Bijdrage debat Onregelmatigheden hoger onderwijs

woensdag 19 maart 2003 14:09

De heer Slob (ChristenUnie): Mevrouw de voorzitter. Samen met collega Van der Vlies heb ik de hele dag in deze zaal al gedebatteerd over het rapport van de enquêtecommissie Bouwnijverheid en ik stel vast dat dit debat over de bekostiging van het hoger onderwijs daar om meerdere redenen naadloos op aansluit.
Het is niet de eerste keer dat wij met elkaar over dit onderwerp spreken. Precies een jaar geleden – ik denk dat het op de dag af een jaar geleden is – spraken wij ook met elkaar over wat wij meestal maar de hbo-fraude noemen. Mijn fractie vindt het uitermate triest te moeten constateren dat, hoewel alle partijen toen al pleitten voor een snelle en grondige afhandeling van deze kwestie, wij nog steeds met de zaak in onze maag zitten, want zo voelt het wel. In dat licht betreur ik het ook om, na lezing van het zelfreinigend onderzoek, de review van de Rekenkamer en de reactie van de bewindslieden daarop, te moeten constateren dat door onduidelijkheid over de doelstelling van de verschillende onderzoeken de onderste steen nog steeds niet boven is. Als wij dan lezen over het waarom daarvan, lijkt het erop alsof de staatssecretaris en de Rekenkamer met de beschuldigende vinger naar elkaar wijzen. Nu, dat is een wat vruchteloos gebaar achteraf. Laten wij vaststellen dat al een jaar geleden de Kamer heeft gevraagd om inzicht in de aard en omvang van de onregelmatigheden en dat de Kamer door een misschien te nauwe taakopvatting van de verantwoordelijken dat inzicht nog steeds niet heeft gekregen. Daarom is dit debat belangrijk, in die zin dat wij a. met elkaar zodanige afspraken maken dat wij hierin alsnog inzicht krijgen en b. voor de toekomst werkbare maatregelen afspreken om verdere onregelmatigheden te voorkomen en deze eventueel ook snel te kunnen opsporen.

De heer Slob (ChristenUnie): Mevrouw de voorzitter. Samen met collega Van der Vlies heb ik de hele dag in deze zaal al gedebatteerd over het rapport van de enquêtecommissie Bouwnijverheid en ik stel vast dat dit debat over de bekostiging van het hoger onderwijs daar om meerdere redenen naadloos op aansluit.
Het is niet de eerste keer dat wij met elkaar over dit onderwerp spreken. Precies een jaar geleden – ik denk dat het op de dag af een jaar geleden is – spraken wij ook met elkaar over wat wij meestal maar de hbo-fraude noemen. Mijn fractie vindt het uitermate triest te moeten constateren dat, hoewel alle partijen toen al pleitten voor een snelle en grondige afhandeling van deze kwestie, wij nog steeds met de zaak in onze maag zitten, want zo voelt het wel. In dat licht betreur ik het ook om, na lezing van het zelfreinigend onderzoek, de review van de Rekenkamer en de reactie van de bewindslieden daarop, te moeten constateren dat door onduidelijkheid over de doelstelling van de verschillende onderzoeken de onderste steen nog steeds niet boven is. Als wij dan lezen over het waarom daarvan, lijkt het erop alsof de staatssecretaris en de Rekenkamer met de beschuldigende vinger naar elkaar wijzen. Nu, dat is een wat vruchteloos gebaar achteraf. Laten wij vaststellen dat al een jaar geleden de Kamer heeft gevraagd om inzicht in de aard en omvang van de onregelmatigheden en dat de Kamer door een misschien te nauwe taakopvatting van de verantwoordelijken dat inzicht nog steeds niet heeft gekregen. Daarom is dit debat belangrijk, in die zin dat wij a. met elkaar zodanige afspraken maken dat wij hierin alsnog inzicht krijgen en b. voor de toekomst werkbare maatregelen afspreken om verdere onregelmatigheden te voorkomen en deze eventueel ook snel te kunnen opsporen.

Van verschillende kanten wordt gepleit voor een snelle opheldering en afronding door het laten uitvoeren van een onafhankelijk vervolgonderzoek. Daar is ook al heel wat over gezegd. Ik begrijp dat pleidooi. Alles heeft al lang genoeg geduurd. We moeten in het belang van het onderwijs een keer een punt zetten. Nu wordt met name het hoger onderwijs al veel te lang in een soort wurggreep gehouden die op termijn verstikkend werkt. Zoiets moeten wij niet langer laten duren dan noodzakelijk is. Dan komt de vraag op hoe wij het vervolgonderzoek gaan inrichten. De heren Tichelaar en Vendrik en mevrouw Van der Laan pleiten voor een parlementair onderzoek. Dat pleidooi heeft zeker onze sympathie.

Hierover hebben wij vorig jaar al gesproken. Toch schrik ik van de tijdsconsequenties die hieraan verbonden zijn. Die zijn echt omvangrijk. Denk maar aan hetgeen hiervoor allemaal in gang moet worden gezet. Zo’n onderzoek zal vele, vele maanden duren. Wij schrikken hiervoor ook terug omdat wij, zoals ik al zei, vinden dat zo snel mogelijk een punt moet worden gezet. De vraag is voorts of een vervolgonderzoek inderdaad een parlementair onderzoek moet zijn. Is het niet mogelijk met het onafhankelijke onderzoek, waarvoor ook de staatssecretaris pleit, te doen wat wij al zo lang willen: alles ter tafel brengen? Misschien zal zo’n onderzoek beperkter zijn dan een parlementair onderzoek, maar wel een onderzoek waarmee die gegevens ter tafel komen die nodig zijn voor de beantwoording van een aantal urgente vragen, vragen waarop wij eigenlijk al antwoorden hadden willen hebben.

De heer Tichelaar (PvdA): Bij interruptie in mijn betoog zei u zojuist erg te hechten aan onafhankelijkheid. U wilde garanties voor die onafhankelijkheid door het parlement een rol te geven bij het onderzoek dat onder de vlag van de bewindslieden zou worden uitgevoerd. U wilde als het ware de rol van het parlement versterken en het de mogelijkheid geven om invloed uit te oefenen. Zojuist heeft u kunnen horen dat het versterken van de rol van het parlement eigenlijk betekent dat wij wel mee mogen praten, maar dat de verantwoordelijkheid bij de bewindslieden ligt. Dat bleek helder uit de gedachtewisseling tussen de heer Van der Vlies en mevrouw Joldersma. Bent u nog steeds van mening dat de rol van de Kamer die daaruit bleek de juiste is om invloed uit te oefenen op het onderzoek onder de verantwoordelijkheid van de bewindslieden? Of bent u daar na die gedachtewisseling toch anders over gaan denken?

De heer Slob (ChristenUnie): Voor mij is van belang dat de Kamer maximaal greep moet hebben op de uitvoering van dat onafhankelijke onderzoek. Ik heb goed gelezen welke aanzetten de staatssecretaris daarvoor heeft gegeven. De onafhankelijke commissie zou van het ministerie van OCW een opdracht krijgen en in alle onafhankelijkheid haar werk kunnen doen. Op een bepaald moment zal die commissie moeten rapporteren. Naar mijn mening kan die commissie vrij snel aan het werk gaan en duidelijkheid bieden over een aantal zaken.

De betrokkenheid van het parlement zal volgens mij vooral gestalte moeten krijgen bij de opdracht aan de commissie. Op die opdracht zullen wij maximaal invloed uitoefenen. Ook over de samenstelling van de commissie zou de Kamer kunnen spreken. De opdracht aan de commissie zou evenwel de garantie moeten bieden dat datgene ter tafel wordt gebracht wat wij gemist hebben bij het zelfreinigend onderzoek. Op dat onderzoek hebben wij veel te weinig zicht en greep gehad. De commissie zou dus op de aangegeven manier en in samenspraak met de bewindslieden aan de slag kunnen gaan. Er zou dan een soort agreement tussen de Kamer en de regering zijn ten aanzien van de wijze waarop zo’n onafhankelijke commissie aan de slag moet. Als wij zoiets snel kunnen realiseren, zou ik dat pure winst vinden. Als wij dit echter niet kunnen bewerkstelligen, is mijn tweede optie de instelling van een parlementaire commissie. Ik meen evenwel dat er mogelijkheden zijn om op de manier die ik eerst aangaf, te werk te gaan.

De heer Tichelaar (PvdA): Stel dat bij de uitvoering van het onderzoek onder de vlag van de bewindslieden een conflict ontstaat. Wat is dan de rol van de Kamer? Doordat je je deelgenoot hebt gemaakt van het onderzoek, verlies je je onafhankelijkheid. De Kamer is dan als het ware uitgesproken. Daarover ging ook de discussie met de heer Vendrik.

De heer Slob (ChristenUnie): Nee, de commissie moet onafhankelijk van anderen haar werk doen, maar wel met de opdracht die naar de mening van de Kamer de goede is. Daarvan moeten wij overtuigd zijn. Het zou mooi zijn als er een agreement tussen Kamer en regering voor de aanpak kwam. Als tussentijds de voortgang van het onderzoek door iets wordt belem-merd, zou ik het plezierig vinden als dat dat ter tafel kwam, zodat wij zicht op de ontwikkelingen hebben. Toen de Rekenkamer met haar bevindingen kwam, merkte ik dat er onduidelijkheid was die al veel eerder had moeten blijken en waarvoor wij gezamenlijk een oplossing hadden moeten realiseren. Dat is nu blijven liggen, wij hebben er helemaal geen zicht op gehad en het heeft voor maanden vertraging gezorgd. Dat moeten wij voorkomen. Natuurlijk moeten wij niet bemiddelen in conflicten; het gaat om tussentijdse rapportages. Als er onduidelijkheden zijn over opdrachten, kunnen wij tussentijds bijsturen. Ook dat zal in overleg moeten gebeuren met de regering, van waaruit de opdracht naar de commissie is gegaan.

De heer Vendrik (GroenLinks): Moet ik uit de woorden van de heer Slob concluderen dat de opdracht die nu in het actieplan is vervat en die aan de commissie zal worden meegegeven niet deugt? Wat zou hij daaraan nog toe of af willen doen?

De heer Slob (ChristenUnie): Ik heb een aantal vragen over die opdracht. Ook de Algemene Rekenkamer heeft een aantal vragen gesteld. Ik ben van mening dat die opdracht zodanig moet worden geformuleerd dat datgene wat wij boven tafel willen hebben aan de orde wordt gesteld en verder wordt onderzocht. Als wij de zekerheid hebben dat die onafhankelijke commissie het nodige vertrouwen kan krijgen, kunnen wij in kortere tijd de gaten in de kennis opvullen. Dat zal veel sneller gebeuren dan wanneer wij het proces opstarten van een parlementaire commissie. Ik heb er wel sympathie voor, maar het zou voor maanden tijdverlies zorgen.

De heer Vendrik (GroenLinks): Wij zijn er allemaal zelf bij als er een parlementair onderzoek wordt gehouden. Als wij ergens de snelheid der dingen in de hand hebben, dan is dat vooral bij een parlementair onderzoek.

De heer Slob (ChristenUnie): Er zijn allerlei verordeningen en regels voor. Er moet een traject worden afgelopen, wat altijd veel tijd kost.

De heer Vendrik (GroenLinks): Ik ben het niet helemaal met u eens, maar laten wij er nu niet over twisten. De bewindslieden willen een onafhankelijke commissie instellen, vooral om het zelfreinigend onderzoek af te maken, terwijl de vraagstelling in dit debat veel breder is. Behoort de vraag naar de cultuur ook tot uw interesse? Het is moeilijk om de drager van de cultuur ook daarnaar een zelfreinigend onderzoek te laten doen. Dat lijkt mij wel heel vreemd. Zou dat niet op zijn minst door het parlement moeten worden gedaan?

De heer Slob (ChristenUnie): Nee, ik gaf net al aan dat je via deze route een aantal gegevens boven tafel haalt die wij nu niet hebben en dat wij er vrij snel een punt achter moeten zetten, want die moeten er gewoon komen. Als je die route kiest, betekent dat een versmalling van de opdracht. Het aspect van de cultuur en dergelijke zal dan toch daaruit moeten worden gehaald. Wij moeten kijken naar het rapport van de Algemene Rekenkamer en naar de witte vlekken die daarin zitten. Ik noem in dit verband de verschillende categorieën waarover nog onduidelijkheid is en de omvang van de eventuele misstappen. Die vragen moeten wij met grote urgentie behandelen. Vervolgens moeten wij er een punt achter zetten en duidelijkheid bieden, met name aan het hoger onderwijs. Dat heeft op dit moment mijn voorkeur. Als de Kamer invloed kan uitoefenen zoals ik heb geprobeerd te verwoorden, kunnen wij tijdwinst boeken en snelheid brengen in de beantwoording van vragen die naar onze mening niet langer onbeantwoord mogen blijven.

Wat het actieplan en de beoordeling daarvan door de Algemene Rekenkamer betreft, verschil ik van mening met mevrouw Van der Laan. Ik vind het juist een steun in de rug om het traject te vervolgen op basis van zo’n actieplan, waarin volgens de Rekenkamer nog een aantal dingen moet worden veranderd. Ik heb een paar korte vragen over het actieplan.

De staatssecretaris geeft aan dat het zelfreinigend onderzoek de basis zal vormen voor verder onderzoek, aangezien met het eerste onderzoek de constructie voor oneigenlijk gebruik van de regelgeving uitputtend zal zijn blootgelegd. Ik vraag mij af hoe je zo’n uitspraak kunt doen, als je tegelijkertijd weet dat er nog sprake is van onvolledige informatievoor-ziening door de hogescholen. Ook de Rekenkamer geeft aan dat niet duidelijk is of er buiten de meldingen in de vragenlijsten misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet- en regelgeving heeft plaatsgevonden. De omvangrijke GOM-categorie (geen oordeel mogelijk) geeft dit risico ook al aan. Deze categorie kan constructies bevatten die nog niet eerder herkend zijn. Het is van belang om dit te constateren, omdat de staatssecretaris aangeeft dat bij het vervolgonderzoek gebruik zal worden gemaakt van de bestaande inventarisatie om gericht na te gaan of bij onderwijsinstellin-gen een of meer van dit soort handelwijzen is toegepast.

Ik kom op de oranje categorie. Ik heb de indruk gekregen dat de staatssecretaris voorstelt om in het vervolgonderzoek deze categorie te laten liggen. Ik hoop dat dat een verkeerde inschatting is. De formuleringen zijn zo cryptisch en onduidelijk, dat het lijkt alsof alleen op de GOM-categorie wordt ingezet. Dat zou ik absoluut verkeerd vinden. Wij vinden dat het meegenomen moet worden. Ook op dit punt moet er duidelijkheid komen.

Het moge duidelijk zijn dat wij pleiten voor een snel, onafhankelijk en inhoudelijk verantwoord onderzoek. Als wij kunnen komen tot de in mijn ogen noodzakelijke aanvullingen op het door de staatssecretaris voorgestelde onafhankelijke onderzoek, dan heeft dat onze eerste voorkeur. Dat is in het belang van het hoger onderwijs, dat uit de klem van de wurggreep moet van de onzekerheden die het al jarenlang achtervolgen.

« Terug

Reacties op 'Bijdrage debat Onregelmatigheden hoger onderwijs'

Geen berichten gevonden

Log in om te kunnen reageren op nieuwsberichten.

Nieuwsarchief > 2003

december

november

oktober

september

augustus

juli

juni

mei

april

maart

februari

januari