Vragen over DNA-vaderschapstesten

maandag 25 augustus 2003 15:05

Vragen van het lid Rouvoet (ChristenUnie) aan de minister van Justitie over DNA-vaderschapstesten.

Met antwoord.

Vragen van het lid Rouvoet (ChristenUnie) aan de minister van Justitie over DNA-vaderschapstesten (Ingezonden 27 augustus 2003).
  1. Hebt u kennisgenomen van het artikel: «En u, weet u het wel zeker?»1, inzake de opmars van commerciële DNA-vaderschapstesten?
  2. Is het waar dat deze commerciële testen (in veel gevallen) uitgevoerd worden door niet-geaccrediteerde instellingen?
  3. Hoe oordeelt u over de toename van DNA-onderzoek door mogelijk niet voldoende betrouwbare en mogelijk niet geaccrediteerde instellingen, tegen de achtergrond van het feit dat een zo groot mogelijke betrouwbaarheid van DNA-onderzoek in allerlei opzichten geboden is?
  4. Acht u het wenselijk dat (de vraag naar) DNA-onderzoek, bijvoorbeeld door het doen van vaderschapstesten, door de commercie wordt geëxploiteerd?
  5. Is er aanleiding voor aanvullende regelgeving teneinde de opkomst van DNA-onderzoek door commerciële instellingen tegen te gaan, dan wel in elk geval nader te reguleren?
1 NRC-Handelsblad, 23 augustus jl.
 
Antwoord
Antwoord van minister Donner (Justitie), mede namens de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. (Ontvangen 22 oktober 2003), zie ook Aanhangsel Handelingen nr. 3, vergaderjaar 2003–2004
  1. Ja.
  2. Er zijn in Nederland twee geaccrediteerde laboratoria die vaderschapstesten uitvoeren, het Forensisch Laboratorium voor DNA-onderzoek van de Leidse Universiteit en het Centrale Laboratorium voor de Bloedbanken van de Stichting Sanguin. Deze laboratoria werken niet op commerciële basis. De andere in het NRC-artikel genoemde bedrijven die dit soort testen (doen) uitvoeren zouden niet zijn geaccrediteerd. Veelal gaat het om buitenlandse laboratoria. Het is ons niet bekend of deze geaccrediteerd zijn.
  3. , 4 en 5 Voorop staat dat bij uitvoering van laboratoriumonderzoek, zoals DNA-onderzoek waaronder begrepen vaderschapstesten, een zo groot mogelijke zorgvuldigheid is geboden.
    Het uitvoeren van DNA-vaderschapstesten behoort meestal niet tot het terrein van de gezondheidszorg. Alleen als in verband met een bepaalde ziekte van een kind het vaderschap moet worden bevestigd of uitgesloten, kan het voorkomen dat een dergelijke test in het kader van de gezondheidszorg plaatsvindt. Het onderzoek valt dan – evenals het DNA-onderzoek naar erfelijke aandoeningen – onder de werkingssfeer van de Wet op de bijzondere medische verrichtingen (WBMV) en zal in een klinisch genetisch centrum plaatsvinden. De klinisch genetische centra zijn onderworpen aan het strenge vergunningssysteem van de WBMV.
    Het door een bedrijf doen verrichten van DNA-onderzoek met het uitsluitend doel verwantschap tussen verschillende personen met een zeer grote mate van zekerheid aan te tonen of met zekerheid uit te sluiten – waar het onderhavige NRC-artikel met name over gaat – valt niet onder de werking van de WBMV. Er zijn echter andere juridische voorwaarden aan het doen van vaderschapsonderzoek waarbij DNA-materiaal wordt gebruikt.
    Bedrijven die deze testen aanbieden en daaruit verkregen erfelijkheidsgegevens verwerken, vallen onder het regime van de Wet bescherming persoonsgegevens (WBP). Het College bescherming persoonsgegevens (CBP), dat een zelfstandig bestuursorgaan is, is belast met het toezicht op de naleving van de verwerking van persoonsgegevens in Nederland.
    Daartoe beschikt het CBP over een aantal sanctionerende bevoegdheden. Zo kan het College ter handhaving van de WBP bestuursdwang uitoefenen (artikel 65).
    Het CBP beschouwt lichaamsmateriaal als een bron van persoonsgegevens betreffende erfe-lijke eigenschappen. Gegevens betreffende erfelijke eigenschappen vallen onder het bijzon-dere regime van de WBP. Uit artikel 23 WBP in samenhang met artikel 21 lid 4 WBP volgt dat erfelijkheidsgegevens slechts verwerkt mogen worden met betrekking tot de betrokkene bij wie de betreffende gegevens zijn verkregen wanneer het bedrijf daarvoor tevens de uit-drukkelijke toestemming van die betrokkene heeft. Dit laatste betekent dat al diegenen die uitdrukkelijke toestemming moeten verlenen, ook voldoende geïnformeerd zijn. Toestemming kan immers pas uitdrukkelijk gegeven worden, wanneer iemand over alle relevante informatie beschikt die van invloed kan zijn op het geven van de toestemming.
    Uit van het CBP verkregen informatie over een in 2002 door het College ingesteld onderzoek naar de verwerking van persoonsgegevens door een aantal bedrijven die verwantschapstesten op basis van genetisch materiaal aanbieden, komt naarvoren dat uit de gang van zaken bij die bedrijven niet blijkt dat men zich altijd ten volle bewust is van genoemde bijzondere restricties.
    Het CBP heeft betrokkenen over zijn bevindingen geïnformeerd en ter zake een aantal aanbevelingen gedaan. De betreffende bedrijven hebben toegezegd deze aanbevelingen te zullen overnemen. Op de handelwijze van bedrijven die dit soort testen doen uitvoeren, wordt door het CBP nauwlettend toegezien. Daarmee lijkt ons voldoende garantie aanwezig voor een aanvaardbare praktijk in dezen. Gelet op het bovenstaande zien wij vooralsnog thans geen aanleiding voor nadere regelgeving op dit specifieke terrein.
    De ontwikkelingen op het gebied van DNA-onderzoek zullen wij kritisch blijven volgen. Daarbij zullen wij er op toezien dat zo nodig en zo mogelijk – dit laatste mede gelet op het aspect van handhaafbaarheid ingeval van buitenlandse laboratoria – passende maatregelen worden genomen. Uiteraard geldt dit ook voor de onderhavige praktijk van vaderschapstesten.

« Terug

Reacties op 'Vragen over DNA-vaderschapstesten'

Geen berichten gevonden

Log in om te kunnen reageren op nieuwsberichten.

Nieuwsarchief > 2003

december

november

oktober

september

augustus

juli

juni

mei

april

maart

februari

januari