Vragen over de mogelijke inzet van criminele burgerinfiltranten

dinsdag 17 juni 2003 16:49

Vragen van het lid Rouvoet (ChristenUnie) aan de minister van Justitie over de mogelijke inzet van criminele burgerinfiltranten. (Ingezonden 17 juni 2003)

Met antwoord.

Vragen van het lid Rouvoet (ChristenUnie) aan de minister van Justitie over de mogelijke inzet van criminele burgerinfiltranten. (Ingezonden 17 juni 2003)

  1. Heeft u kennis genomen van het bericht: ‘Justitie wist niets van infiltratie”? 1
  2. Is het waar dat zonder medeweten van de Nederlandse justitiële autoriteiten door de Duitse politie op Nederlands grondgebied een criminele burgerinfiltrant is gebruikt bij de opsporing van drugszaken?
  3. Zo ja, hoe oordeelt u daarover in het licht van het vertrouwensbeginsel, dat uitgangspunt behoort te zijn bij de internationale samenwerking op justitieel en politieel gebied?
  4. Hoe verhoudt zich de mogelijke inzet van criminele burgerinfiltranten door buitenlandse opsporingsambtenaren en -diensten op Nederlands grondgebied tot de Nederlandse wet- en regelgeving?
  5. Bent u bereid om, indien de bedoelde berichten juist zijn, hierover contact op te nemen met uw Duitse collega, teneinde volledige opheldering over de gang van zaken te verkrijgen?
  6. Wilt u de Kamer over de uitkomsten berichten?
  7. Zijn er aanwijzingen dat ook overigens sprake is van inzet van criminele burgerinfiltranten door buitenlandse opsporingsambtenaren en diensten op Nederlands grondgebied?


1) Volkskrant, 16 juni 2003



Antwoord van minister Donner (Justitie). (Ontvangen 3 juli 2003)

  1. Ja.
  2. Tijdens de behandeling van een Duits uitleveringsverzoek uit 1995 is gebleken dat gedurende het Duitse onderzoek een informant (deels) in Nederland heeft opgetreden zonder dat daarvoor toestemming van de Nederlandse autoriteiten is verkregen. Aangezien tevens de opgeëiste persoon door het handelen van de informant tot andere handelingen is gebracht dan waarop zijn opzet van te voren was gericht, is de uitlevering aan Duitsland geweigerd. De weigering is gemotiveerd aan de Duitse autoriteiten medegedeeld.
  3. Inderdaad is in het internationale rechtshulpverkeer het vertrouwensbeginsel een centrale leidraad. Het in de beantwoording van vraag 2 besproken incident heeft inderdaad voor enige tijd de strafrechtelijke samenwerking met Duitsland verstoord en het vertrouwensbeginsel onder druk gezet. Nadat deze problematiek duidelijk aan de Duitse autoriteiten ter kennis is gebracht, hebben zich naar mijn weten geen nieuwe incidenten voorgedaan. Thans is het vertrouwensbeginsel ten aanzien van de uitlevering met Duitsland wederom leidraad in de strafrechtelijke samenwerking.
  4. In mijn brief over de inzet van criminele burgerinfiltranten (Kamerstuk 27 834, nr . 28) van maart dit jaar, heb mijn beleid met betrekking tot de inzet van zulke infiltranten uiteengezet. De inzet van criminele burgerinfiltranten op Nederlands grondgebied is alleen toe te staan in opsporingsonderzoeken naar mogelijke terroristische misdrijven. In andere opsporingsonderzoeken dan die naar mogelijke terroristische misdrijven is de inzet van criminele burgerinfiltranten niet toegestaan. Dit uitgangspunt geldt uiteraard voor Nederlandse onderzoeken, en ook voor onderzoeken op basis van rechtshulpverzoeken uit het buitenland. Immers, aan een buitenlands rechtshulpverzoek om toepassing van een opsporingsbevoegdheid kan in Nederland alleen gevolg worden gegeven indien die bevoegdheid ook naar Nederlands recht kan worden uitgeoefend.
  5. t/m 7 Voor de beantwoording van deze vragen moge ik u verwijzen naar de beantwoording van vraag 2 van het lid Vos. 1


1 Aanhangsel Handelingen nr. 1551, vergaderjaar 20022612003.

« Terug

Reacties op 'Vragen over de mogelijke inzet van criminele burgerinfiltranten'

Geen berichten gevonden

Log in om te kunnen reageren op nieuwsberichten.

Nieuwsarchief > 2003

december

november

oktober

september

augustus

juli

juni

mei

april

maart

februari

januari