Europees erfgoed

donderdag 08 januari 2004 17:35

De vraag naar Europa’s erfgoed is een vraag naar de waarden die ten grondslag liggen aan Europa. De Europese Unie pretendeert een waardengemeenschap te zijn. Wat verstaat zij daar echter precies onder?

Dit is de complete tekst van het referaat dat Belder heeft uitgesproken.
__________________________________________________________________________

EUROPA’S ERFGOED IN STAATKUNDIG GEREFORMEERD PERSPECTIEF

De vraag naar Europa’s erfgoed is een vraag naar de waarden die ten grondslag liggen aan Europa. De Europese Unie pretendeert een waardengemeenschap te zijn. Wat verstaat zij daar echter precies onder? De centrale vraag daarbij luidt welke geestelijke grondslagen, alsmede de daaruit voortvloeiende waarden en normen, identiteitsbepalend en richtinggevend zijn voor de Europese Unie en haar lidstaten.

Het is hierbij van belang te weten wat precies onder waarden wordt verstaan. Waarden kunnen worden opgevat als beginselen èn als idealen. Als beginselen zijn het grondnormen die richtinggevend zijn voor politiek en beleid. Opgevat als idealen zijn waarden vooral bezielende doelstellingen, die het nastreven waard zijn in persoonlijk of gemeenschappelijk verband.

In dit betoog zullen allereerst de bronnen van de Europese waarden besproken worden. In de tweede plaats zal stilgestaan worden bij de mate waarin deze waarden Europa beïnvloed hebben. Als derde punt zal de plaats van waarden in de verschillende verdragen besproken worden, waarna wordt afgesloten met een beschouwing van de huidige discussie over de verwijzing naar de joods-christelijke wortels van Europa in de tekst van een Europese Grondwet.

De discussie die op dit moment in Europa speelt, is de vraag welke waarden een plaats krijgen in de Europese Grondwet. Deze discussie spitst zich toe op de vraag of in de preambule van deze grondwet een verwijzing moet komen naar de joods-christelijke wortels van Europa. Naast het feit dat het van wezenlijk belang is te verwijzen naar joods-christelijke waarden, is deze verwijzing evenzeer van belang omdat Europa selctief naar haar erfgoed verwijst. Waarden die ten grondslag liggen aan de Griekse filosofie, de Verlichting en de Franse Revolutie worden expliciet genoemd, terwijl het erfgoed van de Reformatie verzwegen en miskend wordt. Hierop zal in het verloop van dit betoog dieper worden ingegaan.

De vraag naar de belangrijkste bronnen van Europese waarden is niet eenvoudig te beantwoorden. Het is dan ook verhelderend deze bronnen in een drietal geografische plaatsen te duiden, namelijk Jeruzalem, Athene en Rome. Vanuit deze drie plaatsen zijn de in de oudheid aanwezige Germaanse, Slavische en Keltische culturen en tradities zozeer verdrongen dat daar nog slechts resten van overgebleven zijn.

Jeruzalem staat in dit verband voor de joods-christelijke religie, gebaseerd op het Oude en het Nieuwe Testament. Zij vormt zonder twijfel de belangrijkste bron van Europese beschaving. Heel het denken over de verhouding van kerk en staat gaat mede terug op de rol van koningen, priesters en profeten in het Oude Testament. Het principiële punt dat de koning niet boven de wet staat en het onderscheid tussen politieke en geestelijke ambten vloeien voort uit de Bijbel.

Andere belangrijke noties die voortkomen uit de joods-christelijke religie zijn de uniciteit van elk menselijk persoon en de gelijkwaardigheid van alle mensen voor God. Elk mens is in zijn doen en laten verantwoording schuldig aan zijn Schepper. Nog een elementaire gedachte is de bescherming van zwakkeren in de samenleving, die reeds in het Oude Testament tot uitdrukking komt in de wetgeving ten aanzien van weduwen, wezen en vreemdelingen.

Athene is vooral bepalend geweest door de Griekse filosofen van de Stoa, Plato, Aristoteles en Socrates met hun abstracte denken en hun ideëen over de staat. In politiek opzicht heeft Athene het Europese denken diepgaand beïnvloed. Aristoteles is de eerste geweest die een theorie heeft uitgewerkt, waarin een prille vorm van democratie een centrale plaats inneemt.

Niet alleen op politiek terrein heeft Athene invloed gehad op Europa, maar ook op het gebied van de wetenschap. In de antieke oudheid was het bedrijven van wetenschap vooral een zaak van priesters. In Hellas begonnen gewone burgers met het beoefenen ervan en werd het denken losgemaakt uit zijn religieuze context. Vooral het logisch denken van Aristoteles heeft via Thomas van Aquino een sterke doorwerking gehad in het christelijk theologisch denken.

Rome heeft Europa vooral in politiek en organisatorisch opzicht beïnvloed. Hierbij kan gedacht worden aan de organisatie van het Romeinse rijk en het Romeinse rechtssysteem. Het wegennet en de bouw van kerken, viaducten en aquaducten is van grote betekenis geweest voor Europa. Het Romeinse rechtssysteem heeft Europa diepgaand en structureel gestempeld. Belangrijke aspecten uit dit systeem zijn de reductie of uitbanning van willekeur uit het recht en het gegeven dat ook de machthebber zelf onderworpen is aan het recht.

In het middeleeuwse Europa consolideert het christendom zich in twee delen. Na het schisma van 1054 valt de kerk in Europa uiteen in het Griekse of orthodoxe christendom in het oostelijk en het Latijns of katholieke christendom in het westelijk deel van het vroegere Romeinse rijk.

In tegenstelling tot het orthodoxe christendom in het Oosten ontwikkelt zich binnen het katholieke christendom een lange traditie van scheiding van politieke en religieuze macht. De keizer en de paus hebben weliswaar voortdurend getwist over de vraag of wereldlijke macht boven- dan wel ondergeschikt is aan geestelijke macht, maar deze strijd is in de veertiende eeuw beslecht in het voordeel van de wereldlijke machthebbers.

Gedurende de periode van de Middeleeuwen heeft het kloosterwezen culturele schatten en waarden behouden en doorgegeven aan volgende generaties. Gaandeweg kreeg Europa hierdoor een eigen cultureel gezicht, waarbij een aantal kenmerkende waarden doorwerkt tot op de dag van vandaag.

Een belangrijk punt binnen deze doorgegeven waarden is het aspect van de trouw. Hierbij moet, naast het leenstelsel, vooral gedacht worden aan onderlinge trouw in de gemeenschappen van familie, dorp, stad en volk. Het geheel van sociale rechten en plichten betekende voor de middeleeuwer veiligheid en bescherming.

In de periode van de Middeleeuwen ontstaat eveneens de waardering voor de menselijke arbeid. Denk aan het gildensysteem met zijn christelijke waarden. Van belang is eveneens de opkomst van de logische, wetenschappelijke methode, die gaandeweg haar uitwerking vindt in de scholastiek. Al deze aspecten geven aan dat het christendom en de christelijke waarden met grote zorgvuldigheid zijn bewaard en doorgegeven.

Het einde van de Middeleeeuwen wordt ingeluid door diverse ontdekkingen en uitvindingen. Hierbij kan gedacht worden aan de uitvinding van de boekdrukkunst en de ontdekking van Amerika. Deze ontwikkelingen hebben een grote invloed op de middeleeuwse samenleving, die gekenmerkt wordt door gebondenheid aan de katholieke kerk en gerichtheid op het hiernamaals.

De Renaissance en de Reformatie maken een einde aan de door de Rooms-Katholieke kerk geponeerde tegenstelling tussen natuur en genade. De aarde en de natuur zijn in zichzelf niet zondig en onrein en mogen met vrijmoedigheid bewerkt en onderzocht worden. Naast deze visie op de aarde staan beide stromingen het onderzoek van historische bronnen voor, waarbij vooral veel aandacht is voor de klassieken.

De Renaissance gaat echter een stap verder dan de Reformatie. De Reformatie handhaaft de grondstelling dat de mens persoonlijke gehoorzaamheid aan God verschuldigd is, terwijl de Renaissance deze notie uit het oog verloor. De Renaissance, en in het verlengde hiervan het humanisme, ziet de mens als een autonoom wezen. Voor het bewerken van zijn levensgeluk is deze autonome mens niet langer afhankelijk van de kerk, maar neemt het heft in eigen hand. Deze autonomie gaat zelfs zo ver dat de mens zich voor het realiseren van zijn levensgeluk onafhankelijk weet van God.

De Reformatie tracht het evenwicht te bewaren. Zij verwerpt enerzijds het aanmatigende karakter van de Rooms-Katholieke kerk, alsof de kerk de bemiddelende instantie tussen God en mens zou zijn, terwijl zij anderzijds de nadruk blijft leggen op het heilzame karakter van de Wet van God voor het individuele en maatschappelijke leven.

Ook in politiek opzicht is de Reformatie van groot belang geweest. Calvijn heeft de kernbegrippen van de Reformatie verder uitgewerkt voor samenleving en politiek. De politieke opvatting van de Reformatie is dat de overheid zelf dienares van God is en de samenleving dient te regeren volgens Bijbelse normen.

Een volgend breukvlak in de Europese politieke en sociale geschiedenis wordt gevormd door de Verlichting en de Franse revolutie aan het einde van de achttiende eeuw. De filosofen uit deze periode constateren dat zich sinds de zestiende eeuw een enorme vooruitgang op het gebied van wetenschap en techniek heeft voorgedaan. De oorzaak van deze vooruitgang zien zij in de menselijke rede. Het adagium van de Verlichting is dan ook een optimistisch vooruitgangsgeloof. De filosofen van de Verlichting gaan echter voorbij aan het feit dat het menselijk verstand nooit aangemerkt kan worden als een betrouwbaar kompas.

Een ander belangrijk kenmerk van de Verlichting is haar onverholen afkeer van en verzet tegen het christelijk geloof. Het christendom zou in de ogen van de Verlichtingsfilosofen een belemmering vormen om onvoorwaardelijk op de menselijke rede te vertrouwen. De Bijbelse grondtoon van de geneigdheid van de mens tot alle kwaad is een steen des aanstoots. Ook het kruis van Christus, dat nodig is vanwege de schuld van de mensheid, is een bron van ergernis.

De consequenties van het Verlichtingsdenken voor de Europese waarden zijn enorm. Ontwikkeling op het gebied van welvaart, wetenschap en techniek is de weg naar een betere toekomst voor de mensheid. Redelijkheid of rationaliteit is de hoofdnorm op alle terreinen van het leven. Ook het recht moet aan deze norm voldoen. Zo wordt het Goddelijk recht vervangen door de menselijke zelfbeschikking als bron van recht. In het verlengde hiervan ligt de opkomst van de volkssoevereiniteit. De grondlegger van de volkssoevereiniteit, Rousseau, legt de norm voor goed en kwaad bij het volk. Het volk bepaalt zelf wat gerechtigheid is.

Met de Franse Revolutie wordt ook de strikte scheiding van kerk en staat doorgevoerd, die uitmondt in de hedendaagse wens van scheiding van godsdienst en politiek. In deze periode zijn ook de bekende woorden van de Franse Revolutie, vrijheid en gelijkheid, geradicaliseerd. Deze begrippen kregen hun uitwerking in steeds uitgebreider catalogi van individuele rechten.

In de twintigste eeuw blijven het Verlichtingsdenken en het vooruitgangsgeloof dominant. De twee wereldoorlogen hadden als resultaat dat het optimistische mensbeeld van de Verlichting ongebroken bleef. In Europa vindt in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw een verbreding en verdieping plaats van de geestelijke omslag van de Verlichting en de Franse Revolutie. Zelfbeschikking, radicale individuele vrijheid en absolute gelijkheid vormen de leuzen onder brede lagen van de bevolking en politiek.

In het politieke leven van West-Europa, en in het verlengde hiervan de Europese Unie wordt het begrippenapparaat van Verlichting en Franse Revolutie vertaald en uitgewerkt in verdragen, constituties en wetgeving. Dat opent de weg naar wettelijke legitimering van abortus, euthanasie en samenlevingsvormen buiten het monogame huwelijk. Het gevolg is een brede kloof tussen de humaniteit van de Bijbel en de Reformatie enerzijds en de humaniteit van de Verlichting en het moderne denken anderzijds. Dit alles betekent een breuk met een eeuwenlange christelijke traditie.

Een andere ontwikkeling in het Europa van na de Tweede Wereldoorlog is het feit dat de EU zich transformeert van een Unie van economische samenwerking naar een politieke waardengemeenschap. In de teksten van de opeenvolgende Europese Verdragen is deze ontwikkeling te traceren, omdat zij steeds uitdrukkelijker ingaan op de grondslagen van de EU.

In aanvang was de Unie een internationale organisatie, die zich primair richtte op economische samenwerking in Europa. Uit het Verdrag van Rome van 1957 is af te leiden dat de Unie streeft naar een zo hecht mogelijk economische samenwerking. Materiële belangen stonden in dit Verdrag voorop.

Ook in de Europese Akte van 1985 is nog steeds dezelfde gerichtheid op de economie waarneembaar. De Akte probeert de haperende economische integratie vlot te trekken, maar besteedt daarnaast aandacht aan normatieve elementen. Zo verwijst de Akte naar de grondrechten in de nationale constituties van de lidstaten en het Europees Verdrag voor de Rechten van de mens. De aanvankelijke concentratie op economische samenwerking is aangevuld met een reeks politieke doelstellingen.

Tijdens de Top van Kopenhagen van 1993, waar de criteria voor uitbreiding van de EU zijn vastgesteld, krijgen deze politieke doelstellingen een prominente plaats. Uit het eerste criterium blijkt voor welke waarden Europa wil staan, namelijk voor democratie, de rechtsstaat, handhaving van mensenrechten en bescherming van minderheden. Dit beeld bevestigt de ontwikkeling in de richting van een politieke Unie met eigen politieke beginselen en idealen.

In de loop van de jaren negentig blijkt dat deze politieke beginselen en idealen steeds concreter en uitgebreider ingevuld worden. Dit mondt uit in het Europees Handvest van de grondrechten van de EU. Dit Handvest, dat in 2000 in Nice werd gepresenteerd, is het resultaat van een jarenlang spreken over een Europese waardengemeenschap met een eigen Europese grondwet. De EU geeft met dit Handvest aan te beschikken over een document waarin reeds bestaande en erkende grondrechten zijn geformuleerd.

De introductie van het Handvest van grondrechten heeft ertoe geleid dat op de Europese Top van Laken van december 2001 een Conventie in het leven is geroepen. Haar opdracht was de wenselijkheid van een Europese grondwet te bezien. Het meest saillante van de Verklaring van Laken is dat de EU voor het eerst expliciet de Franse Revolutie tot Europa’s erfgoed verklaart.

Het humanisme, de Verlichting en het liberale denken van de laatste twee eeuwen hebben een grote invloed op het tegenwoordige Europa gehad. Diverse waarden die geheel of gedeeltelijk een christelijke oorsprong hebben, zijn in de loop van de tijd van een seculiere invulling voorzien. De neerslag hiervan is te zien in de politieke teksten van Europa.

Dit laat zich het best illustreren aan de hand van enkele voorbeelden. Gerechtigheid is bijvoorbeeld een zeer belangrijke, op de Bijbel gefundeerde, waarde. God is de Bron van alle recht. De Tien Geboden zijn universele richtlijnen voor individu en samenleving. Het humanisme en de Verlichting geven het begrip gerechtigheid een geheel andere duiding. De door het volk vastgestelde wet is bron van recht en richtlijn voor het individuele en publieke domein.

Dit fenomeen doet zich ook voor bij de begrippen vrijheid en gelijkheid. Vanuit bijbels perspectief leeft niemand voor zichzelf. De mens is afhankelijk van God en dienstbaar aan de naaste. Vanuit humanistisch perspectief wordt vrijheid bovenal gezien als individuele vrijheid. De mens is autonoom ten opzichte van God en medemens. De christelijke waarde van de gelijkheid staat ook op gespannen voet met de betekenis die de Franse Revolutie aan dit begrip heeft gegeven. De christelijke waarde beschouwt alle mensen als gelijkwaardig. Hierbij wordt echter niet uit het oog verloren dat ieder mens zijn specifieke roeping en gaven bezit. Het begrip gelijkheid is door de Franse Revolutie geradicaliseerd. Het ziet op een absoluut gelijkheidsdenken, waarbij aan verschillen geen consequenties verbonden mogen worden.

Ook het begrip democratie heeft de laatste twee euwen een transformatieproces doorgemaakt. In Bijbels licht erkennen volk en overheid Gods soevereiniteit over alles. De overheid is Gods dienares en is er ten dienste van haar burgers. Dit is een principieel andere typering dan een overheid die uitgaat van volkssoevereiniteit en de mens in het beleid centraal stelt.

De ontwikkeling van de invulling van waarden is van groot belang voor Europa. Waarden die van oorsprong voluit christelijk zijn, worden vervormd door het moderne denken. God wordt niet genoemd als Schepper van de mens en Bron van het recht. Dit vloeit voort uit het “geen God, geen meester”, de ideologische kern van de Franse Revolutie. In plaats van God wordt de autonome mens op de troon gezet, die zelf de norm van goed en kwaad bepaalt.

Het is dan ook van het grootste belang dat de Europese Unie op een zorgvuldige wijze verwijst naar de bronnen die ten grondslag liggen aan de waarden in Europa. De Europese Unie heeft namelijk een ontwikkeling doorgemaakt, waarbij het accent steeds meer op het terrein van politieke beginselen en ideologieën is gaan liggen. De bron waaruit geput wordt, zegt namelijk alles over de concrete invulling van die betreffende waarde. De voorbeelden van gerechtigheid, vrijheid, gelijkheid en democratie hebben dat duidelijk aangetoond. Het is in dit verband tekenend dat het Verdrag van Laken slechts gewag maakt van het humanisme en de Franse Revolutie.

De Reformatie wordt in de tekst van Laken niet genoemd. Dit is een miskenning van de grote invloed die de Reformatie op kerkelijk, sociaal en politiek gebied heeft uitgeoefend en dat tot onze vreugde nog steeds doet. Het geeft ook aan welke invulling de EU wil geven aan de waarden die zij formuleert. De SGP is hierbij van mening dat de EU zich op grondslagen fundeert die historisch en geestelijk gezien eenzijdig en ondeugdelijk zijn.

De Europese Unie zal vanaf 1 mei 2004 bestaan uit 25 lidstaten. Met de uitbreiding van de EU wordt niet alleen een kunstmatige politieke tweedeling van Europa tenietgedaan, maar ook samengebracht wat in godsdienstig en cultureel opzicht voor de Tweede Wereldoorlog bijeen hoorde.

De joods-christelijke geschiedenis van Europa is een essentieel onderdeel van de gezamenlijke identiteit van de lidstaten. De Europese Unie als geheel heeft in zichzelf niet zozeer een eigen identiteit. De vraag naar de identiteit van de EU kan dan ook niet los worden gezien van de identiteit van de gezamenlijke lidstaten. Zij hebben ieder een eigen geschiedenis, een eigen cultuur en een eigen identiteit. Ondanks alle verscheidenheid in Europa is er één factor die alle huidige en toekomstige lidstaten van de Unie gemeenschappelijk hebben, namelijk de joods-christelijke waarden, die eeuwenlang een grote invloed hebben uitgeoefend in al deze landen en dat tot op de dag van vandaag doen.

Estland en Letland vormen historisch gezien een onderdeel van een luthers noordelijk Europa, waar de Duitse en Scandinavische invloed sterk was. Litouwen is overwegend rooms-katholiek, onder invloed van het streng katholieke Polen. Tsjechië, Slowakije, Hongarije en Slovenië zijn gestempeld door de Oostenrijkse monarchie van de Habsburgers. Zij zijn overwegend rooms-katholiek, hoewel de Reformatie in delen van Slowakije en vooral in Hongarije diepe sporen heeft getrokken.

Toch zijn er velen die bezwaar hebben geuit tegen opneming van een verwijzing naar de joods-christelijke wortels van Europa in de concepttekst voor een Europese grondwet. Frankrijk heeft zich opgeworpen als de grootste tegenstander onder de huidige lidstaten. De Franse grondwet heeft een seculier karakter. Parijs beoogt een Europese grondwet op exact dezelfde leest.

Een ander probleem is het bezwaar dat Turkije maakt tegen een verwijzing naar de joods-christelijke geschiedenis van Europa. De Turkse autoriteiten hebben aangegeven dat Europa een waardengemeenschap moet zijn, die openstaat voor meerdere religies. Een expliciete verwijzing naar de joods-christelijke geschiedenis van Europa is voor hen onacceptabel. Verschillende Europese leiders zijn dan ook terughoudend in het opnemen van zo’n verwijzing uit angst de Turkse regering voor het hoofd te stoten.

Daarnaast zijn er mensen die vanuit principieel oogpunt tegen de opneming van een verwijzing naar de joods-christelijke grondslagen van Europa zijn. Zij betogen dat opneming getuigt van het niet respecteren van andersdenkenden. Europarlementariër Max van den Berg verwoordde het als volgt: Het verwijzen naar één of twee religies in de Grondwet brengt een democratischer, efficiënter en transparanter Europa, de doelstelling van de Europese Conventie, geen stap dichterbij. Sterker nog, daarmee sluit je onherroepelijk een groot aantal mensen in Europa buiten. Arrogant, want fundamentele waarden zijn er in principe voor alle Europese burgers. En nog belangrijker: waar is het principe van scheiding van kerk en staat, de basis van de moderne democratie, gebleven? Even verder in het artikel vervolgt hij zijn betoog als volgt: Vrijheid en pluriformiteit dreigen hier ingeruild te worden voor het eigen ethisch gelijk, opgelegd aan andere bevolkingsgroepen of andere landen. Ik wil in geen geval een Europese Grondwet die de Nederlandse burgers inperkt of regels oplegt die geen meerwaarde of noodzaak hebben in het Europees domein. Hij besluit zijn betoog met de volgende zinnen: Ieder individu in Europa heeft het recht op zijn eigen waarden en beginselen. God staat boven de wet. Een Europese Grondwet mag God niet verlagen tot de wet en daarmee de scheiding tussen kerk en staat aantasten. (Trouw, 11-10-2003)

Waarom dan toch een verwijzing naar de joods-christelijke geschiedenis van Europa? In de eerste plaats biedt het een referentiekader, waarbij de bronnen die ten grondslag liggen aan de waarden, worden erkend. De waarden waar Europa voor moet staan, worden zodoende vanuit de juiste invalshoek belicht. Een humanistische visie op democratie is bijvoorbeeld van principieel ander gehalte dat de bijbelse visie op de overheid.

In de tweede plaats biedt de joods-christelijke geschiedenis van Europa de mogelijkheid te spreken over een gedeeld erfgoed. Zij vormt zodoende de factor die alle huidige en toekomstige lidstaten van de Unie gemeenschappelijk hebben. Het ontbreken van een verwijzing naar de joods-christelijke geschiedenis is dan ook een miskenning van de geschiedenis van Europa en geeft aan dat Europa losraakt van zijn oorspronkelijke wortels.

In de derde plaats is het niet terecht om onder het verwijt van aantasting van het principe van scheiding van kerk en staat een verwijzing te weren. De scheiding van kerk en staat mag nooit gebruikt worden om geloof en politiek te scheiden. Hoe zou het geloof in de levende God naar de privé-sfeer verdrongen worden, terwijl de anti-religie van het socialisme en liberalisme in het publieke domein ruim baan krijgen.

Uiteindelijk is het niet voldoende dat christelijke uitgangspunten inspiratiebron zijn voor de politiek. Nodig is dat de EU haar universele grondslag vindt in de Tien Geboden en dat deze een plaats krijgen in de Europese verdragen. Een verwijzing naar de joods-christelijke geschiedenis van Europa is echter een eerste stap op de weg naar het behoud, de revitalisatie en de overdracht van elementair Europees erfgoed.

Bas Belder

« Terug

Reacties op 'Europees erfgoed'

Geen berichten gevonden

Log in om te kunnen reageren op nieuwsberichten.

Nieuwsarchief > 2004

december

november

oktober

september

augustus

juli

juni

mei

april

maart

februari

januari