Vragen over Dreigende steniging Nigeria

woensdag 12 maart 2003 14:50

Vragen van de leden Arib, Van Heteren, Bussemaker en Koenders (allen PvdA), Giskes (D66), Terpstra (VVD), Herben (LPF), Rouvoet (ChristenUnie), Tonkens (GroenLinks), Eurlings en Verburg (beiden CDA), Kant (SP) en Van der Staaij (SGP) aan de minister van Buitenlandse Zaken over de dreigende steniging van Amina Lawal te Nigeria.(Ingezonden 12 maart 2003)

Met antwoord.

Vragen van de leden Arib, Van Heteren, Bussemaker en Koenders (allen PvdA), Giskes (D66), Terpstra (VVD), Herben (LPF), Rouvoet (ChristenUnie), Tonkens (GroenLinks), Eurlings en Verburg (beiden CDA), Kant (SP) en Van der Staaij (SGP) aan de minister van Buitenlandse Zaken over de dreigende steniging van Amina Lawal te Nigeria.(Ingezonden 12 maart 2003)
  1. Hebt u kennisgenomen van de dreigende steniging van Amina Lawal in Nigeria?
  2. Bent u op de hoogte van diverse andere dreigende stenigingen van vrouwen in Nigeria? Zo ja, welke rol heeft Nederland tot op heden gespeeld ter voorkoming van deze stenigingen?
  3. Wat is uw standpunt ten aanzien van wet- en regelgeving die dit soort praktijken toelaat? Bent u het eens met de stelling dat het stenigen van vrouwen een grove schending van mensen-rechten is, en in strijd is met de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens en het VN-Vrouwenverdrag?
  4. Bent u het eens met de stelling dat de bescherming van mensen- en vrouwenrechten een essentieel criterium vormt voor bilaterale en diplomatieke betrekkingen? Zo ja, welke conse-quenties bent u dan bereid te trekken indien de steniging van Amina Lawal daadwerkelijk plaatsvindt?
  5. Bent u bereid namens de Nederlandse regering vóór 17 maart aanstaande bij de Nigeriaanse autoriteiten te protesteren tegen de steniging van vrouwen en in het bijzonder tegen de steniging van Amina Lawal, in wier rechtszaak op 25 maart 2003 een hoger beroep dient? Kunt u de Kamer zo spoedig mogelijk hierover informeren?
1 Trouw, 5 maart jl. en de Volkskrant, 5 maart jl.


Antwoord van de heer De Hoop Scheffer, Minister van Buitenlandse Zaken (Ontvangen 24 maart 2003)

  1. Ja, ik heb hiervan kennisgenomen. Ik refereer in dit verband graag naar de antwoorden op eerdere Kamervragen over dit onderwerp van de leden Karimi, Tonkens, Van Aartsen c.s., van Koenders en van Van Bommel (Vergaderjaar 2002-2003, nummers 15, 16 en 81).
  2. Ook hiervan ben ik op de hoogte. Voor Nederland hebben dreigende stenigingszaken en andere problemen met mensenrechten in Nigeria steeds een zeer belangrijk onderdeel gevormd van de intensieve dialoog die tussen Nederland en Nigeria gestart is na de herinvoering van de democratie in 1999. Bij verschillende gelegenheden, onder andere het bezoek van president Obasanjo aan Nederland in maart 2002, heeft Nederland zijn bezorgdheid uitgesproken over het uitspreken van wrede en inhumane straffen in het kader van de sharia-strafwetgeving en benadrukt dat Nigeria zich moet houden aan de internationale mensenrechtenverdragen.
    Daarnaast is Nederland in EU-verband actief bij het overbrengen van deze zelfde boodschap aan Nigeria. Ook dat is talloze malen gebeurd, zowel in publieke verklaringen, démarches en confidentieel overleg. De ambassadeurs van de Europese lidstaten in de Nigeriaanse hoofdstad Abuja spelen een belangrijke rol in de dialoog met de autoriteiten van Nigeria.
    De Nigeriaanse autoriteiten zijn zich er zeker van bewust dat bepaalde straffen in het kader van de sharia internationaal - en ook in grote delen van het eigen land - ten zeerste worden afgekeurd en dat tenuitvoerlegging in strijd zou zijn met ook door Nigeria ondertekende internationale verdragen. De president heeft verklaard dat het niet tot steniging in Nigeria zal komen.
  3. Lijfstraffen als amputatie, maar ook de doodstraf, in onderhavig geval door steniging, zijn een grove schending van de mensenrechten en derhalve ontoelaatbaar. Verschillende internationale regels – waaronder de Universele Verklaring inzake de Rechten van de Mens, het Verdrag tegen marteling en andere wrede, onmenselijke of vernederende vormen van behandeling of bestraffing, het Verdrag inzake burger- en politieke rechten, het Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van discriminatie tegen vrouwen – maken zeer duidelijk dat burgers van dergelijke praktijken gevrijwaard behoren te blijven.
  4. Mensenrechten zijn een belangrijk onderdeel van bilaterale en diplomatieke betrekkingen. Zowel in bilateraal verband als in EU-kader worden mensenrechten aan de orde gesteld. Indien het vonnis tegen mw. Lawal bevestigd en uitgevoerd wordt – hetgeen overigens tegen de verwachting zou zijn – zullen Nederland en de EU zich op te ondernemen stappen moeten beraden.
    Het proces tegen mw. Lawal is nog niet afgerond. Indien het vonnis wordt bevestigd in het hoger beroep dat eind deze maand dient, bestaat de mogelijkheid voor mw. Lawal en haar advocate in beroep te gaan bij het Nigeriaanse Constitutionele Hof. Dit Hof moet dan uitspreken of het vonnis al dan niet in strijd is met de grondwet van Nigeria. Ook biedt het Facultatief Protocol bij het VN-Vrouwenverdrag de mogelijkheid van beroep.
  5. Omwille van de effectiviteit opereert Nederland in mensenrechtenzaken bij voorkeur samen met de Europese partners. Bij de keuze van een actie wordt veel gewicht toegekend aan het oordeel van de Europese ambassadeurs ter plekke. Ik heb de ambassadeurs verzocht te bezien op welke wijze aandacht van de internationale gemeenschap de zaak van Amina Lawal in hoger beroep positief zou kunnen beïnvloeden.
    Zelf heb ik in een eerder stadium de ambassadeur van Nigeria op een ‘vervroegd kennismakingsgesprek’ uitgenodigd om mijn zorg uit te spreken over de sharia-vonnissen. Ik heb de noodzaak benadrukt dat Nigeria zich houdt aan verplichtingen op mensenrechtengebied.

« Terug

Reacties op 'Vragen over Dreigende steniging Nigeria'

Geen berichten gevonden

Log in om te kunnen reageren op nieuwsberichten.

Nieuwsarchief > 2003

december

november

oktober

september

augustus

juli

juni

mei

april

maart

februari

januari