Bijdrage debat Algemeen kader herziening Wetboek van Starfvordering

woensdag 04 februari 2004 21:21

De heer Rouvoet (ChristenUnie): Voorzitter. Dit is een hoofdlijnendebat over een al-gemeen kader herziening Wetboek van Strafvordering. Daarom beperk ik mij tot de hoofdlijnen. Ik zal vooral ingaan op een aantal punten die ik misschien wat hapsnap uit de brief van de minister heb gepikt. In deze brief geeft de minister zijn reactie op hoofdlijnen op de rich-ting waarin de herziening op onderdelen van het Wetboek van Strafvordering volgens het kabinet moet gaan naar aanleiding van het onderzoek van de hoogleraren Knigge en Groen-huijsen. Ik sluit mij aan bij collega Wolfsen en anderen die hun waardering hebben uitge-sproken voor het vele werk dat al is verricht in het kader van het project Strafvordering 2001.
 
Het kabinet kiest voor een herziening op onderdelen van het Wetboek van Strafvordering, in plaats van een volledige herziening  van het wetboek. Dat zou te omvangrijk zijn en te veel werk kosten. Tegelijkertijd geeft de minister aan dat die gedeeltelijke herziening waarschijnlijk eveneens meerdere kabinetsperioden zal doorlopen. Ik vroeg mij daarom in gemoede af waarom dan niet wordt gekozen voor een algehele herziening.
 
Het element tijdwinst lijkt minder zwaar te wegen in de visie van het kabinet zelf. Voor de bevordering van de eenheid, eenvoud en de samenhang van een Wetboek van Strafvordering zou het goed zijn om het in één keer goed aan te pakken en het hele wetboek op de schop te nemen. Het is niet ondenkbaar dat de lappendeken – een term die in de stukken voorkomt – die nu bestaat, daardoor niet wordt weggenomen. Het valt niet te voorzien dat het nog erger zal worden, maar het is niet uitgesloten.
Als je op onderdelen tot een ingrijpende herziening gaat komen, dan loop je de kans dat de samenhang wegdrijft. Waarom niet gewoon een nieuwe deken aangeschaft, in plaats van de oude lappendeken deels te herstellen en op te lappen? Het blijft dan een lappendeken. Graag een reactie van de minister op die gedachtegang, want het kan zinnig zijn hierover te spreken tijdens een hoofdlijnendebat, vóórdat wij straks afzonderlijke voorstellen inhoudelijk gaan bespreken.
 
Het valt mij op dat de minister aangeeft dat de onderzoekers op een aantal terreinen voorstellen hebben gedaan, die ook worden beschreven, terwijl in de notitie vooral de nadruk ligt op de herstructurering van het voorbereidend onderzoek. Dit is een apart hoofdstuk in de brief van de minister. Het is mijn fractie niet helemaal duidelijk waarom zo nadrukkelijk de prioriteit bij die herstructurering wordt gelegd. Valt er nog, zo vraag ik de minister, een nadere notitie van zijn kant te verwachten over de andere onderwerpen die in de voorstellen van de hoogleraren aan de orde komen en wanneer dan? Voorbeelden van dergelijke voor-stellen zijn de uitbreiding en inbedding van de regeling voor buitengerechtelijke afdoening van overtredingen en lichtere misdrijven of de aanpassing van de regeling van de betekeningsvoorschriften.
 
Ik kom nu te spreken over het wegen van alle bij het strafproces betrokken belangen. Dat is een belangrijke kwestie, omdat de wijzigingen die je wilt aanbrengen daar altijd aan raken. Hierop is tijdens interruptiedebatjes al enigszins ingegaan. Wijzigingen kunnen betrekking hebben op de positie van het slachtoffer, de getuige, de verdachte of rechtshandhaving en waarheidsvinding in het algemeen. Dat zijn allemaal relevante belangen die gewogen moeten worden. De minister schrijft dat het streven naar een maatschappelijke acceptatie van een strafrechtelijke uitspraak een factor van betekenis is bij de afweging van die betrokken belangen bij een uitspraak.
 
Ik begrijp wel wat de minister bedoelt, maar aan de andere kant wil ik er de vinger bij leggen dat maatschappelijke acceptatie niet alleen afhangt van factoren als de weging van belangen en de vraag of dit op een goede manier wordt gedaan. Er zijn ook een heleboel factoren die met het strafproces weinig te maken hebben maar die voor de maatschappelijke acceptatie zeer van belang zijn. Ik wijs bijvoorbeeld op de rol van de media. Ik denk dat het belangrijk is ons te realiseren dat wij met alleen een verschuiving in de balans bij de weging van belangen nog niet automatisch bijdragen tot een betere acceptatie van uitspraken van rechters in concrete situaties. Dat is namelijk maar beperkt stuurbaar. Niettemin onderschrijf ik het belang van een heroverweging in de zin van: hebben wij de belangen goed tegen elkaar afgewogen? Het is per slot van rekening een wetboek uit 1926: bepaalde actoren komen nauwelijks in dit wetboek voor, terwijl de maatschappelijke praktijk en de rechtspraktijk die al wel laten zien. Wij moeten dus opnieuw de balans gaan zoeken. Het gaat dan over de getuige, de verdachte, het slachtoffer en degene om wiens medewerking wordt verzocht, alsmede het belang van het onderzoek en de opsporing.
 
Het is waar dat in de maatschappelijke discussie deze belangenafweging lang niet altijd als evenwichtig wordt ervaren. Dat kan zich met name op twee punten toespitsen en dat gebeurde in dit debat ook al even, namelijk de rechten van de verdachte en bijvoorbeeld de positie van het slachtoffer. Met name de positie van het slachtoffer in het strafproces is al langere tijd onderwerp van discussie. Het kan voorkomen dat het slachtoffer noch de plaats, noch de tijd weet van het proces tegen de verdachte. Inmiddels is er in de praktijk in de achter-liggende jaren een kentering op gang gekomen, waarbij het slachtoffer in een aantal gevallen al meer mogelijkheden heeft dan hem rechtens zijn toegekend. Ik vind het terecht dat wij bij een herziening op onderdelen, waarbij wij het Wetboek van Strafvordering tegen het licht houden, de ontstane praktijk codificeren. Het primaat hoort immers bij de wetgever te liggen.
 
Overigens moet je niet iedere ontwikkeling in de samenleving volautomatisch in wetgeving vastleggen. Integendeel, mijn fractie is er voorstander van dat de wetgever soms voet bij stuk houdt en zegt: zo willen wij het nu eenmaal niet geregeld hebben. Je moet dan gewoonweg de wet handhaven en niet aanpassen. Bij dit soort ontwikkelingen is het echter goed om dat te laten doorwerken, omdat de verhoudingen in het strafproces nu eenmaal gewijzigd zijn en de rol van het slachtoffer inderdaad lange tijd onderbelicht is gebleven.
 
Het tweede punt hierbij betreft de discussie over de privacy, de rechten van de ver-dachte. Ik heb daar een aantal keren collega Van Haersma Buma op geïnterrumpeerd, omdat ik dit een afzonderlijk belang vind. Ik deel overigens de observatie van degenen die zeggen dat wij in de achterliggende decennia te veel de focus hebben gericht op de rechten van de verdachte en dat ook op dat punt een heroverweging, een bezinning, legitiem is: is dat een goede balans geweest of zijn daardoor andere belangen in het gedrang gekomen? Die afwe-ging maakt mijn fractie ook bij concrete wetsvoorstellen die in dit huis behandeld worden. Ik vind dat terecht, omdat je niet op voorhand kunt zeggen: dat kunnen wij niet doen of die methode kunnen wij niet toepassen, want de privacy belemmert dat. Als dat de strekking van de opmerking van de CDA-fractie is geweest, deel ik dit.
 
Privacy is een belangrijk grond-recht, maar grondrechten zijn bij wet in te perken. Dat doen wij ook regelmatig. Iedere wet-geving die wij hier tot stand brengen, heeft ook zijn effect op grondrechten. Geen enkel grondrecht is absoluut. Waar ik echter voor wil waarschuwen, is dat wij te gemakkelijk spre-ken over privacy in de zin van: die tijd hebben wij gehad en wij moeten nu aan de andere kant van het bootje gaan hangen, waarbij wij dan te gemakkelijk de privacy terzijde schuiven. De redenering daarbij is: die fase van privacybescherming hebben wij achter de rug en het gaat nu om het  beschermen van de samenleving. Daarvan zeg ik: ook in een veranderde balans blijft het van belang om in de gaten te houden dat privacy een grondrecht is dat bescherming behoeft en waar ook aanspraak op gemaakt kan worden door de verdachte in een strafproces.
 
Immers, het belang van de rechtsstaat is ook gelegen in het voorkómen dat wij, doordat wij zo graag de veiligheid willen handhaven en de samenleving willen beschermen tegen criminaliteit, het risico lopen de verkeerde mensen achter de dikke deur te krijgen. Ik blijf daarom hechten aan een goed zicht op de rechten van de verdachte. Privacy is daar een onderdeel van, maar de balans mag wat mij betreft opnieuw tegen het licht worden gehouden. Dat doen wij ook regelmatig met alle wetsvoorstellen en dat zal ook hier aan de orde komen. Ik wilde dit gezegd hebben, omdat ik misverstanden zou willen vermijden over eenzijdigheden die ik ook bij andere collega’s niet graag vooronderstel. Ik heb geen behoefte aan vierkante stellingen over grondrechten die zouden hebben afgedaan. Als de discussie in die richting gaat, plaats ik daar graag een kanttekening bij.
 
De onderzoekers constateren een verschuiving van het zwaartepunt van het gerechtelijk vooronderzoek naar het voorbereidend onderzoek onder leiding van de officier van justitie. De rol van het openbaar ministerie komt dan in beeld. Dat betekent dat de rol van de offi-cier van justitie van groter belang wordt en die van rechter-commissaris van minder belang. De minister neemt niet de conclusie van de onderzoekers over dat dit kan leiden tot ophef-fing van het onderscheid tussen het gerechtelijk vooronderzoek en het voorbereidend onderzoek. Dat is wel te betreuren. Mijn fractie staat daar opener tegenover. Ik zie daar meer mogelijkheden dan de minister lijkt te zien. Het zou het strafproces in ieder geval aanzienlijk ver-eenvoudigen, terwijl de rechtercommissaris wel een soort toezichthoudende en controlerende functie houdt. Ik wijs in dit verband op de voorpostrechter en de machtigingsrechter. Ik denk dat daar meer mogelijkheden liggen dan uit de notitie van de regering naar voren komt. Ik zou dat niet meteen willen uitsluiten. Het voorstel van de onderzoekers is immers behoorlijk beargumenteerd op dat punt. Ik zie daarvoor wel ruimte en zou die discussie graag willen openhouden.
 
De heer Wolfsen (PvdA): Ik vind u wat voorzichtig over de gedachte van het afschaffen van het GVO, mijnheer Rouvoet. Ik vind uw gedachten sympathiek, maar ik zou verder willen gaan en gewoon zeggen: minister, probeer te bewerkstelligen dat het GVO wordt afgeschaft, dat die voorstellen worden overgenomen.
 
De heer Rouvoet (ChristenUnie): Als ik net heb uitgesproken dat ik een hekel heb aan vierkante stellingen, dan moet ik de volgende passage niet zeggen: afschaffen die hap! Laten wij het maar daarop houden.
 
Ik wil er wel iets meer over zeggen. Ik had het niet gek gevonden als de minister had gezegd dat hij het een zinnig voorstel vond, maar dat hij wel bepaalde haken en ogen ziet en er nog eens over wil nadenken. De minister neemt dit voorstel echter niet over. Dat vind ik jammer omdat ik wel mogelijkheden zie en meen dat het een aanmerkelijke versimpeling zou betekenen zonder dat wij de rechtswaarborgen kwijt hoeven te raken. Ik had liever gezien dat de minister iets voorzichtiger was geweest en dat heb ik met de van mij bekende voorzichtigheid geprobeerd uit te drukken, collega Wolfsen.
 
Mijn fractie kan zich vinden in het driesporenmodel. Ik heb een beetje aarzeling of het onderscheid tussen het eerste en het tweede spoor wel heel helder is. De minister spreekt over een gradueel verschil. Ik denk dat dit waar is. Het veronderstelt een driedeling die op het punt van het eerste en het tweede spoor heel dun zal zijn. Ik vind dat niet zo heel erg. Ik vraag de minister wel waar dit toe leidt. De minister is positief over het driesporenmodel. Waar zal dat in de voorstellen uiteindelijk toe leiden? Overigens ben ik het met de minister eens dat het meer een instrument is dan een fundamenteel beginsel.
 
De minister schrijft over de herschikking van taken en bevoegdheden in het voorbereidend onderzoek en wijst op de kernprofielen. Ik heb wel behoefte aan meer greep op wat er nu bedoeld wordt met die kernprofielen, bijvoorbeeld van het slachtoffer. Kan de minister indicatief aangeven waaraan hij denkt bij kernprofielen van de verschillende deelnemers en actoren in het strafproces?

« Terug

Reacties op 'Bijdrage debat Algemeen kader herziening Wetboek van Starfvordering'

Geen berichten gevonden

Log in om te kunnen reageren op nieuwsberichten.

Nieuwsarchief > 2004

december

november

oktober

september

augustus

juli

juni

mei

april

maart

februari

januari