Journalistiek in het Koninkrijk

zaterdag 06 november 2004 09:22

 

Enkele weken geleden werd in deze krant aandacht geschonken aan een jubileumpublicatie van de Christelijke Hogeschool Ede, getiteld Bezielde journalistiek. Ik heb het boekje inmiddels gelezen en veelszins met plezier.

Gelukkig sprak een enkele schrijver enigszins narrig over het adjectief 'bezielde', want ook bij mij gaat het kriebelen als ik dit soort versieringen aantref. Ik ben ze wel tegengekomen, die bezielde journalisten, en meestal luisterden ze verdraaid slecht.

Belangrijker is natuurlijk de vraag waardoor men zich wil laten bezielen. Daarover wordt in deze bundel ook het nodige gezegd. Het in positieve zin meest prikkelende citaat was afkomstig van Ronald Westerbeek, nu eindredacteur van CV-Koers: ,,Wanneer je als christen leeft en werkt vanuit het perspectief van Gods Koninkrijk, steek je meer af in de diepte, je bent onafhankelijker van de waan van de dag, je waait niet mee met alle winden, en zeker niet met hypes, hetzes en dat cynisch 'journalistieke' toontje waarin dan kennelijk je kritische houding moet blijken.''

In omgekeerde volgorde tref ik in dit citaat een drietal voor de journalistiek relevante noties aan: het cynisme als grondhouding van veel hedendaagse journalisten, de noodzaak van professionele onafhankelijkheid en de erkenning van de realiteit van Gods koninkrijk.

Cynisme

Eerst iets over dat cynisme. Een journalist heeft in onze democratische rechtsorde een zeer vrije rol. Geen overheid die hem iets durft voor te schrijven, en terecht. In zekere zin is dus de journalist zijn eigen professionele wetgever. Wat dit betekent voor de journalistieke houding tegenover politiek en politici, is onlangs haarscherp geanalyseerd door de Engelse redacteur John Lloyd in een boek over media en politiek. Hij merkt herkenbaar op dat de media steeds destructiever zijn gaan werken, in toenemende mate behept met de cynische vooronderstelling dat politici geboren leugenaars en boeven zijn.

Dat ook de media afhankelijk zijn van goed functionerende democratische instellingen, die het waard zijn zorgvuldig bejegend te worden, is een inzicht dat verdwenen is. Het publieke domein is een jachtveld geworden, waarop verslaggevers op hun prooien kunnen jagen ten einde hen aan hun speer te kunnen rijgen.

Het beeld van Lloyd is fraai. Wie herkent daarin niet de politieke journalist die bij een politiek conflict uitsluitend is geïnteresseerd in de vraag of een minister de Kamer 'heeft misleid' en of derhalve diens kop niet dient te rollen? De rol van de pers is verschoven van een professie die informatie verschaft en opinievormend is, naar die van publiek tribunaal. Dat heeft het karakter van een machtsgreep.

Lloyd wijst er ook op dat de zelfverheffing van journalisten zo sterk is geworden dat zij in feite zichzelf zien als de echte vertegenwoordigers van het volk, daarmee een concurrentieverhouding creërend met de 'echte' volksvertegenwoordiging. Het resultaat is een respectloze machtsstrijd tussen politicus en journalist over de vraag wie het laatste woord mag hebben. Wie wel eens kijkt naar Barend en Van Dorp begrijpt waarover het hier gaat.

Destructief

Dat cynisme vindt mijns inziens mede hierin zijn oorsprong, dat veel te weinig reflectie plaatsvindt op de vraag door wie of wat een journalist zich laat bezielen. Een beoefenaar van een vrij beroep, of hij nu accountant, advocaat, arts of journalist is, moet bereid zijn aan te geven welke waarden of belangen hij wenst na te jagen. Dat kan zijn de integriteit van de omgang met geld, het recht, de gezondheid van de patiënt of ... ja, wat moet een journalist hier antwoorden?

Een eerlijk antwoord zal in onze tijd vaak iets moeten opleveren als: commercieel winstbejag, hoge oplages, kijk- en luistercijfers, amusement en de zelfbevrediging van het uitoefenen van macht. Als het daarbij blijft, is de journalistiek een destructieve maatschappelijke kracht geworden. De goeden niet te na gesproken, is dat thans nogal eens het geval.

Koninkrijk

In dat klimaat is een christelijke journalistenopleiding natuurlijk een vreemde eend in de bijt en dat is maar goed ook. Het vloeit voort uit het realistische besef dat ook een journalist leeft en werkt in Gods koninkrijk, en dat zijn werk daaraan dienstbaar moet zijn. In die zin is een christelijke journalist een partijganger, die met al zijn scholing zichzelf juist niet tot wetgever wil zijn.

Zo'n journalist heeft het niet gemakkelijk, ook al omdat theologie en prediking het thema van het Koninkrijk onderbelicht laten ten gunste van eveneens belangrijke zaken als de geloofservaring, geestelijke groei, godsvrucht, enfin, de zaken waarover op de kerkpagina kolommen worden volgeschreven.

Een christelijke journalist zal dus veelszins zijn eigen weg moeten zoeken. Nu ken ik het curriculum van de opleiding in Ede niet, maar ik hoop dat naast de technische en ambachtelijke vaardigheden veel aandacht wordt gegeven aan een christelijke levens- en wereldbeschouwing en daaruit voortvloeiende visies op de geschiedenis, de maatschappij en de staat. Die kennis kan hem in staat stellen zijn onafhankelijkheid te borgen tegenover de waan van de dag, de hypes - die we overigens ook op het kerkelijke terrein kennen - en de dominante cultuurkrachten.

In deze benadering wordt de cynische beroepshouding omgezet in een constructief-kritische en - in een enkel gezegend geval - een profetische reflectie op zin en onzin van onze cultuur.

Zo zal een buitenlandcommentator - ik mis Aad Kamsteeg al nog voor hij afscheid van deze krant heeft genomen - de wisselende machtsverhoudingen in onze wereld volgen en analyseren, maar tevens speuren naar de voortgang van het kerkvergaderende werk Christus daarachter. Dan komt in een land als China niet alleen het laatste partijcongres met zijn applausmachine in beeld, maar evenzeer de lijdende kerk of huisgemeenten. Dan is het niet doorslaggevend of een Amerikaanse president een 'man van het geloof' is, hoe weldadig op zichzelf ook, maar of hij regeert conform de regels van het Koninkrijk. En weet de journalist ook het verschil tussen het bekritiseren van politici en het respecteren van het overheidsambt, dat zijn legitimatie tenslotte van God ontvangt. Zo stopt hij voor de grens waarachter zijn werk destructief wordt.

Een journalist moet nieuwsgierig zijn, begerig naar nieuws. Alleen een bewust doorleefde levens- en wereldbeschouwing stelt hem in staat te schiften wat daadwerkelijk nieuws is en waarnaar zijn begeerte moet uitgaan.

 

Eimert van Middelkoop is lid van de Eerste Kamer voor de ChristenUnie en schrijft op deze plaats maandelijks een column.

Bron: Nederlands Dagblad

« Terug

Reacties op 'Journalistiek in het Koninkrijk'

Geen berichten gevonden

Log in om te kunnen reageren op nieuwsberichten.

Nieuwsarchief > 2004

december

november

oktober

september

augustus

juli

juni

mei

april

maart

februari

januari