 verbieden elke vorm van tussenkomst van de wetgevende macht in de rechtsspraak, om de gerechtelijke uitspraak van een geschil te beïnvloeden. Graag hoor ik van de minister hoe hij de door mij genoemde uitspraak van het Europese Hof voor de rechten van de mens taxeert in relatie tot het nu voorliggende wetsvoorstel.
Voorzitter. Dit brengt mij bij de opmerkingen die de minister heeft gemaakt met betrekking tot de centrale landinrichtingscommissie.

Mijn fractie heeft bij de inbreng voor het verslag gevraagd of de in de memorie van toelichting aangegeven constatering juist is dat de besluiten die sinds 1996 namens de CLC zijn genomen, op dezelfde wijze zijn voorbereid als de besluiten die voor 1996 door de CLC zelf zijn genomen. De minister antwoordt hierop dat de besluiten thans ambtelijk voorbereid worden door de secretaris van de CLC en de voor hem werkzame ambtenaren van de Dienst landelijk gebied, zulks in samenspraak met andere bij het landinrichtingsproces betrokken adviseurs. Vóór 1996 nam de CLC eveneens besluiten na voorbereidend werk van de secretaris van deze commissie en van ambtenaren van het ministerie van LNV en van het Kadaster. Toen speelde de provincie hierbij geen rol, later wel.
Ogenschijnlijk is er dus geen verschil, maar is dit geen optisch bedrog? Vóór 1996 was er toch een zelfstandig functionerende CLC? Uit verslagen van vergaderingen van de commissie blijkt dat er in veel gevallen uitgebreid gesproken werd voordat zij tot besluitvorming kwam. Dit werkte ook als een laatste toetssteen en controle van het werk van de secretaris van de CLC. Na 1996 heeft er geen onafhankelijke CLC meer gefunctioneerd, zodat deze beoordeling en controle ontbrak. Bij dit formele gebrek heeft de rechtbank van Groningen nu de vinger gelegd. Dit formele gebrek zou dan toch ook inhoudelijke gevolgen voor de te nemen besluiten kunnen hebben gehad? Ik begrijp dan ook niet waarom de minister zo stellig kan zijn in zijn uitspraak dat dit niet het geval is. Ik hoor graag welke argumenten hij voor zijn standpunt heeft. Als hij bij deze opvatting blijft, geeft hij in feite toch aan dat de Centrale landinrichtingscommissie nooit bestaansrecht heeft gehad en geen waardevolle functie vervulde. Of is dit een te snelle conclusie?
Voorzitter. Ik verneem ook graag van de minister een reactie op uitspraken van de jurist Noordhuis in het blad Vee en gewas van 27 september jl., waarin hij voorbeelden geeft van misstanden die zich na 1996 hebben voorgedaan. Hij noemt onder meer het gegeven dat een landinrichtingscommissie bezwaar maakte tegen haar eigen landinrichtingsplan, terwijl dit wettelijk verboden is. Ook zijn er buiten de wettelijke termijnen nog bezwaren ingediend. Bovendien geeft Noordhuis aan dat er wijzigingen in de landinrichtingsplannen zijn doorgevoerd onder de noemer "uitwerking". Het is wel duidelijk dat het optreden van de landinrichtingscommissies bij een deel van de belanghebbenden, dus gelukkig niet bij allen, heel veel frustraties teweeg heeft gebracht. Wellicht hadden dit soort situaties voorkomen kunnen worden met een onafhankelijke, goed functionerende CLC.
Ik kom tot de conclusie dat er bij dit wetsvoorstel toch iets meer aan de hand is dan alleen een procedurele oplossing voor een procedureel probleem. Gelet op de vragen die ik opgeworpen heb, is het voor onze fractie nog zeer de vraag of zij het voorstel in deze vorm zal kunnen steunen. Wij beseffen terdege dat verwerping van het wetsvoorstel gevolgen kan hebben voor veel belanghebbenden die geen problemen hebben en die zich nu al gedupeerd voelen door het opschorten van besluitvorming na het arrest van Sauwert. Zij hebben hier ook niet om gevraagd. Maar wij kunnen om die reden toch geen wetsvoorstel aannemen dat de toets van een betrouwbare overheid en van rechtszekerheid niet kan doorstaan? Wij moeten samen zoeken naar oplossingen. Ik ben dan ook blij met de moedige pogingen van mevrouw Schreijer-Pierik en mevrouw Snijder-Hazelhoff om met een amendement belanghebbenden onder bepaalde voorwaarden met terugwerkende kracht in ieder geval de gelegenheid te geven om hun zaak weer aanhangig te maken. Ik heb het al aan mevrouw Schreijer gevraagd, maar ik zou ook graag van de minister vernemen hoe dit zich dan weer verhoudt tot het beruchte artikel 5. Ik heb namelijk de indruk dat dit artikel dan uit de wet zou moeten worden geschrapt; ik heb daartoe ook al een amendement voorbereid. Dit wil niet zeggen dat alle zaken zullen worden overgedaan – mevrouw Schreijer wil dit ook niet met haar amendement bewerkstelligen – maar het biedt wel ruimte om zaken weer aanhangig te maken. Mogelijkerwijze is dit de consequentie die wij zullen moeten nemen omdat de overheid in de afgelopen jaren in gebreke is gebleven. En nogmaals, het is meer dan alleen een juridisch puntje. Het heeft gevolgen gehad die wij hadden moeten proberen te voorkomen, ook al geldt dit misschien voor maar heel weinig mensen. Ik ben zeer benieuwd naar de reactie van de minister en ik zal in tweede termijn definitieve conclusies trekken.

« Terug

Nieuwsarchief > 2003

december

november

oktober

september

augustus

juli

juni

mei

april

maart

februari

januari