Bijdrage debat HKH prinses Margarita

woensdag 12 maart 2003 15:36

André Rouvoet: Voorzitter. De fractie van de ChristenUnie heeft de kwestie rond prinses Margarita eerst louter als een familieaangelegenheid beschouwd die niet raakte aan de ministeriële verantwoordelijkheid. Daarom hadden wij ook geen behoefte aan bemoeienis van de minister-president, aan enige vorm van parlementaire actie of aan een Kamerdebat. Intussen is er het nodige gebeurd. De minister-president heeft een verklaring afgelegd, daarna zijn nieuwe feiten naar buiten gekomen en er zijn vragen gerezen met betrekking tot het handelen van overheidsinstanties en met betrekking tot de ministeriële verantwoordelijkheid. De term ’’constitutionele crisis’’ is zelfs meermaals gevallen. Er is dus voldoende aanleiding voor een politiek debat.

De heer Rouvoet (ChristenUnie): Voorzitter. De fractie van de ChristenUnie heeft de kwestie rond prinses Margarita eerst louter als een familieaangelegenheid beschouwd die niet raakte aan de ministeriële verantwoordelijkheid. Daarom hadden wij ook geen behoefte aan bemoeienis van de minister-president, aan enige vorm van parlementaire actie of aan een Kamerdebat. Intussen is er het nodige gebeurd. De minister-president heeft een verklaring afgelegd, daarna zijn nieuwe feiten naar buiten gekomen en er zijn vragen gerezen met betrekking tot het handelen van overheidsinstanties en met betrekking tot de ministeriële verantwoordelijkheid. De term ’’constitutionele crisis’’ is zelfs meermaals gevallen. Er is dus voldoende aanleiding voor een politiek debat.

De fractie van de ChristenUnie betreurt het overigens dat het Koningshuis op deze wijze onderwerp van een publieke discussie is geworden. Daarom hoop ik oprecht dat de Kamer zich zal inhouden. Niet alles wat in de publiciteit is gebracht, is daarmee ook een politiek relevant feit. De fractie van de ChristenUnie heeft nog steeds geen behoefte om op alle verwijten en beschuldigingen uit de interviews in te gaan of anderszins bij te dragen aan een actie om het Koningshuis te beschadigen. De interviews zijn wat ons betreft geen onder-werp van debat en de positie van het Koningshuis en de bevoegdheden van het staatshoofd ook niet. Dit debat moet gaan over enkele politiek en staatsrechtelijk relevante aspecten van de kwestie, met name ten aanzien van het optreden van de toenmalige BVD en de ministeriële verantwoordelijkheid voor de BVD en voor zaken die het Koningshuis betreffen.

De verklaring van de minister-president van vorige week woensdag leek redelijk adequaat, al moet ik zeggen dat de wel erg laconieke en richting prinses Margarita nogal badinerende toon van de minister-president mij niet erg aansprak. In het licht van de ontwikkelingen daarna, onder andere de excuusbrief van donderdag, menen wij dat de verdediging door de minister-president niet de beslistheid en het gezagvol spreken kende dat in een kwestie als deze, die zijn politieke verantwoordelijkheid voor het Koninklijk Huis betreft, mag worden verwacht. De regie liet op zijn zachtst gezegd te wensen over.

Maandagnacht mocht de Kamer eindelijk de brief ontvangen, vier à vijf dagen later dan was beloofd. Die brief is in enkele opzichten zeker verhelderend, maar hij roept ook enkele nieuwe vragen op die wat mij betreft vooral van feitelijke en informatieve aard zijn. Het heeft mij bevreemd dat impliciet wordt beweerd dat er geen ministeriële verantwoorde-lijkheid zou bestaan voor het handelen van het Kabinet der Koningin. Er bestaat dus wel verantwoordelijkheid voor het beheer, maar niet voor het handelen. Er wordt gesteld dat het weliswaar een overheidsorgaan is, maar ook de ambtelijke ondersteuning voor de Koningin, voor wier handelen te allen tijde een minister verantwoordelijk is. Het lijkt mij toch uitgesloten dat de directeur van het Kabinet der Koningin meer ruimte heeft dan de majesteit zelf. Mag ik ervan uitgaan dat de minister-president volledig politiek verantwoordelijk was, is en zal zijn voor het Kabinet der Koningin?

Wie kunnen er belangendrager zijn? Ligt dat ergens vast of kunnen allerlei overheidsinstanties dat bij gelegenheid zomaar zijn? Is dit een wettelijke term? Ik begrijp uit de brief dat het personen en instanties betreft die belast zijn met de bescherming van gewichtige belangen zoals bedoeld in de taakomschrijving van de BVD. Het viel mij op dat er in de brief zonder meer van uit wordt gegaan dat het Kabinet der Koningin louter door het verzoek van de BVD om naslag te doen als belangendrager wordt aangemerkt. Kan dit nader worden toegelicht? Hoe gebruikelijk is het dat de BVD rechtstreeks opdrachten of verzoeken tot het ver-richten van onderzoek of naslag krijgt van derden, zoals het Kabinet der Koningin? In de brief staat dat de directeur van het Kabinet der Koningin heeft besloten de BVD te vragen naslag te doen ’’omdat de heer De Roy van Zuydewijn als mogelijk aanstaand echtgenoot van H.K.H. prinses Margarita toegang zou kunnen krijgen tot het staatshoofd en de directe omgeving van het staatshoofd’’. Deze redengeving spoort op zichzelf met de mededeling die de minister-president vorige week woensdag deed, namelijk dat een dergelijk onderzoek heel gewoon is.

Uit de brief blijkt echter dat de directeur bij zijn verzoek aan de BVD melding heeft gemaakt van een aantal vragen die waren gerezen ten aanzien van de integriteit van de heer De Roy van Zuydewijn. Op basis van dit gesprek kwam het plaatsvervangend hoofd van de BVD tot het oordeel dat deze informatie zodanig was dat moest worden gesproken van een ernstig vermoeden dat de veiligheid of andere gewichtige belangen van de Staat, meer in het bijzonder de integriteit van het Koninklijk Huis, mogelijk in gevaar zouden kunnen komen. Er was dus een reden voor verder onderzoek. De informatie van de directeur van het Kabinet der Koningin moet nogal stevig zijn geweest, gezien het feit dat zij tot dit ernstige vermoeden leidde. De logische vervolgvraag is of het verzoek van de directeur wel zo gewoon was. Het zal toch geen business as usual zijn, in de zin van: o, weer een mogelijk toekomstig lid van de Koninklijke Familie, dús serieuze vragen omtrent de integriteit? Graag ook op dat punt een nadere verklaring van de minister-president.

Het is hoe dan ook onbegrijpelijk dat van dit onderzoek geen melding aan de minister is gemaakt. Niemand kan toch met droge ogen volhouden dat, als er zodanig serieuze twijfels zijn over een kandidaatlid van de Koninklijke Familie dat er een ernstig vermoeden is dat de integriteit van het Koninklijk Huis mogelijk in gevaar is en daarmee de veiligheid en gewichtige belangen van de Staat in het geding zijn, dit niet een kwestie is die valt onder de bepalingen van de ’’oude BVD-wet’’ uit 1987, namelijk dat het hoofd van de BVD de minister bij voortduring in kennis stelt van al hetgeen van belang is? Het mag dan volgens de huidige AIVD in die tijd een gewoonte zijn geweest om een dergelijke naslag niet aan de minister te melden, maar dit was geen gewone naslag.

De minister-president schrijft nu dat het achteraf bezien wel wenselijk was geweest dat de minister was geïnformeerd. Dat lijkt mij een te vriendelijke formulering. Is de minister-president het met mij eens dat het niet informeren van de verantwoordelijke minister niet conform de in 1987 geldende wet was? Hoe is dat in voorgaande gevallen gegaan? Waarom ont-breekt het hoofd van de BVD in dit geheel? Ik mag toch aannemen dat hij in het reguliere overleg met zijn plaatsvervanger op de hoogte is gebracht en gehouden van dit onderzoek? Kan de regering dit bevestigen? Nog merkwaardiger is dat de zaak eerst niet van voldoende belang wordt geacht om aan de minister te melden, en dat als navraag bij de BVD wordt gedaan naar aanleiding van de brieven van de prinses en haar echtgenoot of er onderzoek is verricht, de informatie daarover weer zo goed blijkt te worden afgeschermd dat die nóg niet bij de minister bekend wordt, met als gevolg dat de prinses en haar echtgenoot ten onrechte de verzekering krijgen dat er geen onderzoek is verricht. Deze gang van zaken roept bij mijn fractie serieuze vragen op over de wijze van omgaan met die informatie of misschien wel met informatie in het algemeen binnen de toenmalige BVD. Ik krijg graag op dit punt een echte verheldering, omdat ik het van belang vind om te weten hoe dat ook formeel in elkaar zit. Het raakt aan de directe ministeriële verantwoordelijkheid voor de BVD en dat is niet alleen in deze zaak van betekenis.

De redenering in de brief over de verstrekking van de informatie aan derden en het vereiste van een machtiging in dit verband is op zichzelf wel juist. Aangenomen dat het Kabinet der Koningin een belangendrager is waaraan die informatie verstrekt mag worden, was daarvoor geen machtiging ex artikel 16 van de wet uit 1987 nodig. Wel is dan natuurlijk de vervolgvraag, of het de ontvanger van die informatie vrij staat om die informatie we´ l aan derden te verstrekken. Dat lijkt mij op het eerste oog geen logische gang der dingen. Ook hier graag een verduidelijking of een toelichting.

Het laatste punt dat bevreemding wekt, is het ontbreken van een dossier over de hele kwestie op het ministerie van Algemene Zaken. Minister-president Balkenende heeft, zo heeft hij opgemerkt, bij zijn aantreden niets overgedragen gekregen van zijn voorganger en sprak van een nieuw dossier, terwijl er in ieder geval correspondentie is geweest over onder meer het vermeend afluisteren. Hoe zit het dan in algemene zin met de dossiervorming en de overdracht op Algemene Zaken? Waarom hierover niet méér opgemerkt in de brief? Als het gaat om de ministeriële verantwoorde-lijkheid van de minister-president, minister van Algemene Zaken, voor het Koningshuis, komt het aan op de grootst mogelijke zorgvuldigheid.

Wat de kwestie van het vermeend afluisteren betreft, vraag ik de minister-president om een toelichting op de even beknopte als curieuze passage in zijn brief over dit punt. De minister-president schrijft ’’Door ons is vastgesteld dat in dit kader geen van de daartoe gerechtigde overheidsdiensten in een woning heeft afgeluisterd. Mochten ons desalniettemin concrete aanwijzingen bereiken, dan zullen wij daarnaar uiteraard diepgaand onderzoek doen en zo nodig passende maatregelen nemen’’. Aangezien ik ervan uitga dat het kabinet de vaststelling dat er niet is afgeluisterd, niet heeft gedaan zonder enig onderzoek, vraag ik hoe het tot deze conclusie is gekomen. Of heeft de minister-president veiligheidshalve een slag om de arm willen houden, gelet op wat er op dit punt al aan geruchten en berichten in de media rondging? Hoe dan ook: door deze formulering te kiezen, heeft de minister-president willens en wetens, of misschien juist wel onbewust, de indruk gewekt dat het kabinet niet zo zeker van zijn zaak is op het punt van het afluisteren. Dit debat lijkt mij voor hem de gelegenheid om dat beeld, als het onterecht is, recht te zetten.

Met de afsluitende opmerking dat de minister-president met zijn brief hoopt ruimte te hebben geboden om langs andere wegen aan een oplossing van de gerezen onmin te werken en dat het kabinet daar binnen het mogelijke graag aan zal bijdragen, lijkt hij een opening voor bemiddeling te bieden. Versta ik dat goed, zo vraag ik hem. En zo ja, welke concrete stappen heeft hij daartoe in gedachten? De fractie van de ChristenUnie zou dat na alle onverkwikkelijke toestanden van de afgelopen weken zeer toejuichen. Het is in alle opzichten zeer gewenst dat wij zo snel als mogelijk is een punt zetten achter deze affaire, niet in de laatste plaats met het oog op het voorkomen van verdere schade aan het Koningshuis dat velen in dit land zo dierbaar is.

« Terug

Reacties op 'Bijdrage debat HKH prinses Margarita'

Geen berichten gevonden

Log in om te kunnen reageren op nieuwsberichten.

Nieuwsarchief > 2003

december

november

oktober

september

augustus

juli

juni

mei

april

maart

februari

januari