Vragen over Ernstig gehandicapt meisje en smartengeld

maandag 31 maart 2003 14:25

Vragen van de leden Rouvoet (ChristenUnie), Van der Vlies (SGP) en Ormel (CDA) aan de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de minister van Justitie over een ernstig gehandicapt meisje en smartengeld.

Met antwoord.

Vragen van de leden Rouvoet (ChristenUnie), Van der Vlies (SGP) en Ormel (CDA) aan de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de minister van Justitie over een ernstig gehandicapt meisje en smartengeld. (Ingezonden 31 maart 2003)
  1. Hebt u kennisgenomen van de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag dat het Leids Universitair Medisch Centrum (LUMC) een ernstig gehandicapt meisje en haar moeder smartengeld moet betalen voor de schade die zij lijden omdat ze is geboren?1
  2. Hoe beoordeelt u de «claim-cultuur» waarvan deze kwestie blijk geeft?
  3. Wat is de betekenis van deze uitspraak voor de juridische en financiële aansprakelijkheid van werkers in de gezondheidszorg?
  4. Is er een relatie tussen deze rechterlijke uitspraak en het wetsvoorstel over affectieschade dat bij de Kamer in behandeling is?2
  5. Wat betekent deze uitspraak voor ouders die, na een prenataal gediagnosticeerde aandoening bij hun ongeboren kind, toch besluiten dit kind geboren te laten worden?
    Wat betekent deze uitspraak voor ouders die prenataal onderzoek afwijzen?
  6. Deelt u de mening dat de opvatting die in deze uitspraak besloten ligt over de verhouding tussen het zelfbeschikkingsrecht en het recht op leven, op gespannen voet staat met de uitspraak van het Europees Hof in de zaak Pretty vs. UK, inhoudende dat uit het «recht op leven» niet het recht op beëindiging van het leven kan worden afgeleid?3
1 De Volkskrant, 27 maart jl. en Nederlands Dagblad, 27 maart jl.
2 Kamerstuk 28 781, nrs. 1, 2 en 3.
3 Zaak Pretty vs. Verenigd Koninkrijk, Europees Hof voor de Rechten van de Mens, Straatsburg, 29 april 2002.
 
Antwoord van minister Donner (Justitie), mede namens de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. (Ontvangen 1 mei 2003)
  1. Ja, wij hebben kennisgenomen van het arrest. Ten behoeve van de duidelijkheid geven wij hier het arrest kort weer. In deze zaak moest het hof oordelen over de vordering van de ouders van hun gehandicapte dochter en van de dochter tegen het ziekenhuis en de verloskundige die de moeder bij de zwangerschap en de bevalling had bijgestaan. Tijdens de zwangerschap meldt de moeder aan de verloskundige van het Academisch Ziekenhuis (thans: Leids Universitair Medisch Centrum) dat twee eerdere zwangerschappen tot een spontane abortus hadden geleid en dat een neef een chromosomenafwijking had.
    De verloskundige stelt geen nader onderzoek in (bijvoorbeeld een vruchtwaterpunctie) en verwijst niet door naar een klinisch geneticus. De dochter wordt geboren met een chromosomale afwijking en is meervoudig gehandicapt. Haar – wat het hof noemt deerniswekkende – situatie is beschreven in rechtsoverweging 22 van het arrest.
    Indien tijdig onderzoek was verricht, zou de afwijking geconstateerd zijn en zouden de ouders – dat staat in de procedure vast – besloten hebben tot afbreking van de zwangerschap.
    Het hof stelde vast dat een redelijk bekwaam en redelijk handelend verloskundige tot een zorgvuldige familie-anamnese zou zijn overgegaan en in overleg zou zijn getreden met een klinisch geneticus. Omdat dit is nagelaten is er sprake van een beroepsfout. Het hof overweegt dat een inbreuk is gemaakt op het zelfbeschikkingsrecht van de moeder om al dan niet tot abortus over te gaan. Er is sprake van een aantasting van het persoonlijkheidsrecht van de moeder: de beslissing om al dan niet een zwangerschap te ondergaan en al dan niet een kind te krijgen behoort tot de meest essentiële en fundamentele basisrechten van de vrouw.
    Ziekenhuis en verloskundige zijn naar het oordeel van het hof aansprakelijk voor de materiële schade van de ouders en de immateriële schade van de moeder. Voor wat de materiële en immateriële schade van de dochter betreft, stelde het hof vast dat de dochter partij was bij de behandelingsovereenkomst (de ouders hebben mede gecontracteerd ten behoeve van het nog ongeboren kind) en dat – zelfs als dat niet het geval zou zijn – op het ziekenhuis een zorgplicht rust die ook de belangen van het ongeboren kind beschermt.
    Het hof oordeelde verder dat (hoewel uiteraard de chromosomale afwijking niet door de ver-loskundige is veroorzaakt) het erom gaat dat de afwijking door genetisch onderzoek had kun-nen worden onderkend, zodat door tijdig (menselijk) ingrijpen de geboorte van een gehandi-capt kind had kunnen worden voorkomen. In de procedure staat vast dat tot afbreking van de zwangerschap zou zijn overgegaan. Door deze beroepsfout is in juridische zin schade veroor-zaakt die als voorzienbaar gevolg van de fout is aan te merken. Het hof merkt nog op dat de rechter aldus niet beslist over leven en dood van het kind, maar dat – met inachtneming van de geldende wettelijke criteria (betreffende zwangerschapsafbreking) – een beslissing tot abortus aan de ouders is.
    Het betrof overigens een procedure waarin alleen de aansprakelijkheid is vastgesteld. In een volgende schadestaatprocedure moet nog een beslissing worden genomen over de hoogte van de schadevergoeding.
  2. Het lijkt ons niet juist op grond van deze kwestie aan te nemen dat sprake is van een claimcultuur. In de berichten over de zaak komt naar voren dat de ouders aanvankelijk slechts duidelijkheid wilden over de gang van zaken in het ziekenhuis, erkenning van gemaakte fouten en eventueel verontschuldigingen. Eerst toen zij daarvoor naar hun gevoelen onvoldoende gehoor kregen, hebben de ouders de vordering tot schadevergoeding ingesteld.
  3. Gezien de nog openstaande mogelijkheid van cassatie is het niet mogelijk om definitieve uitspraken te doen over de betekenis van deze uitspraak voor het aansprakelijkheidsrecht. Wel kan worden gezegd dat het vaste rechtspraak is dat (beroeps)fouten in het kader van een behandelingsovereenkomst tot aansprakelijkheid kunnen leiden. In deze zaak oordeelde het hof dat er door te handelen in strijd met de geldende professionele maatstaf, sprake is geweest van een beroepsfout in het kader van de behandelingsovereenkomst. Wat dat betreft heeft deze uitspraak dus geen bijzondere betekenis voor de aansprakelijkheid van werkers in de gezondheidszorg. In het onderhavige geval heeft het hof zich bovendien over de hoogte van de schade nog niet uitgelaten. Deze vraag moet worden beantwoord in een tweede procedure voor de rechtbank. In deze tweede procedure zal dan ook de vraag aan de orde moeten komen wat de omvang is van de schade van het gehandicapte meisje, waarbij volgens het hof ook uitkeringen op basis van sociale voorzieningen in de berekening van die schade verdisconteerd kunnen worden, zodat die schade – aldus het hof – dan mogelijk betrekkelijk gering zal blijken te zijn.
    De vraag in het onderhavige geval is hoe ver de aansprakelijkheid wegens een beroepsfout in het kader van begeleiding bij zwangerschap zich uitstrekt, in het bijzonder ook tot de materiële en immateriële schade van de dochter (zie ook de aanvullende vragen van het lid Dittrich). Het hof heeft terzake overwogen dat de dochter ook zelf partij was bij de behandelingsovereenkomst en dat, zou daarover al anders worden gedacht, op het ziekenhuis een zorgplicht rust die beoogt haar belangen te beschermen. Het hof overwoog voorts dat de mogelijke aanwezigheid van de chromosomale afwijking had kunnen worden onderkend middels het ten onrechte nagelaten prenataal genetisch onderzoek, zodat door tijdig (menselijk) ingrijpen de geboorte had kunnen worden voorkomen. Door de beroepsfout is dan ook naar het oordeel van het hof in juridische zin de schade veroorzaakt waarvan thans vergoeding wordt gevorderd. De toerekening van die schade op basis van artikel 6:98 BW is naar het oordeel van het hof reeds gerechtvaardigd op grond van het feit dat de schade valt aan te merken als een alleszins voorzienbaar gevolg van de beroepsfout, die juist om die reden nooit gemaakt had mogen worden.
    Het hof erkent aldus in principe de mogelijkheid van een «wrongful life-claim», waarbij het hof opmerkt dat de dochter (weliswaar) zelf geen afweging van haar al dan niet bestaan kan maken, maar dat die beslissing namens haar door haar ouders wordt genomen, zoals – zo stelt het hof – steeds het geval zou zijn geweest (bij abortus provocatus).
    Het hof overweegt voorts dat het zich realiseert dat over dit soort claims zeer verschillend wordt gedacht. Het hof is evenwel van oordeel dat er naar Nederlands recht (dat de actie wegens «wrongful birth» reeds kent) thans geen doorslaggevende argumenten bestaan om dergelijke claims geheel te willen belemmeren en dat een eventuele limitering van de aansprakelijkheid hier aan de wetgever is.
    In de onderhavige zaak wordt, zoals vermeld, cassatie overwogen. Het zou daarom onjuist zijn al uit te spreken of naar geldend recht deze claims mogelijk zijn. Wel menen wij dat ook de wetgever zich een oordeel moet vormen over de materie die hier aan de orde is. Zie verder het antwoord op de aanvullende vragen van het lid Ditttrich over hetzelfde onderwerp 1.
  4. Er is in zoverre een relatie tussen deze rechterlijke uitspraak en het wetsvoorstel affectieschade 2 dat de vordering van de vader, voor zover deze gebaseerd is op het lijden over wat een naaste te dragen heeft, naar de mening van het hof als affectieschade moet worden aangemerkt en naar geldend recht (nog) niet op basis van artikel 6:106 BW voor vergoeding in aanmerking komt, waarbij het hof verwijst naar het genoemde wetsvoorstel. Het hof meent dat het de rechtsvormende taak van de rechter te buiten gaat om op de komende regeling vooruit te lopen.
  5. Uit de uitspraak kan niet worden afgeleid dat kinderen hun ouders zouden kunnen aanspreken wegens het niet-verrichten van prenataal genetisch onderzoek en wegens het niet-afbreken van een zwangerschap na prenataal onderzoek. In de onderhavige uitspraak was sprake van een beroepsfout, namelijk handelen in strijd met de professionele maatstaf van een redelijk bekwaam en redelijk handelend verloskundige omdat deze in de gegeven omstandigheden niet tot nader onderzoek is overgegaan.
    Wij willen benadrukken dat er, zulks mede in antwoord op de vragen van de leden Smits en Verbeet en van het lid Dittrich, geen rechtsplicht bestaat voor ouders om prenataal genetisch onderzoek te doen verrichten of te besluiten tot abortus als er kans bestaat op een genetische afwijking, of indien daarvan zelfs met zekerheid sprake is. Evenmin geeft deze uitspraak op zich aanleiding voor bijstelling van de wettelijke en professionele regels voor het toepassen van prenatale diagnostiek of abortus provocatus (zie de vragen van de leden Smits en Verbeet). Het hof stelt immers uitdrukkelijk voorop dat de beoordeling van medisch handelen dient te geschieden overeenkomstig de maatstaven die golden ten tijde van dat handelen (en dus niet overeenkomstig later ontwikkelde professionele maatstaven).
  6. Nee. Deze mening delen wij niet. De aansprakelijkheid in de Haagse zaak vloeit volgens de uitspraak van het hof voort uit een beroepsfout die bestond uit het niet doen van nader onderzoek terwijl daar wel een reden voor was. Volgens zowel het hof als de rechtbank is de verloskundige jegens de moeder tekort geschoten door inbreuk te maken op het (keuze)recht van de moeder om voor abortus te kiezen. Het is buiten elke twijfel dat een zodanige bevoegdheid niet in strijd is met het in mensenrechtenverdragen opgenomen (inherent) recht op leven van eenieder (zie bij voorbeeld artikel 2 EVRM, artikel 6 van het VN-verdrag inzake de rechten van het kind en artikel 6 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten). In de zaak Pretty v The United Kingdom kwam de vraag aan de orde of een persoon een recht op beëindiging van het leven kan hebben. De uitspraak van het Europees Hof luidde dat dit recht niet uit het EVRM kon worden afgeleid.
    Reeds om die reden kunnen aan hetgeen in die zaak door het Europees Hof is beslist voor de onderhavige casus geen conclusies worden verbonden.
1 Aanhangsel Handelingen nr. 1205, vergaderjaar 2002–2003.
2 Kamerstuk 28 781.

« Terug

Nieuwsarchief > 2003

december

november

oktober

september

augustus

juli

juni

mei

april

maart

februari

januari