Oorlog in Irak; terecht of onrecht?

woensdag 05 maart 2003 11:22

Bas Belder is op 25 februari in Putten in debat gegaan met Marcel de Haas, hoogleraar Internationaal Recht en Wietske de Lange, vredesactivist en betrokken bij de protesten tegen de oorlog in Irak. Voor het debat begon, kregen de deelnemers gelegenheid hun standpunten toe te lichten.

Over oorlog en vrede, militair optreden of het terugtrekken van troepen, praat je niet op makkelijke wijze. Ik deel de visie van tegenstanders van militair ingrijpen in Irak dat er vele risico´s zijn. Dan denk ik aan de doden bij gevechten en aan de mogelijke milieuschade als Saddam Hoessein bijvoorbeeld zijn olievelden in brand steekt. Ook is er het risico dat buurlanden gebruik maken van chaos om de grenzen van Irak te schenden of aan verstoring van de relaties van het Westen met de Arabische wereld. En wat zal er met Irak gebeuren als het Ba´athregime valt? Komt er dan een stabiele, levensvatbare regering voor terug? Al deze risico zijn reëel en het is lichtzinnig om niet grondig over deze gevaren van een militaire interventie in Irak na te denken.

Toch ben ik van mening dat een gewapend optreden tegen Irak noodzakelijk is. Irak, of liever gezegd het heersende regime in Bagdad, moet gedwongen worden zich te ontdoen van zijn biologische en chemische wapens. Daarnaast moet het nucleaire programma verstoord worden. Een regime-change, een verandering van de regering in Irak, zou echter het meest gewenste doel zijn van een militaire interventie.

Waarom kom ik tot deze stellingname? Daarvoor moet ik een andere vraag stellen.
Wanneer is militair ingrijpen van een andere staat in een bepaald land gelegitimeerd? De heer De Haas heeft net uit de doeken gedaan wat de VN daarmee te maken heeft. Als ik deze volkenrechtelijke kant even terzijde laat, komen we bij ethische overwegingen uit. Gewapend militair optreden in een ander land kan noodzakelijk zijn als van dat land een bedreiging uitgaat voor de vrede en veiligheid in een regio. Irak vormt zo´n bedreiging voor het Midden-Oosten. Omdat de Golfregio een zeer belangrijke, en explosieve regio in de wereld is, vormt het huidige Iraakse bewind ook een bedreiging voor de wereldvrede.
Voor deze stellingname is niet zo heel relevant hoeveel wapens Irak nu daadwerkelijk in bezit heeft. Natuurlijk zegt dat wel iets over het vermogen van het Tweestromenland om op dit moment andere landen te bedreigen. Op de lange termijn is echter veel belangrijker wat het antwoord is op een aantal andere vragen. Hoeveel kennis is in Irak aanwezig over het maken van biologische, chemische en nuclaire wapens? Welke mogelijkheden heeft het land om in de toekomst gevaarlijke wapens te maken of te importeren? En niet de minst belangrijke: wat beoogt het bewind onder leiding van Hoessein met deze wapens?
Als we nagaan hoeveel kennis in Irak aanwezig is, past daarbij als eerste de notitie dat het de Westerse landen zijn, en met name Frankrijk, die de basis voor deze kennis aan de Irakezen hebben geleverd. Als westerse wereld dragen we verantwoordelijkheid voor de situatie die daarmee geschapen is. Voor een actueler overzicht van de Iraakse kennis over massavernietigingswapens, kunnen we afgaan op getuigenissen van gevluchte Iraakse wetenschappers. Zij vertellen ons van grote aantallen Irakezen, die gedwongen worden prestaties te leveren bij het ontwikkelen van wapens. Het land was in september 2002 qua kennis ongeveer nog een jaar verwijderd van het maken van een kernbom, zo getuigen ze. En waarom zouden wij hen niet serieus nemen? Is het immers niet opvallend dat Saddam en cohorten vooral niet meewerken aan de wapeninspecties op het punt van de interviews die het wapeninspectieteam van de Verenigde Naties met Iraakse wetenschappers wil houden? Maar kennis is ondertussen wel de meest fundamentele basis voor het ontwikkelen van wapens!
De mogelijkheden om allerlei grondstoffen en materialen voor het vervaardigen van wapens te importeren, zijn er altijd wel. Hoe streng het sanctieregime tegen Irak ook moge wezen, er zitten altijd gaten in. Er zijn op deze wereld gewetenloze regeringen, die in ruil voor olie wel een oogje dicht willen knijpen. Er zijn tevens relaties tussen slechte regimes onderling. Als illustratie kan ik kleine krantenberichten van de afgelopen week aanhalen. Een kop luidde: Wit-Rusland haalt betrekkingen met Irak aan. Dit zijn geen onschuldige gebeurtenissen voor wie bedenkt dat in Wit-Rusland nog heel wat kennis en materieel uit het oude Sovjet-wapenarsenaal aanwezig is. Ook gaan er hardnekkige geruchten, dat een deel van de Iraakse wapenvoorraad via Syrië op boten is geladen en de wereld over zwerft.
Ook al bezit Irak nu weinig of geen massavernietigingswapens, op termijn zullen ze deze zeker weer in bezit kunnen krijgen. De meest belangrijke vraag is dan ook: wat beoogt het Ba´ath-regime in Bagdad met het bezit van deze wapens? Waarom willen ze deze zo graag hebben? Wie het handelen en het karakter van het regime, maar met name van zijn leider, Saddam Hoessein, analyseert komt tot de onvermijdelijke conclusie dat vanaf het ontstaan van het Ba´athbewind de bedoeling is geweest om het Midden-Oosten te beheersen. Ik kan vanavond niet de hele geschiedenis van Irak gaan behandelen, maar misschien is het voldoende om te verwijzen naar het feit dat Irak in het verleden zowel Iran als Koeweit heeft aangevallen. Met name de invasie in Koeweit laat heel duidelijk zien dat Saddam het niet bij wensen laat, maar dat hij tot daden overgaat, zodra hij de kans daartoe krijgt.
Zijn aanwezigheid en regime blijft daarom een gevraar voor het Midden-Oosten. We hebben het hier over regio, die ook zonder Saddam Hoessein al genoeg mondiale conflictsstof herbergt. Denk maar aan geloofsconflicten en twisten over olie. Overigens zien ook de andere landen in de regio wel in dat ze beter van Saddam af kunnen zijn. Is het immers niet opvallend dat er met uitzondering van trouwe bondgenoot Syrië, in geen enkel Arabisch land, ondanks de haat tegen de Verenigde Staten, massale demonstraties zijn geweest tegen Amerikaans optreden in Irak?

De Verenigde Naties hebben na Golfoorlog een resolutie aangenomen. Daarin staat letterlijk dat Irak geen militaire interventies meer zal kennen zolang Irak volledig, zonder voorbehoud en zonder vertraging meewerken aan wapeninspecties. Nu, twaalf jaar en vele VN-resoluties over Irak later, kunnen we zonder meer constateren dat Irak zijn verplichtingen richting de VN geschonden heeft. Dit rechtvaardigt militair optreden.
Maar dit brengt me bij de volgende kwestie: de rol van de internationale instelllingen als de VN, de NAVO en de EU.

Duidelijk is immers dat de wereldgemeenschap de conclusie dat gewapend optreden tegen Irak nodig is, niet wil trekken. Dat geldt niet alleen voor Rusland, maar met name ook voor Frankrijk en Duitsland. Deze laatste twee landen zijn de leiders van een verzet tegen gewapend ingrijpen in Irak. Er zijn een aantal redenen voor dit verzet. Sommige landen hebben oliebelangen in Irak en vrezen dat na de val van het regime hun belangen in rook opgaan. Verder vreest men voor de relatie met de Arabische wereld en ook speelt een niet te onderschatten anti-Amerikanisme een grote rol. Electorale overwegingen lopen gelijk op met dit anti-Amerikanisme.

Hoe reëel sommige belangen ook kunnen zijn, deze landen gaan ondertussen wel voorbij aan de dreiging die van dit regime op de lange termijn uitgaat, zowel intern in Irak als voor de regio en de wereld. Met name Frankrijk en Duitsland handelen daarbij onverantwoord. In het verleden hebben deze landen vele wapenleveranties aan Irak gedaan. Zij weten als nauwelijks een ander land hoe Bagdad in elkaar steekt en wat de voorraden van het Iraakse bewind omvat. Toch kiezen ze liever voor een anti-Amerikaanse positie.
De internationale organisaties raken verlamd onder dit politieke geweld. Het meest duidelijk geldt dit voor de VN en de NAVO, maar het gaat net zo goed op voor de Europese Unie.

Voor wat de VN betreft, lijkt mij helder dat de volkenrechtelijke legitimatie voor een aanval op Irak al aanwezig is. De basis daarvoor is gelegd in Veiligheidsraadresolutie 687 van 1991. Dit was de resolutie die ik net noemde. Deze beloofde Irak vrijwaring van internationale interventie zolang dat land volledig meewerkte aan de wapeninspecties. De vele latere resoluties, waarvan de laatste resolutie 1441 in november unaniem werd aangenomen, bevestigen de legitimiteit van optreden tegen schending.

Het is wel zorgelijk is dat de verhoudingen binnen de VN zo zwart-wit zijn komen te liggen. Dit is met name kwalijk omdat er vele vragen zijn over het Irak ná een gewapend optreden, Irak post-Saddam. De Amerikaanse regering is al jaren bezig om de Iraakse oppositie in ballingschap te stimuleren tot eenheid, maar tot op heden heeft dat niet voldoende resultaat.
Ondertussen zal het land wel geregeerd moeten worden, en het zal niet best zijn als na Saddam een periode van instabiliteit, onveiligheid en uiteindelijk een nieuwe dictatuur heerst.
De Verenigde Staten dragen een grote verantwoordelijkheid in het voorkomen van die situatie. Maar niet zij kunnen dat niet alleen. Het Midden-Oosten zou er vandaag heel anders uitzien als met name Frankrijk en Engeland zich in het verleden niet met dat werelddeel hadden bemoeid. Op grond van die geschiedenis, maar ook op grond van humanitaire redenen hebben de Europese landen daarom mede de plicht om te voorkomen dat Irak na Saddam een puinhoop blijft.
Van enig besef van die plicht blijkt bij Frankrijk en Duitsland tot op heden niets. Uit tactische redenen kiezen zij ervoor om zich niet met dat onderwerp bezig te houden. In het Europees Parlement heb ik de Raad van de Europese Unie al diverse malen vragen gesteld over de contacten met de Iraakse oppositie of een plan voor Irak na Saddam. Tot op heden heb ik geen enkel antwoord gekregen. Daarmee ontlopen deze landen hun verantwoordelijkheid, laten ze de Iraakse bevolking in de steek.

Ik ben daarmee langzamerhand ook bij de Europese Unie beland. Duidelijk is dat wij altijd terecht hebben gezegd dat van een Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid niets terecht kan komen, zolang de cruciale wil daartoe ontbreekt. Dat blijkt deze dagen niet voor de eerste keer. Frankrijk mag dan wel klagen over de steun van de nieuwe lidstaten aan Amerika, zelf zijn de Fransen begonnen met het passeren van de EU. Door een bilateraaltje met Duitsland dachten deze twee landen hun wil aan de rest op te kunnen leggen. Maar gelukkig blijkt dat Europa zó niet in elkaar steekt.
Maar ook wat de EU betreft, is het betreurenswaardig dat de EU zich niet richt op een post-Saddam scenario. Juist als de EU die verantwoording op zich zou nemen, zou ze invloed uit kunnen oefenen. De EU zou haar contacten ten goede van de Iraakse bevolking aan kunnen wenden, en kunnen pleiten tegen gevaarlijke ideeën als Turks ingrijpen in Noord-Irak. Maar tot op heden – niets van dit alles.

De Nederlandse regering zou dit punt in de EU in kunnen brengen. In plaats van een onrealistisch streven naar Europese eenheid, zou de regering dan een constructieve bijdrage aan het debat leveren.

Bas Belder

« Terug

Nieuwsarchief > 2003

december

november

oktober

september

augustus

juli

juni

mei

april

maart

februari

januari