Bijdrage debat Al Tawheed Moskee Amsterdam

woensdag 28 april 2004 14:51

De heer Rouvoet (ChristenUnie): Voorzitter. Dit is een debat over een moskee en een boek, maar het is ook een debat over grondrechten, zoals de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van godsdienst, de grenzen ervan, en de botsing met andere grondrechten. Dat is altijd spannend. Om die reden zal dit debat op kousenvoeten moeten worden gevoerd. Het principe van mijn fractie is dat grondrechten niet absoluut zijn. Dat is overigens altijd onze benadering geweest. Er kunnen beperkingen aan worden gesteld via de wet. Zo staat het althans in onze Grondwet. De vrijheid van godsdienst, de vrijheid van meningsuiting en andere klassieke grondrechten zijn geformuleerd met de toevoeging: "behoudens ieders ver-antwoordelijkheid voor de wet". Als wij spreken over beperkingen, namelijk de grenzen van grondrechten, dan luistert het nauw. Ook dat is zorgvuldig geformuleerd, zowel in de brief als in de Grondwet en in de jurisprudentie. Dat is in een democratische samenleving noodzakelijk met het oog op bepaalde zorgvuldig geformuleerde belangen. Die staan niet voor niets onder meer in de Grondwet. Ik doel op de belangen van openbare veiligheid, openbare orde, gezondheid, goede zeden en de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.
 
Die kunnen allemaal van toepassing zijn. Zij behoren allemaal tot het afwegingskader dat moet worden betrokken bij een gesprek over het spannende terrein van eventueel noodza-kelijke beperkingen van en wettelijke grenzen aan grondrechten. In de brief van de minister staat ook dat dit nauw luistert in het kader van de vrijheid van meningsuiting, zeker als het op-vattingen betreft die samenhangen met religieuze overtuigingen. Het maakt nogal verschil of je het over willekeurige opvattingen hebt, heilige boeken of een exegese daarvan, een theolo-gisch discours, een handleiding voor het leven van iedere dag of een instructie voor hoe van-daag de dag te handelen. Ik hecht eraan te benadrukken dat de vrijheid van godsdienst en de vrijheid van meningsuiting geen vrijbrief bieden om onder de vlag van religie van alles naar believen op te schrijven, te zeggen of te propageren in een theologisch discours of een heilig boek.

Alles moet zorgvuldig worden afgewogen voordat de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van drukpers kunnen worden ingeperkt doro het verbieden van een boek. Ik ben het met collega Wilders en anderen eens die hebben gezegd dat er geen sprake kan zijn van een politiek verbod op een boek, opgelegd door de Tweede Kamer of wie dan ook. In dit land weegt doorgaans de rechter de relevante omstandigheden af die de minister in zijn brief heeft opgesomd. Hij is daarvoor aangesteld. Hij moet dus alles in zijn verband zien en tegen elkaar afwegen. Daarbij is meer relevant dan alleen de inhoud van het betreffende boek. Voor zover ik uit publicaties kennis heb kunnen nemen van het boek, is de inhoud van het boek zeer du-bieus en  schokkend. De inhoud ervan stuit mij tegen de borst. Ik steek dat niet onder stoelen of banken. Relevant is in ieder geval ook wat de betekenis van het boek is, waar het wordt aangetroffen en hoe het functioneert in een gemeenschap. In een mediabericht werd het boek vergeleken met Mein Kampf. Het maakt nogal uit of dat boek wordt aangetroffen in de stu-deerkamer van een hoogleraar politicologie of geschiedenis of in een standje op een demon-stratie van neonazi's. De strafwaardigheid hangt dus af van de context. Relevant is ook hoe een dergelijk boek functioneert en dus hoe dit boek in moskeeën functioneert. Het belijden en het beleven van elementen uit de geloofsleer zijn relevant in de beoordeling van de strafwaardigheid van bepaalde uitingen. De heer Wilders heeft een aantal sprekende voorbeelden gegeven van hoe het in dit geval functioneert in de preek, de aanmoediging en de propaganda. Mij dunkt dat dit relevant is in de beoordeling van de strafwaardigheid van een dergelijke uiting en van het gebruik van de vrijheid van meningsuiting en de persvrijheid.

Relevant is ook of daadwerkelijk wordt aangezet tot haat, discriminatie of geweld. In dat verband speelt bijvoorbeeld de reputatie van deze moskee ook een rol. Eerder is al ge-sproken over een boek over vrouwenbesnijdenis. Er zijn dus precedenten. Ik neem aan dat zij allemaal relevant zijn voor de uiteindelijke beoordeling van de rechter, voor de beoordeling of er sprake is van strafbare feiten en of er moet worden overgegaan tot wat voor een bestraf-fing dan ook. De minister heeft ook in dezen het gelijk aan zijn zijde. Hij verwijst namelijk naar de relevantie van de aard van de uitlatingen, de onderlinge samenhang en de context. Ik kan dat niet beschouwen als een wens om het probleem te verdringen. De zorgvuldige for-mulering van wat relevant voor de beoordeling is, is essentieel in een democratische rechts-staat. Juist in een democratische rechtsstaat die weerbaar wil zijn tegen misbruik van grond-rechten, past het om zorgvuldig te formuleren, ook als het om uitingen gaat die ons allen tegen de borst stuiten en onze verontwaardiging wekken. Ook dan geldt het zorgvuldige af-wegingskader, zoals de minister schrijft.

Op grond van wat ik het boek heb gelezen en gehoord in dit debat, ben ik van mening dat er in dit geval alle reden is om het te laten toetsen. Ik ben het eens met de stelling van de minister dat onderzoek moet worden verricht naar de El Taweed moskee en naar de mogelijkheid tot vervolging van die moskee.

Ik stel vast dat er een omslag in het klimaat rond de vrijheid van meningsuiting heeft plaatsgevonden. Die hangt in mijn ogen samen met de opkomst van en de discussies over de islam. Die hebben een extra dimensie gegeven aan het maatschappelijke en politieke debat. Het is nog niet zo lang geleden dat mijn fractie de regering opriep om op te treden tegen andere vormen die konden aanzetten tot geweld. Zo ging het ooit om een computerspelletje.
 
Toen was vrij breed de gedachte: nee, hier gaat het om de vrijheid van meningsuiting, daar mogen we niet aankomen. De stelling van mijn fractie is dat allen die in een democrati-sche rechtsstaat leven, tegen een stootje moeten kunnen. Dat moeten wij ook kunnen als uit-latingen worden gedaan die ons niet bevallen, maar die wij dan wel tolereren. Er zijn echter grenzen. Wij kunnen namelijk niet mensen gebruiken die voortdurend de grenzen van het aan-vaardbare opzoeken of die proberen die te verleggen. Wij kunnen ook geen mensen gebruiken die iedere onwelgevallige meningsuiting of dubieus boek verbieden. Tussen die twee uitersten zal de keus moeten liggen.

Voorzitter. Ik maak een slotopmerking. Terecht is door een aantal collega's gepleit voor een verbod op het boek. Ik hoorde de heer Dijsselbloem zeggen: wie aanzet tot haat of geweld, moet vervolgd worden. Mijn fractie draait dat om: wie uitspraken als deze doet, wie opvattingen als deze actief propageert als na te leven instructie, moet vervolgd worden, zodat de rechter kan beoordelen of de grenzen van de vrijheid van meningsuiting en die van godsdienst zijn overschreden en of strafbare feiten zijn gepleegd. Als dat het geval is, dient vervolgens straf te worden opgelegd. De conclusie van een rechtszaak kan zijn dat sprake is geweest van het aanzetten tot haat of geweld. Dat mag echter niet de premisse zijn waarmee het aanspannen van een rechtszaak door de Kamer wordt gestimuleerd. Volgens mij, voorzitter, is de noodzaak van dat onderzoek aan de orde.

« Terug

Reacties op 'Bijdrage debat Al Tawheed Moskee Amsterdam'

Geen berichten gevonden

Log in om te kunnen reageren op nieuwsberichten.

Nieuwsarchief > 2004

december

november

oktober

september

augustus

juli

juni

mei

april

maart

februari

januari