Alle grondrechten zijn gelijk, maar sommige...

zaterdag 05 juni 2004 09:26

 

Met enige overdrijving kan worden geconstateerd dat in ons land sinds enkele jaren een cultuurstrijd woedt. De start daarvan wordt gemarkeerd door de terroristische aanslagen van 11 september 2001 en - dichter bij huis - het optreden van Pim Fortuyn.

De factor godsdienst, in het bijzonder manifestaties van de islam, speelt daarbij een centrale rol.

Een belangrijke politieke vraag die uit deze strijd voortvloeit, is of onze democratische rechtsstaat met gewaarborgde vrijheidsrechten daartegen opgewassen is of dat aanpassingen noodzakelijk zijn.

Daarover gaat de onlangs uitgebrachte nota van minister Thom de Graaf, Nota grondrechten in een pluriforme samenleving. Het is een doorwrocht stuk geworden met een conservatieve strekking, want - om enkele van de belangrijkste conclusies te noemen - de grondwet behoeft geen wijziging en er is geen noodzaak een rangorde aan te brengen tussen de grondrechten.

De eerste reacties op de nota waren schaars, maar niet onwelwillend. Dat kan natuurlijk veranderen als de juridische vakpers erover gaat schrijven en de Tweede Kamer, waar genoemde cultuurstrijd regelmatig oplaait, zich erover buigt.

Wat is het belang van de zaak? De meest voor de hand liggende constatering is dat onze rechtsstaat kennelijk in staat is de binnenkomst van de islam zonder problemen op te vangen. Er is geen wettelijke of juridische onhelderheid als het gaat om zaken als het hoofddoekje, vrouwenbesnijdenis, gebedsruimtes, eerwraak enz. Daarover zijn inmiddels ook voldoende vredestichtende rechterlijke uitspraken bekend. Of dat zo kan blijven, hangt ook af van de vraag of in Nederland de islam zich langs gematigde lijnen blijft ontwikkelen, of dat er een radicalisering optreedt.

Een ander front is zeker zo interessant. Sinds de roerige jaren zestig van de vorige eeuw hebben de ideologen van het gelijkheidsbeginsel geprobeerd geestelijke, politieke en burgerlijke vrijheidsrechten in te perken. In die strijd werd een machtig taalwapen gehanteerd, namelijk de beschuldiging van discriminatie als zo ongeveer de ergste zonde. Vooral de zg. homobeweging had daar een handje van.

In feite werd geprobeerd op tal van terreinen één opvatting, en wel de libertijnse, voor algemeen geldig te verklaren. Mensen met andere, traditionele en dus achterlijke, opvattingen mochten die nog slechts binnensmonds mompelen. Dat was in de jaren tachtig de inzet van de strijd rond de Algemene wet gelijke behandeling, waaraan in elk geval de christelijke politiek geen aangename herinneringen heeft overgehouden.

Wat gechargeerd samengevat spitste de strijd zich toe op de vraag of het nog wel door de moderne beugel kon dat een homoseksuele onderwijzer geweigerd mocht worden door het bestuur van een 'school met den Bijbel'. Dat was geen prettige inzet voor een ideologische strijd, die in werkelijkheid ging over de vraag of aan de vrije samenleving een ongodsdienstig en zeer liberaal staatsethos kon worden opgelegd.

Het probleem voor deze vrijdenkers was dat ze weinig steun hadden aan de grondwet. Wel is actief geprobeerd die steun erin te lezen. Toen in 1983 de herziene grondwet gereed was, riep minister Van Thijn het eerste artikel, waarin het gelijkheidsbeginsel is verwoord, uit tot de vlag op de grondwet, daarmee suggererend dat andere vrijheidsrechten daarvoor zouden moeten wijken.

Het was in dezelfde tijd dat op een pleintje voor het nieuwe gebouw van de Tweede Kamer een marmeren bank werd neergezet met daarop de tekst van artikel 1. Dat was in feite een politieke geloofsbelijdenis. Het meer voor de handliggende alternatief, namelijk de tekst van artikel 50 ('De Staten-Generaal vertegenwoordigen het gehele Nederlandse volk'), werd weggewuifd. Het waren allemaal symboolpolitieke uitspraken en handelingen, geheel passend bij de geest van de tijd. De grondwet bleek er echter tegen bestand.

Het interessante van de nota van minister De Graaf is nu dat hij aan deze stand van zaken geen einde wil, en mijns inziens ook moeilijk kan, maken. De grondwetgever heeft bij de totstandkoming van de herziene grondwet namelijk met zoveel woorden uitgesproken dat er geen rangorde of hiërarchie bestond tussen de grondrechten.

Dat betekende bijvoorbeeld dat de vrijheid om de homoseksuele praxis op Bijbelse gronden moreel te veroordelen, niet bij voorbaat zou hoeven te wijken voor de beschuldiging van discriminatie. Dit goede evenwicht, neergelegd in onze grondwet, is daarna in tal van rechterlijke uitspraken bevestigd. En dat is een zaak om dankbaar voor te zijn.

De ironie van de geschiedenis is, dat in de jaren zeventig de GPV-fractie de stelling had betrokken, dat er iets te zeggen was voor de redenering dat de vrijheid van godsdienst het voornaamste vrijheidsrecht mocht worden genoemd. Tegen die vermetele gedachte werd door de regering met kracht stelling genomen: er was geen rangorde! Over weinig antwoorden, hoe teleurstellend op zichzelf ook, kunnen we achteraf zo tevreden zijn als over dit. Het hield in de jaren daarna het opdringerige gelijkheidsbeginsel keurig in bedwang!

Er is dus een voldoende reden het hierbij nu te laten en met de nota van De Graaf de strijdbijl te begraven. Dat is dan wel een compromis. Er zijn namelijk wel degelijk goede gronden de vrijheid van godsdienst de voornaamste te achten. Historisch gezien behoort het tot de geboortepapieren van onze natie, dat in de Unie van Utrecht van 1579 werd uitgesproken dat de godsdienstvrijheid moest worden gerespecteerd. Dat was voor die tijd een revolutionaire en baanbrekende rechtsontwikkeling, waarop ons land tot op vandaag trots mag zijn.

Daarnaast fundeert deze vrijheid natuurlijk het beginsel van de scheiding van kerk en staat, een van de fundamenten van onze democratische rechtsstaat. Het vermelden waard is vervolgens dat, wanneer in tijden van rampspoed de uitzonderingstoestand wordt uitgeroepen, de regering het recht heeft inbreuk te maken op de vrijheden van meningsuiting (!), vereniging, vergadering, privacy en het briefgeheim. De vrijheid van godsdienst, indien uitgeoefend in kerkgebouwen, blijft echter zelfs dan onaangetast. De wetgever heeft goed begrepen dat de staat er wel eens belang bij kan hebben dat in die extreme situaties in de kerken het gebed om uitredding ongestoord kan blijven klinken.

Het belangrijkste argument is natuurlijk, of minister De Graaf dat nu wil erkennen of niet, dat het opschorten van de vrijheid van godsdienst in feite van gelovige burgers vraagt om God te loochenen. Van veel vrijheden kan men een tijdje afzien, van de vrijheid om God te dienen niet. Zij gaat zelfs aan de plicht tot gehoorzaamheid aan de overheid vooraf. Kortom, een grondwetgever met de gave des onderscheids zou minder snel tevreden zijn dan minister De Graaf in zijn nota.

 

Eimert van Middelkoop is lid van de Eerste Kamer voor de ChristenUnie en schrijft op deze plaats maandelijks een column.

Bron: Nederlands Dagblad

Nieuwsarchief > 2004

december

november

oktober

september

augustus

juli

juni

mei

april

maart

februari

januari