Wetgevingsoverleg Wijziging Penitentiaire beginselenwet – stelselmatige daders

maandag 01 december 2003 18:14

André Rouvoet: Voorzitter. Het is onmiskenbaar – een aantal spre-kers heeft er ook op gewezen – dat de aanpak van de criminaliteit eigenlijk een voortdurende bezinning op het instrumentarium vergt. Ook nieuwe instrumenten moet je overwegen. Je moet voortdurend bekijken of bestaande instrumenten wel goed worden benut. Dat is ook een beetje de achtergrond van het onderhavige wetsvoorstel. Het is een nieuw instrument, maar er is ook kritiek op de benutting van het bestaande instrumentarium. De criminaliteit is om-vangrijk. Met de bestaande middelen zijn wij er tot nu toe niet voldoende in geslaagd om de criminaliteit adequaat terug te dringen. De resultaten zijn in sommige opzichten nog niet om over naar huis te schrijven. Alleen al dat wij spreken over ’’draaideurcriminelen’’ betekent dat er iets fout zit. Wij krijgen daar de vingers nog niet achter. Daarom is de fractie van de ChristenUnie voortdurend bereid met een zekere welwillendheid naar nieuwe instrumenten en nieuwe wetsvoorstellen te kijken. Ik herinner mij het debat van de vorige week over het meer-persoons cellengebruik en andere voorstellen. Ook als voorstellen op het eerste oog opzien-barend of onorthodox lijken, zeggen wij niet op voorhand ’’nee’’. Wij zien het probleem van de criminaliteit terdege.

Ik zeg er meteen bij dat niet alles acceptabel is omdat de criminaliteit een probleem is. Wij houden de grenzen van strafrecht en strafvordering graag netjes geregeld. Ik heb daar een iets andere insteek dan de heer Wolfsen, die over volstrekt overbodig spreekt. Hij heeft veel vragen, maar hij steunt de minister op voorhand van harte. Dat wil ik maar niet doen, omdat ik zoveel vragen heb. Ik zal er straks een aantal stellen. Een belangrijke overweging is dat wij midden in een discussie over het sanctierecht zitten. Dat wordt op tal van punten aange-scherpt. Regimes worden versoberd. Er komt meerpersoons cellengebruik. Het wordt allemaal strenger, steviger en fermer. Ik gebruik bewust die positieve woorden, omdat ik dat op zichzelf een goede ontwikkeling vind. Op een aantal punten mag het steviger. Wij zijn de tolerantie, ook bij lichtere overlast veroorzakende vormen van criminaliteit, wel voorbij. Ik heb de vorige week in het andere wetgevingsoverleg, over meerpersoons cellengebruik, opgemerkt dat wij moeten oppassen dat wij – ik heb een hekel aan de term werkende weg – al doende, als het ware sluipenderwijs, de centrale doelstelling van het strafrecht, die wij iedere keer samen bevestigen, ondergraven. Het gaat daar om vergelding, generale en specifieke preventie en ook resocialisatie. Dat blijft voor mijn fractie een belangrijke doelstelling van het strafrecht. Ik zeg dat juist bij dit wetsvoorstel met enige nadruk, omdat in de stukken regelmatig naar voren komt dat er groepen daders zijn waar werkelijk niks meer mee valt te beginnen, ook niet met meer preventief gerichte maatregelen. Ook penitentiaire programma’s hebben nauwelijks zin. Die veelplegers wacht eigenlijk niets anders dan kale opsluiting; mevrouw Vos heeft er ook een aantal woorden aan gewijd. Ik heb enige zorg dat wij dit net iets te makkelijk zeggen. Ik begrijp het probleem wel en ik zie ook wel hoe hardnekkig het probleem bij juist deze groep is, maar wij mogen er niet te makkelijk in berusten dat wij mensen alleen nog maar kunnen opsluiten, zonder enig uitzicht op resocialisatie. Ook in het belang van de samenleving moeten wij voortdurend blijven werken aan resocialisatie, juist omdat vermindering van recidive ook belangrijk is bij preventie.
 
In het kader van dit wetsvoorstel is deze vraag ook nog om een andere reden van belang, want er staat in artikel 38m expliciet dat de maatregel gericht is op bee¨ indiging van de recidive. Deze bepaling is toch niet zinvol als er kennelijk van tevoren al rekening mee wordt gehouden dat voor een omvangrijke groep eigenlijk alleen kale opsluiting overblijft? Dan komt deze bepaling toch wel in een ander daglicht te staan. In de nota naar aanleiding van het verslag wordt het RISKhandelingsdiagnostiekinstrument toegelicht. Dit moge een waardevol instrument zijn, maar als bij de toepassing daarvan blijkt dat bepaalde veelplegers niet vatbaar zijn voor interventies, kun je daar dan wel zonder meer in berusten? Bij het voorkomen van recidive en bij resocialisatie past een traject in een inrichting, maar ook daarna. Het is goed dat hierop wordt ingegaan. Er worden met de steden op dit punt optimale afspraken gemaakt over huisvesting, zorg, arbeid en inkomen.

De gemeenten kunnen hier niet alleen voor zorgen, er zijn ook anderen bij nodig. Ik denk bijvoorbeeld aan hier al veel besproken stichtingen als Exodus en Ontmoeting, maar er zijn ook andere instellingen op dit terrein werkzaam. Graag meer informatie over de ’’nazorg’’, want die lijkt mij essentieel om veelplegers ook na de detentie goed in het oog te kunnen houden.
Voorzitter. Ik vind dit eigenlijk wel een merkwaardig wetsvoorstel, al voel ik wel aan wat de doelstellingen zijn. Ik heb zo’n zes redenen opgeschreven waarom ik dit een raar wetsvoorstel vind. Net als anderen vind ik dat er al heel veel mogelijk is,  maar er staat in de stukken met zoveel woorden dat rechters niet bereid zijn om veelplegers een langdurige celstraf op te leggen. Nu is het de vraag of het indienen van een wetsvoorstel het meest geschikte instrument is om rechters duidelijk te maken dat zij het bestaande instrumentarium beter zouden kunnen gebruiken. Er moeten toch nog andere mogelijkheden zijn, al erken ik natuurlijk dat rechters onafhankelijk zijn. Maar het is de vraag of de wetgever deze kant op zou moeten gaan. Verder wordt er gesproken van duizend specifieke plaatsen, maar er staat in de nota naar aanleiding van het verslag ook dat het niet beperkt zal blijven tot deze plaatsen en dat er bij de opsluiting van veelplegers ook gebruik kan worden gemaakt van de reguliere capaciteit. Ik vraag me dan ook af wat de verhouding is tussen specifieke plaatsen in een ISDinrichting of -afdeling en de reguliere capaciteit. Zijn die plaatsen dan wel zo specifiek?

De SOV wordt in de nieuwe regeling geý¨ncorporeerd; met andere woorden, het bereik van de SOV wordt verruimd tot buiten de aan harddrugs verslaafden. Het is een veral-gemenisering van de werking van de SOV-maatregel, maar anders dan in de debatten over die maatregel weten wij nu eigenlijk nog helemaal niets over de programma’s die erbij behoren, alleen dat ze er wel degelijk zullen komen. Ik vind dit wel een punt van zorg, want het was bij de discussie over de SOVmaatregel een behoorlijk punt: een verdeling in drieën met als basis de resocialisatiegedachte. Nu weten wij eigenlijk alleen maar dat er naast de SOV-programma’s voor de nietverslaafden nog andere programma’s, behandelingstrajecten zullen komen. Overigens is het wel interessant om te lezen dat de minister onderscheid maakt tussen verslaafden, niet-verslaafden en overigen. Misschien kan hij dit nog even uitleggen.

Een vierde reden waarom ik het een raar wetsvoorstel vind, is dat er voor een grote groep alleen nog kale opsluiting overblijft, omdat voor die groep een behandelingstraject niet zinvol wordt geacht. Ik sluit mij wat dit betreft aan bij de vragen van de heer Wolfsen. Als behandeling niet zinvol is, is die straf van twee jaar eigenlijk een beetje raar. Het wordt dan een gewone vrijheidsstraf, van een maand of twee maanden. Het is dan eigenlijk niet meer de maatregel die bedoeld is om behandeling mogelijk te maken, zodat de recidive beëindigd kan worden. De parallel met de SOV gaat dan in ieder geval niet meer op. De vraag is of de rechter de duur van de maatregel niet sterk zal afstemmen op de duur van de vrijheidsstraf die op dit moment al aan veelplegers wordt opgelegd. Dat lijkt mij niet de bedoeling. Dan komt eigenlijk de vraag op of je niet, als consequentie, een soort minimumduur van de ISD-maat-regel zult moeten aangeven.

In het systeem zit het wel een beetje ingebakken. Als je het helemaal openlaat en er wordt bijvoorbeeld een maand gevorderd en opgelegd, dan spoort het weer met de reden waarom wij de ISD-maatregel invoeren in het Wetboek van Strafrecht. Dan is het toch eigenlijk een soort minimumduur en dat zou moeten worden vastgelegd in het systeem van de wet. Lopen wij anders niet het risico dat wij bij een vrijheidsstraf terechtkomen?

Ik kom bij een volgend punt. Het is een nieuwe maatregel in het Wetboek van Strafrecht, maar door de toevoeging ’’op vordering van het openbaar ministerie’’ wordt het gewoon beperkt tot de vier grote steden. Dat is de bedoeling, zo heb ik begrepen, van deze toevoeging. De consequentie daarvan is dat als er in Groningen een veelpleger voor de rechter wordt gehaald, het Groningse OM het niet zal vorderen. Ik zie namelijk niet in hoe je anders de werking van de maatregel, die in algemene zin in het wetboek wordt opgenomen, kunt beperken tot de vier grote steden. Ik vind het een rare redenering en daarom hebben wij een amendement ingediend om de toevoeging ’’op vordering van het openbaar ministerie’’ eruit te halen. Ik vind dat ook in Groningen, of waar dan ook, iemand de maatregel opgelegd moet kunnen krijgen. Het is een beetje een instrumenteel gebruik van het Wetboek van Strafvor-dering, als wij via de vordering van het OM, waar wij wel greep op kunnen krijgen, de rechter in andere dan de vier grote steden verhinderen om iemand die maatregel op te leggen.

Dat vind ik een rare manier van omgaan met ons strafrecht. Mijn laatste punt, daar waar het gaat om de merkwaardigheid van dit wetsvoorstel, betreft het volgende. Om de veralgemenisering van de SOV te bereiken, wordt de regeling van de voorlopige hechtenis aangepast – de artikelen 67 en 67a – om zodoende een bepaalde groep veelplegers, binnen het bereik van de ISD te brengen. Dan schrijft de minister in zijn memorie van toelichting: er is geen grond voor vrees dat uitbreiding zal leiden tot onnodige of disproportionele toepassing van voorlopige hechtenis, dwangmiddelen en maatregelen ten aanzien van verdachten van mishandeling en beschadiging. Dat vind ik ook een merkwaardige redenering. De deur wordt op een kier gezet om voorlopige hechtenis algemener toe te passen en dan zegt de minister: wij zetten de deur open, maar wij gaan ervan uit dat niemand daar doorheen zal gaan. Ook dat is een instrumenteel of een pragmatisch gebruik van het strafrecht.

Ter afsluiting maak ik drie korte opmerkingen. Dit betreft in de eerste plaats de ASBO- en de ABCmaatregelen.
Ik heb daarover gesproken bij de begroting van Justitie: het betreft de Engelse maatregelen die nodig zijn om asociaal gedrag aan te pakken. Ik ga er nu niet uitvoerig over spreken; ik heb een notitie daarover het licht doen zien. Er komt een brief, want die hebben wij nog te goed van de minister. Ik vraag hem wanneer deze brief ongeveer zal komen. Ik ben het ermee eens dat dit een andere doelgroep betreft dan dit wetsvoorstel. Dat is de reden waarom wij het voorstel hebben gedaan, want het heeft een toegevoegde waarde, ook ten opzichte van de ISD. Overigens zijn ISD en ASBO beide gebaseerd op een persoonsgerichte in plaats van een zaaksgerichte benadering. Dat is de overeenkomst. Ook daarvan mag echter gezegd worden dat er aan de persoonsgerichte benadering binnen het strafrecht wel grenzen zijn, juist vanwege het nondiscriminatoire karakter van het strafrecht. Je kunt het niet te veel toesnijden op de persoon die toevallig achter het hekje staat.

In de nota naar aanleiding van verslag lees ik op blz. 7 dat het wetsvoorstel in beginsel niet van toepassing is op ’’meerplegers’’ – hier staat dus niet: veelplegers – met tussen de twee en de 11 antecedenten. Hoe moet ik ’’in beginsel’’ verstaan? Is het wel mogelijk of is het eigenlijk uitgesloten? Ik meen dat dit werd gesteld naar aanleiding van een vraag van de SGP-fractie en ik verkrijg er graag een toelichting op.

Mijn laatste opmerking is een technische en tekent ook een beetje het karakter van dit wetsvoorstel. Bij de nota van wijziging is artikel 38m, vierde lid, gewijzigd. Het betreft het deskundigenrapport van de gedragsdeskundige. Echter, in het vijfde lid is dit blijven staan. Misschien moet de minister dit nog aanpassen; ik heb er geen amendement op ingediend.

De heer Jager (CDA): De heer Rouvoet pleit op een gegeven moment voor een minimumperiode, maar ik weet niet of hij dat zo bedoeld heeft: men zou binnen een periode van maximaal twee jaar iemand de maatregel moeten opleggen. Bedoelt hij daarmee dat men dit minimaal zou moeten koppelen aan een bepaalde behandelingsduur? Het is immers persoonsgericht. Als hij voorstander is van een soort van minimumstraf, wat ik daarin een beetje bespeur, is het dan nog wel voldoende persoonsgericht?

André Rouvoet: Ik ben geen voorstander van minimumstraffen. Dat ben ik al heel lang niet en dat word ik ook vandaag niet. Wij spreken nu over een maatregel. Er wordt een grens van twee jaar gehanteerd waardoor behandeling mogelijk wordt. Voor een bepaalde groep is echter geen behandeling mogelijk. Iemand kan ook een maand of zelfs een dag opgelegd krijgen, al schat ik in dat dit niet snel zal gebeuren. Voor een beperkte periode is behandeling niet mogelijk. Wil de ISD aan haar doel beantwoorden, dan moet je in het systeem dat de minister nu voorstelt aan een ondergrens denken om die behandeling opportuun te maken. Dat moet je dan in het wetsvoorstel verankeren. Dat is iets anders dan een minimumstraf.

De heer Wolfsen (PvdA): Wij zijn kritisch positief, de heer Rouvoet is kritisch nega-tief. Hij wil eerst die vragen beantwoord zien en dan stemt hij pas voor. Ik wil hem toch tot een secundair standpunt verleiden. Met de heer Jager vind ik dat de maatregel alleen mag worden gebruikt als er een goed en adequaat plan ligt. Het gebruik van een lege maatregel zal dus niet plaatsvinden, als de meerderheid van de Kamer dat niet wil. De heer Rouvoet zegt te-recht dat de rechter bij een lege maatregel aansluiting zal zoeken bij de straf; dan heeft het geen zin. Waarom zegt hij niet: als de wet wordt aangenomen, schaar ik mij achter de meer-derheid dat de maatregel alleen mag worden gebruikt als er een adequaat behandelplan onder ligt? De rechter legt namelijk in de praktijk vaak twee jaar op, omdat er een mooi plan onder ligt.

André Rouvoet: De heer Wolfsen heeft vast goed geluisterd. Ik heb het impliciet gezegd. Ik heb hem zelfs geïnterrumpeerd – het is grappig dat ik hem nu terugkrijg – en gevraagd of hij niet vindt dat wij inzicht moeten hebben in die andere dan SOVbehandelprogramma’s voordat wij met het wetsvoorstel kunnen instemmen. Ik vind het raar dat de Kamer als medewetgever instemt met een maatregel waarover wij toch vrij breed veel vragen hebben om te voorkomen dat wij het signaal afgeven dat wij de minister niet steunen in zijn aanpak van de criminaliteit, terwijl wij geen flauw benul hebben welke programma’s eronder liggen. Ik vind dan ook dat wij meer zicht moeten hebben op de programma’s. Wat mij betreft, is het echt open of ik het met het wetsvoorstel instem. De minister heeft meer overtuigingskracht nodig dan vorige week om mij voor te laten stemmen.

Mevrouw Griffith (VVD): Ik begrijp dat de heer Rouvoet tegen minimumstraffen is. Dat zijn wij ook. Ik sprak net over een rekwireerbeleid, waarover hij mij een vraag stelde. Zou dat tegemoet komen aan zijn zorg?

André Rouvoet: Nee, daarom heb ik juist gezegd dat je, in het systeem van deze maatregel redenerend, het bijna in de maatregel zelf moet opnemen om te voorkomen dat je tegen het OM moet zeggen: het is wel persoonsgericht, maar denk erom, bij vijf winkeldiefstallen dit en bij twaalf overvallen dat. Ik heb geen behoefte aan zo’n lijstje. Als het echt een behandeling moet dienen, zul je een minimumduur van de maatregel in het wetsvoorstel zelf moeten opnemen. Ik heb daarvoor overigens nog geen voorstel ingediend, maar wacht de reactie van de minister af.
 

« Terug

Reacties op 'Wetgevingsoverleg Wijziging Penitentiaire beginselenwet – stelselmatige daders'

Geen berichten gevonden

Log in om te kunnen reageren op nieuwsberichten.

Nieuwsarchief > 2003

december

november

oktober

september

augustus

juli

juni

mei

april

maart

februari

januari