Vragen over Syrisch Nationale Socialistische Partij

maandag 20 januari 2003 14:33

Vragen van het lid Rouvoet (ChristenUnie) aan de ministers van Justitie en voor Vreemdelingenzaken en Integratie over de Syrische Nationaal Socialistische Partij (SNSP) uit Libanon.(Ingezonden 23 januari 2003)

Met antwoord

Vragen van het lid Rouvoet (ChristenUnie) aan de ministers van Justitie en voor Vreemdelingenzaken en Integratie over de Syrische Nationaal Socialistische Partij (SNSP) uit Libanon.(Ingezonden 23 januari 2003)

  1. Bent u bekend met de organisatie Al-Hebz Al Sory Al Qawmy Al-Idjtimaie, de Syrische Nationaal Socialistische Partij (SNSP), uit Libanon?
  2. Zo ja, is er onderzoek naar deze partij, cq. aanhangers van deze partij verricht, die zich, al dan niet via het indienen van een asielaanvraag, in Nederland bevinden?
  3. Is het waar dat deze partij betrokken is geweest bij grove mensenrechtenschendingen en zelf-moordacties, zodat er reden bestaat om te bezien of aanhangers van deze partij ongewenst zouden moeten worden verklaard op basis van de zgn. 1F-clausule uit het Vluchtelingenver-drag?
  4. Is het waar dat aan de heer C. uit Libanon, die deel uitmaakte van het politbureau van genoemde partij en die tevens politiek adviseur van de partijvoorzitter en regionale algemeen verantwoordelijke voor de partij was, en die de IND uitvoerig heeft ingelicht over zelfmoordacties en moordaanslagen door de genoemde partij, een verblijfsvergunning is toegekend?
  5. Hoe valt deze beslissing te rijmen met het beleid om streng toe te zien op de komst, c.q. het verblijf van van zware misdrijven verdachte personen en om waar mogelijk aan dergelijke personen artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag tegen te werpen?
  6. Bent u bereid het dossier van C. opnieuw tegen het licht te houden en het NOVO-team en de Kamer over de uitkomsten nader te berichten?


Antwoord van minister Nawijn (Vreemdelingenzaken en Integratie), mede namens de minister van Justitie. (Ontvangen 14 februari 2003)

  1. Ja.
  2. Ja, er is naar aanhangers van de SNSP onderzoek verricht.
  3. Algemeen wordt aangenomen dat elke van de in Libanon tijdens de burgeroorlog van 1975 tot 1990 actieve partijen en groeperingen, waaronder de SNSP, zich heeft schuldig gemaakt aan terroristische acties, en vaak ook nog daarna.
    Medio 1986 is de SNSP uiteengevallen in twee facties, die beide de oude partijnaam zijn blijven voeren. De vleugel, de «Commandement d’État d’Urgence», bestaat voornamelijk uit Syriërs en is georiënteerd op Damascus. De andere vleugel, de «Commandement du Conseil Suprème», wordt gedomineerd door Libanezen en is zich meer en meer gaan verbinden met Palestijnse groepen, de Progressieve Socialistische Partij en de Libanese communisten. De pro-Syrische en een pro-Palestijnse vleugel hebben over en weer liquidaties uitgevoerd.
    Aanhangers van de SNSP kunnen slechts uitgesloten worden van toelating tot Nederland op basis van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag, indien ten aanzien van het betreffende individu ernstige redenen bestaan om te veronderstellen dat hij/zij zich schuldig heeft gemaakt aan een misdrijf of handeling in de zin van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag.
  4. Ja, aan de heer C. uit Libanon is op 25 januari 2001 de vluchtelingenstatus toegekend. Overigens, uit het individuele ambtsbericht dat de minister van Buitenlandse Zaken op 21 september 2000 in onderhavige zaak heeft uitgebracht, blijkt dat – voor zover kan worden nagegaan – de heer C. niet in verband kan worden gebracht met terroristische activiteiten, politieke moorden of andere strafbare feiten. Uit het ambtsbericht blijkt voorts dat de heer C. lid is geweest van de SNSP, echter niet kan worden bevestigd dat hij deel heeft uitgemaakt van de leiding («politbureau») van de SNSP, danwel in nauw contact stond met de leiding van deze partij. Evenmin heeft hij – voor zover kan worden nagegaan – een functie bekleed binnen de veiligheidsdienst van de SNSP.
  5. Uit de verklaringen die betrokkene tegenover de Immigratie- en Naturalisatiedienst heeft afgelegd, in samenhang met hetgeen uit het individuele ambtsbericht naarvoren is gekomen, is de conclusie getrokken dat er onvoldoende redenen zijn om te veronderstellen dat de heer C. zich schuldig heeft gemaakt aan een misdrijf of handelingen in de zin van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag. Derhalve is het niet mogelijk om voornoemd verdragsartikel aan de heer C. tegen te werpen.
  6. Zoals onder vraag 5 is overwogen, blijkt dat er onvoldoende redenen zijn om te veronder-stellen dat de heer C. zich schuldig heeft gemaakt aan een misdrijf of handelingen in de zin van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag. Er zijn mij geen nieuwe feiten en omstandig-heden bekend die tot een ander oordeel behoren te leiden.
    Derhalve is een heroverweging van het dossier niet aan de orde, en zal deze zaak ook niet overgedragen worden aan het NOVO-team.

« Terug

Nieuwsarchief > 2003

december

november

oktober

september

augustus

juli

juni

mei

april

maart

februari

januari