Nota-overleg Toekomst intensieve veehouderij

maandag 07 juni 2004 11:31

Arie Slob: Mevrouw de voorzitter. Waar de heer Van der Ham mee eindigde, daar begin ik mee. Ook ik complimenteer de minister met het aangaan van het brede maatschappelijke debat. Ik heb dat ook al bij de begrotingsbehandeling gezegd. Ik vind het goed dat de minister niet met de rug naar de sector en de andere betrokkenen gaat staan. Ik vind het moment waarop het debat werd gevoerd ook goed. Wij zijn er al mee begonnen toen de kippenpest uitbrak, maar dat was natuurlijk een volkomen misplaatst moment. De vraag is natuurlijk wel of de conclusies die de minister heeft getrokken naar aanleiding van de gevoer-de debatten over de aanpak en de rolverdeling door alle betrokkenen bij het debat kunnen worden onderschreven. De vraag stellen, is hem misschien ook wel een klein beetje beantwoorden.
De discussie over de toekomst van de intensieve veehouderij staat onder zware druk. De dierziektes zijn genoemd. Vorig jaar rond deze tijd zaten wij wekelijks met elkaar rond de tafel om te spreken over de vogelpest. Er zijn diepe wonden geslagen, die nog steeds niet helemaal geheeld zijn. Ook de varkenshouderij zit in behoorlijk zwaar weer. De varkens-prijzen staan al jaren onder druk, waardoor de gezinsinkomens al een paar jaar onder het nulpunt liggen. Wij komen in ieder geval bedrijven tegen waar het echt heel slecht gaat. De nieuwe mestwetgeving komt eraan. Ook die zal een bepaalde uitwerking hebben op de bedrijfsvoering en velen kijken daar met grote zorg naar. Dan heb ik het nog niet over een ander punt, waar wij de afgelopen twee jaar met enige regelmaat over gesproken hebben, namelijk de bedrijfsopvolging.
Er is gelukkig al het een en ander ten goede veranderd, bijvoorbeeld de fiscale ingre-pen, maar het blijft een behoorlijk knelpunt. Wij hebben verschillende brieven van de minister mogen ontvangen, ook in juni nog. De minister heeft in die brieven aangegeven dat de toestand van de intensieve veehouderij zorgwekkend is. Dat is eigenlijk een understatement en dat kunnen wij alleen maar onderschrijven. De vraag is wel hoe wij daarmee verdergaan. De minister is gekomen met een grove schets voor de toekomst met de aandachtspunten die hij voor zichzelf ziet. Het valt ons op dat hij de eigen verantwoordelijkheid van de sector benadrukt en dat is op zichzelf terecht. Het is ook goed om dat hardop uit te spreken. Gelet op de slechte situatie waarin de intensieve veehouderij zich bevindt, is het wel goed om op te merken dat zich in de afgelopen jaren een aantal positieve ontwikkelingen heeft voorgedaan. Veel boeren hebben geïnvesteerd in zaken als dierenwelzijn, voedselveiligheid, diergezond-heid en missiebeperking. Er is in dat opzicht al het een en ander ten goede gekeerd, maar ik zeg er gelijk bij dat er nog veel moet veranderen.

Wij moeten niet gaan stilzitten, want stilstand is echt achteruitgang. De sector moet dus aan de slag gaan. Dat brengt mij bij de rol van de overheid in dat proces. In de brief van de minister las ik dat de overheid over het algemeen helper en ondersteuner is en geen trekker. In dat opzicht wees de minister erop dat hij maatregelen wilde nemen ter verbetering van het kader en ter ondersteuning van initiatieven. Dat is goed, maar wij vinden dat de overheid ook ondersteunend dient te zijn bij de omslag die veel bedrijven moeten maken. Sommige bedrijven moeten behoorlijk aan de slag om de omslag naar de verduurzaming op een goede manier te kunnen maken.

De minister heeft in de brief geschreven dat de overheid geen trekker is, maar dat mag niet betekenen dat de overheid deze bedrijven in de steek laat. Wij vinden dat de minister in zijn brieven, met name in de brief van december, onvoldoende rekenschap aflegt van het feit dat de overheid zelf ook de landbouwsector op het spoor van de intensivering heeft gezet. De heer Van den Brink heeft er ook iets over gezegd. Een groot deel van zijn betoog kan ik niet onderschrijven, maar de analyse op dat punt wel. Wij moeten de rol van de overheid in het verleden niet te veel minimaliseren.

Dat moeten wij ook niet doen als wij naar de toekomst kijken. Wij hebben het idee dat dit te veel gebeurt in de brief van de minister. Terugkijkend constateer ik dat het niet alleen de concurrentievoordelen waren die in het verleden hebben geleid tot de sterke opkomst van de intensieve veehouderij. De sector was er natuurlijk zelf ook nadrukkelijk bij aanwezig, zeg ik in de richting van de heer Van den Brink. Ook het stimulerende EU- en rijksoverheidsbeleid, de rentesubsidies, de WIR-premies en de voorlichting hebben tot die sterke opkomst geleid. De overheid heeft de uitbreiding en de intensivering van de sector zelf fors gestimuleerd. Waar wij met elkaar constateren dat wij in een groot aantal opzichten te ver zijn doorge-schoten, betekent dit ook dat de overheid de stormbal niet alleen bij de sector mag hijsen, maar dat ook bij zichzelf moet doen.
Gegeven de beperkte tijd die mij ter beschikking staat, wil ik dit uitwerken in twee punten waarbij ons dat met name opvalt: de dierziektes en de prijsproblematiek. Dit zijn onderwerpen die ons zeer aangelegen zijn en waarbij wij de afgelopen jaren met enige regelmaat de vinger hebben gelegd als er sprake was van ontwikkelingen die wij in dat opzicht niet als positief konden kenmerken.

Wij lezen in de brief van de minister in het rijtje van zaken waarop de overheid niet aanspreekbaar is, dat de overheid in de toekomst niet meer aanspreekbaar is op het opvangen van de gevolgen van dierziektes. Als ergens overheidsbeleid grote gevolgen heeft gehad, dan is het toch wel op het vlak van het voorkomen en bestrijden van dierziektes. Daar was de sector natuurlijk zelf ook bij, maar de overheid ook. Er werd ooit tot een non-vaccinatiebeleid besloten om de exportpositie te verbeteren.
Kortzichtigheid won het destijds letterlijk, want onze analyse is dat de economische winst op korte termijn belangrijker werd geacht dan diergezondheidsrisico’s op de wat lan-gere termijn. Dat was ook een beleid waarmee wij het ethisch gezien heel erg moeilijk hebben gehad en het nog steeds moeilijk hebben, want het is toch eigenlijk bizar dat dieren die door een vaccin kunnen worden behoed voor ziekte of daarvan kunnen genezen en waarvan de pro-ducten geen gevaar opleveren voor de volksgezondheid massaal moeten worden afgemaakt en geruimd. Geruimd, het woord alleen al! Volgens ons gaat dat beleid in tegen zowel het bedrijfsbelang als het maatschappelijk belang, om maar een van de dilemma’s te noemen die in het maatschappelijk debat centraal hebben gestaan. Het gevoerde non-vaccinatiebeleid heeft de massaliteit van dierziektes in de hand gewerkt. Wij vinden dat de overheid verplicht is om bij te springen zolang dat beleid nog niet volledig van tafel is, en dat is volgens mij het geval. Misschien kan de minister aangeven wat de stand van zaken is.

De heer Van den Brink (LPF): Ik verbaas mij erover dat ook de ChristenUnie steeds zaken verdraait. Ik zal ook vertellen waarom. Wij weten nog precies hoe het is gegaan: Engeland en Denemarken legden de eis van non-vaccinatie voor als voorwaarde voor hun toetreden tot de EU. Waarom probeert u steeds de werkelijkheid geweld aan te doen door niet te melden dat wij het gewoon hebben verkocht door Wageningen te laten uitrekenen dat het eigenlijk wel voordelig was? Nogmaals, de eigenlijke reden was dat de EU moest uitbreiden en dat Denemarken en Engeland het eisten. Probeer het niet weer te brengen op de manier waarop u het nu doet, net of het aan de sector ligt. Ik vind het een beetje oneerlijk zoals u dat doet.
 
Arie Slob: Voorzitter. De heer Van den Brink neemt nogal wat zware woorden in de mond, maar dat heeft hij vanmiddag ook gedaan aan het adres van een aantal andere collega’s. Ik moet zeggen dat ik er zelf een beetje moeite mee heb dat het op die manier gaat, maar dat is mijn persoonlijke beleving bij het een en ander.

Hij spreekt over zaken verdraaien. Ik zeg het gewoon anders. Als ik zeg dat de sector erbij was, doe ik volgens mij recht aan de werkelijkheid zoals die zich op dat moment heeft ontplooid. Dat de overheid, die de besluiten moest nemen, daarbij een heel belangrijke rol heeft gespeeld en er een stempel op heeft gedrukt, ontken ik absoluut niet. In dat opzicht heb ik zelfs een groot deel van zijn eigen betoog omarmd, zij het met de toevoeging dat wij de sector niet helemaal op afstand kunnen plaatsen. Wij kunnen niet doen alsof men het destijds allemaal maar over zich heen heeft laten komen of heel hard aan de bel heeft getrokken met de mededeling dat het niet zo moest. Dat is volgens mij niet zo gebeurd. Wij moeten de geschiedenisboeken er nog maar eens op naslaan.

Nu gaat het erom dat zolang het non-vaccinatiebeleid nog niet volledig van tafel is, de overheid niet de handen ervan af kan trekken als er problemen ontstaan. Ik ben het met de heer Van den Brink eens – en dat vindt hij misschien plezierig – dat niet duidelijk is wat de stand van zaken is als er morgen wat gebeurt.

Ik ben er heel benieuwd naar wat er dan gebeurt. Laat de minister maar eens een antwoord op die vragen geven. Het Nederlandse voorzitterschap zal overigens nadrukkelijk moeten worden gebruikt om dit onderwerp hoog op de agenda te plaatsen. Verder zullen zo mogelijk harde afspraken moeten worden gemaakt met de ons omringende landen. Zelfs als het non-vaccinatiebeleid helemaal op de helling gaat, zal in het oog moeten worden gehouden wat de ons omringende landen doen met de ondersteuning van hun sector. Daardoor kunnen immers de Nederlandse boeren in een ongelijke positie terechtkomen.
Bij de begrotingsbehandeling heb ik al aangegeven dat mijn fractie de prijsproblema-tiek een structureel probleem vindt. Bovendien vinden wij het ook een structuurprobleem, aangezien het een gevolg is van onze economische orde. De marktprijs van veel landbouw-producten dekt niet of nauwelijks de kostprijs van de boer, laat staan dat alle maatschappe-lijke kosten in deze prijs tot uitdrukking komen. Uit het feit dat niet alle maatschappelijke kosten worden gedekt, blijkt een fundamentele tekortkoming van de vrije markt, waarvan sommigen onder ons zo hoog opgeven.

Hier ligt nadrukkelijk een taak van de overheid. Zeker bij de landbouw is dat een heel belangrijke overheidstaak, omdat hier de problematiek van markt, prijs en inkomen zo preg-nant aanwezig is. Mijn fractie is dan ook, misschien wel met de minister, enigszins teleurge-steld dat de consumentenheffing van de baan is. De gegeven argumentatie kunnen wij volgen, maar wij vragen ons toch wel af of de juridische en handelstechnische bezwaren echt zo groot zijn. Kunnen wij echt niet met elkaar over die bezwaren heen springen en proberen om er eendrachtig met andere landen uit te komen?

In de brief van de minister wordt zelfs geen begin van een oplossing of een alternatief gegeven. Dat zit mijn fractie dwars. Als wij vinden dat er echt iets fout gaat en dat er iets moet veranderen, moeten wij toch zeker alles op alles zetten om een alternatief te vinden voor de consumentenheffing? Ik stel daarom voor om toch te bezien of er iets kan worden gedaan met de btw-tarieven, die de minister in zijn brief afschrijft. Ik dacht zelf niet aan een sprong van 6 naar 19%, maar een sprong naar een iets lager niveau. Ik besef natuurlijk dat Nederland dat niet alleen kan doen en dit met andere landen moet regelen. Maar goed, laten wij er vol voor gaan en bezien of wij zo’n oplossing kunnen realiseren! Ik zeg dat zo nadrukkelijk, omdat de variabilisering van de btw-tarieven een gedeeltelijke oplossing van de prijsproble-matiek zou kunnen zijn.
 
Bij de begrotingsbehandeling heb ik ook gesproken over het geven van prikkels aan de consumenten. Ik denk nu meer in het bijzonder aan het voorstel van een econoom van het LEI om met duurzaamheidspunten en een streepjescode te gaan werken. Dat idee zou opgepakt worden en daarom ben ik benieuwd wat hier de stand van zaken is. Het is namelijk een moge-lijkheid, hoe klein misschien ook, om de vicieuze cirkel waarin wij ons bevinden, te door-breken. Niets doen is voor mijn fractie absoluut niet bevredigend. Een gezonde en duurzame intensieve veehouderij is zowel voor boeren als voor consumenten, overheid en dieren van belang. Als wij een duurzame veehouderij wensen, mag het niet zo zijn dat er batterij-eieren Nederland binnenkomen, nadat wij hebben besloten om de legbatterijen af te schaffen. Als er niet-duurzame producten de EU binnen kunnen blijven komen, verplaatsen wij de problemen alleen maar naar andere delen van de wereld. Dat zou toch zeker onze inzet niet mogen zijn!
Ik maak ten slotte van de gelegenheid gebruik om aandacht te vragen voor de GGO-vrije keten. Wij zien heel graag dat die er komt. In ieder geval zouden wij graag zien dat er gegarandeerd GGO-vrije producten verkrijgbaar zijn.

De heer Waalkens (PvdA): Ik ben het met de heer Slob eens dat de prijsafstand moet worden verkleind. Sjorren aan de consumentenheffing is echter iets geheel anders dan het verlagen van de kostprijs binnen duurzame ketens. Ik heb voorgesteld om daarvoor het geld van het gemeenschappelijk landbouwbeleid in te zetten. Is dat niet een gemakkelijkere route? De discussie over het verlagen van de btw-tarieven kan daardoor immers worden omzeild.

Arie Slob: Ik voel niets voor omzeilen want wij moeten gewoon proberen om eruit te komen. Natuurlijk is het lastig, maar het is niet mijn insteek om dan maar te zeggen: wij hebben het er niet over en proberen om op allerlei andere fronten wat te bereiken. Het is prima om ook op andere terreinen geld vrij te maken om de verduurzaming te stimuleren en dat moeten wij natuurlijk niet laten. Er moet echter ook bezien worden of in het prijsbeleid geen slag gemaakt kan worden. Die noodzakelijke slag is helaas tot nu toe niet gemaakt.

« Terug

Reacties op 'Nota-overleg Toekomst intensieve veehouderij'

Geen berichten gevonden

Log in om te kunnen reageren op nieuwsberichten.

Nieuwsarchief > 2004

december

november

oktober

september

augustus

juli

juni

mei

april

maart

februari

januari