Wetgevingsoverleg integratie minderheden (begroting justitie 2004)

maandag 27 oktober 2003 23:48

André Rouvoet: Voorzitter. Als ik probeer de sfeer van het kabinetsbeleid nieuwe stijl te typeren, schieten mij de woorden nieuwe nuchterheid en kordaatheid als eerste te binnen. Die kordaatheid komt met name tot uitdrukking in het benadrukken van de eigen verantwoordelijkheid van mensen, zeker van nieuwkomers. Daarnaast worden dingen die eerst moeilijke bespreekbaar waren nu wel met name genoemd. Ik heb er enkele opgeschreven.
In de brief van 16 september wordt bijvoorbeeld gesproken over: het multi-culti-idea-lisme voorbij; de vrijblijvendheid voorbij, met name het meer verplichtende karakter van het inburgeringsstelsel. Ook de schaduwzijden worden benoemd en waar mogelijk aangepakt. Deze algemene lijn spreekt mijn fractie aan. Ik plaats er ook kanttekeningen bij en daarop kom ik zeker terug, maar de algemene benadering spreekt ons aan. Deze minister vind ik in haar functie van coördinerend minister voor integratiebeleid de exponent van kordate zakelijkheid. Het werk doet zij op een natuurlijke manier en gaat haar goed af.
In de stukken staat de notie van gedeeld burgerschap centraal. Ik vind dit een goede term. Gedeeld burgerschap vergt inpassing van nieuwkomers in de Nederlandse samenleving. Inpassing is echter iets anders dan aanpassing in de vorm van assimilatie. Bij inpassing gaat het om aansluiting zoeken bij. 
Aansluiting bij vind ik belangrijker dan aanpassing aan. Er moet sprake zijn van geven en nemen, van kennis opdoen van taal, cultuur en geschiedenis en van het verwerven van basisvaardigheden, maar ook van de acceptatie van basiswaarden en de naleving van heel fundamentele normen. Dit staat met andere bewoordingen in de brief, maar ik pik er de elementen uit die ik van belang vind bij het spreken over de algemene benadering van het integratiebeleid.
Inpassing vergt ook de bereidheid om je plek in de samenleving in te nemen, met alle consequenties van dien, dus met alle rechten en plichten daaraan verbonden. Verder vergt in-passing het leveren van een actieve bijdrage aan de samenleving. Gedeeld burgerschap beleef je niet aan de zijlijn. Dat is ook de indruk die lezing van de stukken mij geeft. Met deze op-vatting ben ik het eens. Ik ben het er ook mee eens dat integratie eerst en vooral lokaal beleid is en moet zijn. Dat neemt niet weg dat er ook op rijksniveau verantwoordelijkheid wordt gedragen, maar dit wordt eveneens in de stukken aangegeven. Toenadering begint evenwel op straat of op het sportveld. Sprekend over het vraagstuk van in/of aanpassing heb ik ook behoefte om iets te zeggen over de scheiding van kerk en staat. Daarover is al veel gezegd. 
Mevrouw Hirsi Ali (VVD): U vindt dus dat sprake moet zijn van inpassing en niet van aanpassing. Stel nu dat de normen van de nieuwkomer in strijd zijn met de normen van de Nederlandse samenleving. Geldt dan inpassing of aanpassing?
André Rouvoet: Ik begrijp uw vraag. Ik zal daarop straks ingaan, maar ik wil eerst iets zeggen over de scheiding van kerk en staat. U heeft evenwel gelijk dat ik heb gezegd dat inpassing niet hetzelfde is als aanpassing. Als nieuwkomer moet je in alle opzichten Nederlander worden en daar hoort zeker bij de acceptatie van de basiswaarden en de fundamentele normen van onze samenleving. Dat gaat niet zover dat je ook verplicht kunt worden om je bepaalde sociale codes eigen te maken. Dat kan wel heel handig zijn en het vergroot je kansen. Als het echter gaat om verplichtingen, zullen wij die moeten beperken tot de fundamentele waarden en normen waarover wij het in Nederland eens zijn. Dat betekent dat datgene wat in wetgeving is vastgelegd op dezelfde wijze geldt voor nieuwkomers als voor de autochtone burger. Dat zal men moeten accepteren, omdat anders nieuwkomers hun plek in de samenleving niet zullen vinden.
Mevrouw Hirsi Ali (VVD): Dit is niet een antwoord op mijn vraag.
André Rouvoet: Ik doe oprecht mijn best om uw vraag zo goed mogelijk te beantwoorden. 
De voorzitter: Het was inderdaad een antwoord. De heer Rouvoet vervolgt zijn betoog.
André Rouvoet: Voorzitter. Ik wil vervolgens iets zeggen over het onderwerp scheiding van kerk en staat. Dit beginsel, dat ten grondslag ligt aan onze demo-cratische rechtsstaat, wordt alleen in stelling gebracht als bepaalde, uit de hoek van de religie komende geluiden of opvattingen door de meerderheid van onze samenleving niet erg op prijs worden gesteld. Dan wordt gezegd: pas op, de opmerkingen over religie moet je in het publieke debat niet maken, daar moet je elkaar niet mee lastig vallen, want we kennen in Nederland het beginsel van scheiding van kerk en staat. Ik meen dat het geen kwaad kan om in dit debat op de keerzijde van dat beginsel te wijzen. Scheiding van kerk en staat betekent ook dat de Staat, de overheid niet mag treden in de interne zaken van een kerk of moskee. Er is de vrijheid van geloofsleer, de vrijheid van opvatting, de vrijheid van meningsuiting, van overtuiging, van leer en de manier van leven. De vrijheid van godsdienst in de ruime zin van het woord hoort zeker bij de eigenheid van de oude en de nieuwe bewoners van dit land en die mag niet zomaar verloren gaan achter het begrip inburgering, hoe belangrijk dat ook is. Natuurlijk moeten daarbij de grenzen van bijvoorbeeld de strafwet in acht worden genomen, maar op zichzelf is de noodzaak van inburgering en inpassing geen legitimatie om mensen van opvatting te doen veranderen. Ik vind dat het geen kwaad kan om dit te zeggen. De vrijheid van de eigen opvatting is ook terug te vinden in de Grondwet, waarin wordt gesproken over de vrijheid van meningsuiting, de vrijheid van onderwijs enzovoorts.
Voorzitter. Ik vind het zorgelijk dat er steeds vaker weerstand en soms  zelfs weerzin is tegen de Nederlandse cultuur en de rechtsorde. Dat belemmert werkelijke integratie. De brief besteedt daaraan aandacht. Er staat: ’’Met name veel jongeren leven tussen twee culturen, en komen dan in conflict met hun omgeving’’. Dat is een herkenbaar verschijnsel, dat vaak weer tot uitdrukking komt in onwil tot integreren of verzet tegen onderdelen van onze samenleving en rechtsorde, en zelfs in crimineel gedrag. Dat kan variëren van structurele overlast en intimiderend gedrag op straat tot geweld, ook via discriminatie en antisemitisme. Het voorbeeld van de AEL is vaak genoemd. Ik beschouw het toch ook als een demonstratie, een manifestatie van het er niet bij (willen) horen. Wij horen er niet bij, en wij willen er eigenlijk ook niet bij horen, wij willen niet assimileren. Het probleem zit hem niet in het feit dat men niet wil assimileren, want dat willen wel meer minderheden in dit land niet.
Het punt is dat bij deze minderheidsgroep – het gaat niet alleen, maar wel vaak over Marokkaanse jongeren – er risico’s voor de samenleving liggen die elders niet of veel minder aanwezig zijn, namelijk dat er kiemen van actief verzet liggen tegen Nederlandse basiswaar-den en -normen. Daar ligt wel een gevaar. Als ik het een beetje plastisch mag zeggen: een burqa op school is minder onschuldig dan Urker klederdracht op school, in de hoop daarmee duidelijk te maken dat er verschil in expressie van minderheden aanwezig kan zijn, die zeggen: wij willen ons niet in alle opzichten assimileren aan wat de meerderheid hier gewoon vindt, wij hechten ook aan behoud van eigen cultuurelementen.
Antisemitisme is niet alleen een strafrechtelijk vraagstuk, het heeft ook te maken met integratiebeleid. In de stukken kom ik tegen dat er een grote concentratie van Noord-Afrikanen te zien is, dus het is ook een etnisch-cultureel, en dus ook een integratieprobleem. Ik heb soms de indruk dat autochtoon antisemitisme makkelijker wordt aangepakt – het is geen verwijt, maar een constatering – dan allochtoon antisemitisme. Ik heb vaak vragen ge-steld over Palestijnse demonstraties in Nederland, waar soms een zeer intimiderende en be-dreigende sfeer bestaat. Wij weten daar vaak niet goed raad mee. Dat raakt aan de discussie over de AEL, die ik net noemde. Het integratiebeleid gaat niet alleen over discriminatie van minderheden, maar soms ook over discriminatie door minderheden. Dat mag ook wel eens worden gezegd. Ik kom daarop morgen terug. Ik vond het positief dat in juni van dit jaar voor het eerst een OESO-conferentie was gewijd aan het onderwerp antisemitisme. Daarbij werd ook aandacht gegeven aan het feit dat beter onderwijs nodig is over de jodenvervolging, dat met name op zwarte scholen onder druk schijnt te staan. Dat wordt ontkend in de brief van minister Donner van afgelopen vrijdag, maar daarmee ligt het ook op het bord van deze minister.
Ik kom toe aan de brief over het integratiebeleid nieuwe stijl. Terecht wordt een aantal correcties aangebracht op de overwegend negatieve beeldvorming over minderheden. Tegelijkertijd blijft staan dat een te groot deel van de minderhedenbevolking op een te grote afstand van de Nederlandse samenleving staat. Dat staat zo letterlijk in de brief. 
De heer Nawijn (LPF): U had het net over de scheiding van kerk en staat, en de omdraaiing daarvan. De Staat mag zich ook niet bemoeien met de kerk. U hebt het nu over de bestrijding van antisemitisme. Stel dat antisemitisme voorkomt op islamitische scholen, wat vindt u daar dan van? 
André Rouvoet: Met antisemitisme hebben we het over een strafbaar feit, dat snoeihard moet worden aangepakt. Er is pas nog een CIDI-rappport verschenen, met verschrikkelijke voorbeelden van antisemitisme, die je overal kunt vinden, van internet tot de straat. Dat moet worden aangepakt. Vrijheid van onderwijs en vrijheid van godsdienst zijn nooit een legitimatie voor het begaan van strafbare feiten. Het blijft ondertussen waar dat er ook met de correcties op het negatieve beeld nog genoeg problemen zijn, zodat een actief en doordacht integratiebeleid nodig is. Daarbij kan best sprake zijn nieuwe verantwoordelijk-heidsverdelingen, en dat is misschien wel noodzakelijk, maar wij moeten niet doorschieten in het benadrukken van de eigen verantwoordelijkheid van nieuwkomers.
Soms heb ik namelijk de indruk – dat is niet alleen bij dit beleid – dat voor dit kabinet de slagzin van de eigen verantwoordelijkheid als een handige bezuinigingsstrategie wordt gehanteerd, waartegen ik bezwaren heb.
Dat brengt mij bij de drie t’s: toerusting, toenadering en toegankelijkheid. Als uitgangspunten ben ik het daarmee eens. Als toerusten echter direct wordt vertaald als zich toerusten, vind ik dat gevaarlijk. Dat hoort er wel bij, maar daar is het verhaal niet mee klaar. Zich toerusten betreft alleen de eigen verantwoordelijkheid en bij toerusting hebben wij het ook over de verantwoordelijkheid van de Nederlandse samenleving bij het ontvangen van nieuwkomers. De eigen verantwoordelijkheid moet dan ook niet worden overgeaccentueerd.
De paragraaf over de toenadering vond ik in de brief van 16 september het minst con-creet. Er wordt gezegd dat het een tweezijdig proces is en dat er prikkels voor allochtone en autochtone burgers moeten zijn. Welke prikkels voor autochtone burgers had de minister in gedachten? Ik ben die in de stukken niet tegengekomen. Er wordt vooral gesproken over prikkels voor de nieuwkomers om hun plek hier te vinden en toenadering te zoeken, maar soms denk ik, is een toenaderingscursusje voor de autochtone bevolking niet zo gek, naast een inburgeringscursus aan de andere kant.
Als het gaat om de toegankelijkheid schrijft de minister dat de allochtone, eigen instel-lingen moeten worden ontmoedigd. Ik wil echter een waarschuwing plaatsen, want niet iedere eigen organisatie is per definitie een belemmering voor de integratie. Die kant gaan de ge-dachten soms wel te veel op. De keren dat ik met de Kamer op buitenlands bezoek was, kwam ik ook wel eens een Hollandhuis tegen. Dat is een gezellig verschijnsel, maar dat is niet per definitie een belemmering voor de Nederlanders om daar hun plek in de samenleving te vinden. Het kan dus ook een nuttig effect hebben. Ik ben het wel eens met het tegengaan van cultivering van bijvoorbeeld de eigen taal. De minister schrijft dat zij de toegankelijkheid tot stand wil brengen via het participatie- en remigratiebeleid. Wat gebeurt er dan vervolgens met het remigratiebeleid?
De remigratiewet wordt ingetrokken. Hoe dat bijdraagt aan een verbetering van de toe-gankelijkheid van de Nederlandse samenleving vermag ik niet in te zien. Ik krijg daar graag een toelichting op. Mij lijkt een voortzetting van de tijdelijke stimuleringsmaatregel meer voor de hand te liggen. Dat is het enige dat er staat in de paragraaf over maatschappelijke participatie en die loopt nu juist in principe per 1 januari a.s. af.
Ik zie dat ik moet gaan afronden. Ik zal mij niet over de orde van deze dag uitlaten, maar het zou niet fair zijn om de schade die vanmorgen is opgelopen, met drie sprekers in de hele ochtend, nu in te willen halen. Ik doe echter mijn best. Ik krijg graag een toelichting op hetgeen de minister schrijft over de bijdrage van etnisch ondernemen aan de leefbaarheid van de wijk. Misschien ben ik het er wel mee eens, maar als ik dat leg naast de opmerking dat eigen identiteit niet gecultiveerd mag worden en eigen organisaties ontmoedigd moeten worden, begrijp ik niet goed hoe de minister dat ziet. Ik krijg daar graag een nadere toelichting op. 
Over criminaliteit kan ik kort zijn. Er moet sprake zijn van een strakke aanpak. Mevrouw Kant heeft een aantal trefwoorden gegeven waar ik mij in kan vinden. Qua prin-cipes mag er geen andere benadering zijn dan van andere vormen van criminaliteit, maar in de vormgeving kunnen er wel veranderingen worden aangebracht. Ik denk aan het nadrukkelijk betrekken van de ouders of de omgeving bij een aanpak. Wij zullen morgen bij de behande-ling van de begroting van Justitie aanvullende voorstellen doen voor die stelselmatige overlast, die overigens niet alleen een probleem van allochtone jongeren is, maar ze zijn er vaak wel bij betrokken.
In het stuk staan ook een aantal vage voornemens die ik niet zo goed begrijp, zoals het stimuleren van interculturalisatie in het personeelsbeleid in ondernemingen. Daarvoor zullen instrumenten ontwikkeld worden. Ik ben razend benieuwd aan wat voor instrumenten de minister dan denkt. Verder heeft zij het over prestatie-indicatoren voor de vertaling van het integratiebeleid op het terrein van onder andere de vrijetijdsbesteding. Wat de minister precies wil gaan meten aan prestaties bij vrijetijdsbesteding, weet ik niet. Zij is vreselijk ambitieus, maar ik vraag mij af of de overheid zich hier niet overschat. Hier graag iets meer nuchterheid en zakelijkheid, die ik in het begin zo bij haar geprezen heb.
Door de bank gekomen gaan wij akkoord met wat is opgenoemd over vernieuwing van de inburgering: starten in het land van herkomst, een eigen bijdrage, examen en doorbreken van gedwongen winkelnering bij de ROC’s. In principe gaan wij akkoord met de richting van de meeste voorstellen. Over de uitwerking zullen wij zeker nog spreken. Dat zal ook tot wijziging van onder andere de Vreemdelingenwet moeten leiden, bijvoorbeeld als er een nieuw element wordt toegevoegd aan de criteria op grond waarvan iemand een permanente status kan krijgen. Dat zal zeker een wijziging van de Vreemdelingenwet met zich brengen. We zullen daar kritisch naar kijken en elkaar op dat punt in de toekomst zeker ontmoeten. We zullen datgene wat nu in de Vreemdelingenwet is vastgelegd, niet zo gemakkelijk prijsgeven.
Voorzitter. Er wordt terecht aandacht besteed aan de inburgering van oudkomers in achterstandsposities. Ik waag op dit moment te betwijfelen of dat op eigen kosten moet gebeuren. Ik kan het met de zin dat er aandacht moet zijn voor de positie van oudkomers in achterstandsposities volledig eens zijn. Maar als er vervolgens staat: binnen de mogelijkheden van de budgettaire kaders, dan weet ik het wel.

« Terug

Nieuwsarchief > 2003

december

november

oktober

september

augustus

juli

juni

mei

april

maart

februari

januari