Relatie tussen kerk en overheid in Europees perspectief

vrijdag 10 januari 2003 13:38

Europese kerken tussen nationale democratieën en Europese constitutie
Bijdrage van Hans Blokland aan conferentie 11 december 2002 te Kopenhagen

Allereerst wil ik de organisatoren van deze conferentie dankzeggen voor de uitnodiging om namens de Nederlandse christelijke politieke partijen ChristenUnie en SGP iets te zeggen over de relatie tussen kerk en overheid in Europees perspectief.

In de verscheidenheid van Europese kerken zijn drie hoofdstromingen te onderscheiden: 1. de rooms-katholieke kerken; 2. de protestantse kerken en 3. de orthodoxe kerken. Deze kerken hebben alle drie een specifieke verhouding tot de overheid die teruggaat op hun geschiedenis en identiteit.

Eerst de historie. Hierbij zijn de visies van twee personen in de kerkgeschiedenis van beslissende invloed.

- Eusebius van Cesarea (260-<341), met zijn steun voor de christelijke keizer Constantijn. In dit model heeft de kerk een veel minder zelfstandige positie ten opzichte van de overheid. De christelijke keizer heeft het oppergezag zowel in de kerk als in de samenleving. Hierbij zijn de orthodoxe kerken in te delen.

- Aurelius Augustinus van Hippo (354-430), met zijn leer van de twee regimenten. In dit model zijn christenen burgers van twee rijken en hebben kerk en overheid gescheiden verantwoordelijkheden. Hierdoor is de positie van de kerk ten opzichte van de overheid veel zelfstandiger. Eeuwenlang hebben keizer en paus in westelijk Europa elkaar de suprematie betwist. De Rooms-katholieke kerk vindt dat de kerk het geestelijke én natuurlijke leven beheert, maar voor het laatste de macht heeft overgedragen of gedelegeerd aan de overheid. In de protestantse traditie worden overheid en kerk naast elkaar gepositioneerd, met elk een zelfstandige verantwoordelijkheid. De twee belangrijkste hervormers Luther en Calvijn grijpen hierbij terug op de leer van de twee regimenten van Augustinus. De kerk mag niet heersen over de staat, evenmin mag de staat haar macht binnen de kerk tot gelding brengen. Wél zijn beide, kerk en overheid, gehoorzaamheid verschuldigd aan God, maar elk op een eigen manier. In de kerk regeert het Woord van God - de theologocratie (logos = woord). De kerk verkondigt het genadevolle Woord van God en getuigt van de verlossing door Jezus Christus. In de staat regeert de Wet van God - de theonomocratie (nomos = wet). De overheid draagt de verantwoordelijkheid om recht en orde in de samenleving te bewerkstelligen volgens de norm van de Tien geboden.

Qua identiteit en kerkstructuur is van betekenis dat de Rooms-katholieke kerk een sterke hiërarchische structuur heeft met een centraal gezag in de persoon van de paus te Rome. De nationale kerkprovincies profileren zich hierdoor minder sterk dan in de andere twee onderscheiden stromingen.
De orthodoxe kerken kennen min of meer eenzelfde hiërarchische opbouw, maar door de val van Constantinopel (1453) missen zij een sterk centraal gezag. Weliswaar presenteert de patriarch van Moskou zich als de opvolger van de patriarch van Constantinopel en ziet de Russisch orthodoxe kerk Moskou als het derde Rome, maar een feit is dat de orthodoxe kerken een sterk nationale inslag hebben. Soms zelfs zozeer dat zij het nationalisme in bepaalde landen openlijk steunen (voorbeelden: Servië en Roemenië).
De protestantse kerken zijn georganiseerd in landskerken en hebben in het algemeen een minder hiërarchische structuur. Dit komt onder andere tot uitdrukking in een sterke mate van zelfstandigheid van de plaatselijke gemeenten. Er is grote variatie op dit punt naar gelang er sprake is van een lutherse of een calvinistische signatuur. Door de grondgedachte dat een christen burger is van twee rijken (het hemelse en het aardse burgerschap, zie Filippenzen 3 vers 20) staan de protestantse kerken in het algemeen kritisch ten opzichte van de overheid. Al zijn hierop zeker betreurenswaardige uitzonderingen denkbaar, zoals we gezien hebben in de jaren dertig van de vorige eeuw in Duitsland. En dit geldt ook voor de Wereldraad van Kerken die onvoldoende tegenwicht bood tegen al te volgzame kerkleiders in Midden- en Oost-Europese landen die aan de leiband van Moskou liepen.

Kerken in Europa

Ten aanzien van de Europese integratie heeft de Rooms-katholieke kerk zich door de jaren heen zeer positief en stimulerend opgesteld. Het herstel van een Europees-brede politieke machtsstructuur creëert voor de Rooms-katholieke kerk met haar centralistische organisatie een voorsprong ten opzichte van de protestantse en orthodoxe kerken die in landskerken zijn georganiseerd. Ook speelt bij de Rooms-katholieke kerk sterk mee het streven naar restauratie van het Middeleeuwse Corpus Christianum.
De orthodoxe kerken streven naar een bevoorrechte positie of een consolidatie daarvan in die landen waar zij een dominante positie hebben. In de praktijk van alledag onderhouden zij intensieve banden met de overheid en staan zij negatief ten opzichte van godsdienstvrijheid en gelijke rechten voor kerken van andere godsdienstige signatuur.
De protestantse kerken zijn onderling sterk verdeeld en kunnen moeilijk een vuist maken, noch tegenover de nationale overheden, noch tegenover de Europese instellingen. Hun positie in de verschillende Europese landen loopt heel sterk uiteen. En meer dan bij de Rooms-katholieke en orthodoxe kerken, zijn veel grote protestantse kerken intern uitgehold door moderne theologieën met relativistische opvattingen over christelijke dogma's, zoals het gezag van de Bijbel.

Wanneer we letten op de specifieke verhouding tussen kerk en staat in de lidstaten van de Europese Unie, zijn er ruwweg drie 'modellen' te onderscheiden. Ten eerste het superioriteitsmodel waarin een staatskerk domineert, zoals bijvoorbeeld in Denemarken, het Verenigd Koninkrijk en Griekenland. Ten tweede het onverschilligheidsmodel, waarbij sprake is van een strikte scheiding tussen kerk en staat. Dit is het geval in Frankrijk en Nederland. In de derde plaats onderscheiden we een gemengd model, waarin wel sprake is van een scheiding tussen kerk en staat, maar tegelijk de overheid en de kerk erkennen dat zij een aantal taken gemeenschappelijk hebben. Dit gemengde model treffen we aan in Duitsland, Italië en Spanje.

Nergens in de lidstaten van de Europese Unie treffen we het ideaal aan wat wij voorstaan: het samenwerkingsmodel, dat teruggaat op de visie van Calvijn. Hierin zijn de domeinen van staat en kerk gescheiden, ze hebben ieder hun zelfstandige verantwoordelijkheden en treden niet in elkaars interne aangelegenheden. Met respect voor ieders eigen positie werken staat en kerk samen om het goede voor de samenleving te zoeken. Een samenleving kan immers niet zonder deugdelijke geestelijke grondslagen en breed gedeelde waarden en normen, die alle mensen beschermen, hun vrijheden respecteren en een appèl doen op hun persoonlijke verantwoordelijkheid.

De Europese Unie en de kerken

Met betrekking tot de Europese Unie stel ik vast dat zij in hoofdzaak onverschillig staat ten opzichte van godsdienst en kerken. Overheersend zijn de elementen van neutraliteit, tolerantie en gelijkheid van godsdiensten en andere levensbeschouwingen. Illustratief hiervoor is de verklaring in het Verdrag van Amsterdam:

De Unie eerbiedigt en doet geen afbreuk aan de status onder het nationale recht van de kerken en religieuze verenigingen in de lidstaten. De Unie eerbiedigt op gelijke wijze de status van filosofische en niet-confessionele organisaties.

Hoofdbezwaar tegen deze Verklaring is dat zij afbreuk doet aan de specifieke status van kerken zélf. Een kerk is namelijk geen willekeurige vereniging of organisatie waar je naar believen wel of geen lid van kunt zijn of worden. Aan kerklidmaatschap ligt een geloofsverbond tussen God en mens ten grondslag, tot uitdrukking komend in het sacrament van de Heilige Doop. De plaatselijke kerkelijke gemeente is een deel van het Lichaam van Christus en we zouden graag zien dat de Europese Unie en haar lidstaten dit bijzondere karakter van de kerk tot uitdrukking brengen in hun nationale constituties en in de Europese Verdragen.

Naar een constitutie voor de Europese Unie?

Op grond van onze visie op de Europese Unie als een verdragsrechtelijke internationale organisatie vinden wij een Europese constitutie niet wenselijk. De verdragsluitende Europese landen hebben elk hun eigen constituties en hun specifieke democratische tradities. Die zijn nooit op één noemer te brengen in een Europese constitutie.

Mocht de EU onverhoopt tóch komen tot een constitutioneel verdrag, dan is voor onze partijen van het grootst belang daarin de soevereiniteit van de God van de Bijbel wordt erkend. Want een constitutie die berust op de grondslag van de menselijke zelfbeschikking of de volkssoevereiniteit, heeft een ondeugdelijk fundament. De Wet van God is namelijk het enige objectieve, vaste ankerpunt voor bescherming van het menselijk leven, voor duurzame garantie van de humaniteit. Hiervoor zullen de protestantse, katholieke en orthodoxe kerken zich gezamenlijk sterk moeten maken. Al het andere is ten diepste bijzaak.

Het christelijk geloof heeft de Europese cultuur diepgaand beïnvloed en haar identiteit gevormd. Anti-christelijke tendensen in samenleving en cultuur, zoals die zich met name sinds de revoluties van de achttiende en negentiende eeuw doen gelden, perverteren de oorspronkelijke christelijke waarden van vrijheid, solidariteit, verdraagzaamheid, diversiteit etcetera.

Zowel de Europese staten als de Europese Unie hebben een betrouwbare grondslag voor het leven en samenleven van de Europese volkeren nodig. Een herbronning van Europa tot haar christelijke oorsprong kan leiden tot een revitalisering van ons oude continent. Temidden van de variatie aan volkeren komt dan elk volk en ieder mens tot zijn recht en tot zijn bestemming.

Ik dank u voor uw aandacht.

« Terug

Reacties op 'Relatie tussen kerk en overheid in Europees perspectief'

Geen berichten gevonden

Log in om te kunnen reageren op nieuwsberichten.

Nieuwsarchief > 2003

december

november

oktober

september

augustus

juli

juni

mei

april

maart

februari

januari