Bijdrage debat Inzet speciale éénheden in het buitenland

dinsdag 15 juni 2004 11:12

André Rouvoet: Voorzitter. Op het schema van de Kamer staat dit debat aangemeld onder de kop "Inzet speciale eenheden in het buitenland". Dat zou voor ons aanleiding zijn om onze woordvoerder Defensie, mevrouw Huizinga, het woord te laten voeren, maar bij bestudering van de stukken bleek dat wij op dat punt niet zo heel veel vragen hadden. Onze vragen liggen meer op het terrein van Justitie. Vandaar dat ik hier sta als woordvoerder. Wij hebben van de minister van Defensie een brief gekregen over de inzet van speciale eenheden in het buitenland: geen license to kill, handelen binnen het mandaat en/of internationaal recht, binnen de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Ik heb daar geen specifieke vragen meer over te stellen.

Wat de speciale eenheden betreft hebben wij ook de brief van 23 augustus 2000 ontvangen. Wij hebben die brief goed bestudeerd. De parlementaire controle op die speciale eenheden vind ik van belang. Artikel 100 van de Grondwet is hierbij in het geding. Belangrijk is dat er goede afspraken zijn gemaakt over de wijze waarop de parlementaire controle op dit bijzondere onderwerp plaatsvindt, een wijze die vergelijkbaar is met de wijze waarop de commissie voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten omgaat met de informatie die zij krijgt op haar werkterrein. Ik ben het zeer eens met mevrouw Karimi -- dat is op het punt van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten het vermelden waard -- dat dit dus geen zaken zijn die in de commissie voor de Inlichtingen- en Veiligheidsdiensten thuishoren. Het zijn zaken die de normale parlementaire controle via de vakcommissie behoren te doorlopen. De brief van 23 augustus vermeldt ook nog aansturing via de ministeriële kerngroep. Niet het hele kabinet hoeft op de hoogte te zijn. Van geval tot geval beslist de ministeriële kerngroep of het hele kabinet wordt gekend in informatie over een operatie.

De minister van Defensie verwijst vooral naar Justitie en het openbaar ministerie. Dat is een van de zaken die mij wat stoort: het naar elkaar wijzen. Er is weinig congruentie tussen beide departementen. Dat heeft een vervelend trekje als er naar elkaar verwezen wordt voor de verantwoordelijkheid. Ik denk dat de minister van Defensie gelijk heeft dat het geen zaak van Defensie is als het gaat om informatie die wellicht in een strafprocedure gebruikt gaat worden. Collega Herben vroeg aan de minister van Defensie hoe hij de belangen van defensiepersoneel voor de toekomst veilig wil stellen. Die vraag zou ik in de context van vanavond vooral bij de minister van Justitie willen neerleggen.

De heer Bakker (D66): De heer Rouvoet heeft gelijk als hij zegt dat informatie die eventueel in een strafdossier gebruikt gaat worden, geen kwestie van de minister van Defensie is, maar van de minister van Justitie en het justitieel apparaat. Ging het hier echter niet om een brief van de heer De Wijkerslooth aan de parketten ter opheldering van de commotie die in de media is ontstaan rond de zaak-Eric O. en de zaak-Plooy? Het gaat dus niet om het strafdossier, maar om een soort pr-brief van de top aan de parketten.

André Rouvoet: Ik kom daar nog op, maar het ging mij nu om de vraag naar de belangen van defensiepersoneel als het gaat om strafzaken of mogelijke vervolging. Daarvoor moeten wij niet primair naar de minister van Defensie kijken, maar naar de verantwoordelijkheid van de minister van de Justitie. Over de brief van de voorzitter van het college van procureurs-generaal kom ik nog te spreken.

De heer Herben (LPF): De heer Rouvoet sprak mij aan, maar ik heb helemaal niet gezegd dat de minister van Defensie zich moet mengen in strafzaken. Als bij Defensie duidelijke procedures bestaan voor het beschermen van de persoonlijke veiligheid van het personeel, dan dienen de minister van Justitie en het openbaar ministerie daarvan op de hoogte te zijn. Er dienen sluitende afspraken te zijn tussen de ministeries van Defensie en Justitie om te voorkomen dat vertrouwelijke personeelsinformatie uitlekt. Mevrouw Karimi sloeg de spijker op zijn kop toen zij constateerde dat het openbaar ministerie kennis mist om militaire strafzaken goed te kunnen behandelen. Alleen haar conclusie, dat het militair straf- en tuchtrecht toch maar beter bij het OM kunnen blijven en niet terugmoeten naar de militaire rechter, deel ik uiteraard niet. Zij droeg zelf immers de argumenten aan waarom de klok wel moet worden teruggedraaid. Daar gaat het mij om.

André Rouvoet: Doet u mij nou een plezier en gaat u niet in debat met mevrouw Karimi via een interruptie in mijn betoog.

De heer Herben (LPF): Ik wil duidelijk gemarkeerd hebben dat ik niet gesteld heb dat de minister van Defensie zich moet mengen in strafzaken.

André Rouvoet: Dan zijn wij het daar minder over oneens dan ik even dacht.

Het debat had van mij een andere aanduiding mogen krijgen, al begrijp ik ook dat daar door de voorzitter van de Kamer niet voor gekozen is. Ik vat het echter toch meer in termen als “Nieuwe blunders OM in de zaak Erik O.”. Zo beschouwen wij het wel. Het optreden van het openbaar ministerie, uiteindelijk onder verantwoordelijkheid van de minister van Justitie want die is ten volle politiek verantwoordelijk voor het handelen van het openbaar ministerie, zelfs als hij de topambtenaar niet rechtstreeks aanstuurt en instructies geeft, doet bij ons een groot aantal vragen rijzen. Veel daarvan zijn er al gesteld. Ik zal ze niet allemaal herhalen. Het gaat om een getuigenverklaring over het vermeende laagdrempelige geweldsgebruik van Eric O., gebaseerd op zijn verleden bij de BBE. De eerste vraag is dan of die verklaring wel of niet in het strafdossier is gevoegd. De minister van Justitie ontkent dat in de media (zie de Volkskrant). Toch is die verklaring kennelijk wel gebruikt door de voorzitter van het college om via een brief die intern in het OM is verspreid, het optreden van het OM jegens Eric O. te verdedigen. Dat leid ik eruit af en anders ontkent de minister dit wel.

Het kabinet is blijkens de brief van 23 augustus 2000 van opvatting dat bij wijze van spreken alleen al het noemen van het bestaan van die special forces gevaarlijk is voor betrok-kenen. Het gaat om een zaak waar binnen het kabinet al zo zorgvuldig mee wordt omge-sprongen dat niet eens het hele kabinet op de hoogte hoeft te worden gesteld van een derge-lijke operatie maar slechts de kerngroep. Hoe kan het dan dat de voorzitter van het college er geen been in ziet om die gegevens, zij het dan vertrouwelijk maar het moest er nog eens bij komen dat het niet vertrouwelijk was, binnen het openbaar ministerie rond te sturen naar alle hoofden van de parketten? Het mag dan misschien geen staatsgeheim zijn, zo zeg ik ook tegen mevrouw Griffith, maar strikte geheimhouding is zo inherent aan dit soort operaties dat je dit niet in een rondschrijven naar alle hoofden van parketten stuurt. Er mag toch worden ver-wacht dat men ervan doordrongen is dat dit niet de manier is om met zaken van strikte geheimhouding om te gaan.

Mevrouw Karimi (GroenLinks): Maar het moet wel een onderdeel van het strafrechtelijk dossier kunnen zijn.

André Rouvoet: Ik wacht het antwoord van de minister van Justitie af. De eerste suggestie was dat het onderdeel was van het strafdossier, maar dat is volgens de minister niet het geval. Als het echter nu niet in het strafdossier zit maar wel meetelt bij de afweging over het al dan niet instellen van vervolging, dan stapelen de vragen zich wel op. Dat lijkt mij namelijk extra dubieus. Daarover wil ik dan echt helderheid van de minister krijgen. Met name de heer Bakker, maar ook anderen hebben daarover een reeks vragen gesteld. Wij hebben het hier in het openbaar niet over de inhoudelijke merites van een speciale operatie. Het gaat hier om het handelen van het openbaar ministerie. De minister van Justitie zou er goed aan doen om dan zoveel mogelijk openheid te geven over hoe is gehan-deld. Ik vind het namelijk ernstig en ik wil precies weten hoe het zit: in het strafdossier, wel meewegen, niet meewegen, waarom rondsturen naar alle parketten? Ik vind die informatie van belang voor een goede beoordeling van de gang van zaken. De Kamer heeft daar recht op.

Mevrouw Karimi (GroenLinks): In deze specifieke zaak ben ik het helemaal eens met die constatering van collega Rouvoet. Ook bij geheime operaties kunnen echter situaties ontstaan waarin de betrokkenen strafbare feiten begaan. Dat is niet uit te sluiten. Die geheime operaties zijn ook gebonden aan grenzen. Niet alles is toegestaan. Dan moet het in principe mogelijk zijn dat dergelijke informatie in het strafrechtelijk dossier terechtkomt.

André Rouvoet: Dit debat is geen algemeen debat over de voeging van relevante informatie in een strafdossier als het gaat om leden van BBE’s. Dit debat gaat over een ernstig incident, en met elkaar stellen wij de vraag wie wat heeft gedaan of nagela-ten, en wie daarvoor verantwoordelijk is. Ik voel mij op dit moment niet gekwalificeerd om algemene uitspraken te doen over de modaliteit waarop gevoelige of geheime informatie in een strafdossier moet worden gevoegd. Laten we dat debat alsjeblieft een keer voeren ,maar niet nu.

Hoe zit het met de beslissing tot vervolging? Waarom duurt dat zo lang? Wanneer is het moment daar om eventueel wel met een aanwijzing krachtens de Wet op de rechterlijke organisatie te komen? Is het onderzoek inderdaad afgesloten of nog steeds niet? Wat kan de minister ons daarover melden? Ik sluit mij aan bij de opmerkingen die zijn gemaakt over lekken, één van de vervelendste onderwerpen om over te debatteren. Niemand kan er iets aan doen en niemand weet waar het vandaan komt, wat inherent is aan het verschijnsel. In het overleg van 27 februari zei de minister van Justitie dat hij niet verantwoordelijk is voor het door anderen lekken van brieven. De enige echte oplossing zou zijn om de communicatie binnen de overheid te laten ophouden. Hoofdofficieren van justitie moeten nu eenmaal worden ingelicht over zaken die het OM raken. Brieven kunnen niet altijd worden geschreven met de gedachte in het achterhoofd dat zij kunnen uitlekken. Hoe voor de hand liggend en redelijk dat ook klinkt, dat mag er niet toe leiden dat we onzorgvuldig omspringen met informatie. Mijn stellige indruk is dat in het geval van Erik O. met een bijlage en een vermelding van deze specifieke omstandigheden niet de vereiste zorgvuldigheid is betracht. Ik hoor graag het verweer van de minister van Justitie.

Dit is een ongecorrigeerd stenogram. De definitieve versie wordt zo spoedig mogelijk gepubliceerd.
 

Nieuwsarchief > 2004

december

november

oktober

september

augustus

juli

juni

mei

april

maart

februari

januari