Vragen over Rapport Rutgers Nisso Groep “Abortus in Nederland 2001-2002”

maandag 15 december 2003 13:55

Vragen van de leden Van der Vlies (SGP), Rouvoet (ChristenUnie) en Ormel (CDA) aan de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over het rapport van de Rutgers Nisso Groep «Abortus in Nederland 2001–2002».

Met antwoord.

Vragen van de leden Van der Vlies (SGP), Rouvoet (ChristenUnie) en Ormel (CDA) aan de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over het rapport van de Rutgers Nisso Groep «Abortus in Nederland 2001–2002».(Ingezonden 15 december 2003)
  1. Hebt u kennisgenomen van het rapport van de Rutgers Nisso Groep «Abortus in Nederland 2001–2002»?1
  2. Wat is uw visie op dit rapport?
  3. Wat is uw oordeel over de in dit rapport geconstateerde sterke stijging van het aantal abortussen bij in Nederland wonende vrouwen? Hoe verhouden de gegevens uit dit rapport zich tot de reeds bekende gegevens op basis van de Jaarrapportages?
  4. Hoe verhoudt de stijging van het abortuscijfer in Nederland zich tot ontwikkelingen in andere Europese landen? Wat is de verklaring voor eventueel optredende verschillen in de stijging van het abortuscijfer?
  5. In hoeverre is er in het preventiebeleid inzake abortus aandacht voor de leefstijl van jongeren?
  6. Welke rol speelt de aandacht voor het bieden van alternatieven voor abortus in het huidige beleid van de abortusklinieken? Welke mogelijkheden ziet u om deze aandacht voor alternatieven sterker te benadrukken?
  7. Hoe staat u ten opzichte van het voorstel van de Rutgers Nisso Groep en de Vereniging ter Bescherming van het Ongeboren Kind (VBOK) om een vervolgonderzoek te doen naar de motieven voor abortus en de psychische gevolgen ervan? Bent u bereid dit onderzoek te ondersteunen? In hoeverre is er in de opdracht voor de evaluatie van de Wet afbreking zwangerschap (WAZ) aandacht voor deze beide aspecten?
Toelichting:
Deze vragen dienen ter aanvulling op eerdere vragen terzake van het lid Tonkens (GroenLinks), ingezonden 15 december jl.
 
1 Reformatorisch Dagblad, 11 december jl.,«Opnieuw meer abortussen. Breed pleidooi
voor onderzoek naar redenen en psychische gevolgen».
 
Antwoord
Antwoord van staatssecretaris Ross-van Dorp (Volksgezondheid, Welzijn en Sport). (Ontvangen 14 januari 2004)
  1. Ja.
  2. In het rapport wordt alle door abortusklinieken geregistreerde informatie op een duidelijke manier weergegeven en met elkaar in verband gebracht. Uit de registratie van de Inspectie voor de Gezondheidszorg was al gebleken dat het abortuscijfer ook in 2001 en 2002 weer licht is gestegen. Het rapport bevat aanvullende informatie met betrekking tot het abortus-cijfer en ook de nuancering dat Nederland in internationaal perspectief bezien nog steeds een laag abortuscijfer heeft.
    De aanbevelingen met betrekking tot de registratie onderschrijf ik en ik hoop dat deze door de beroepsgroep zullen worden opgevolgd. Het komende jaar wordt de Wet afbreking zwanger-schap geëvalueerd, waarbij ook een deel van de aanbevelingen met betrekking tot onderzoek aan bod zal komen. Met betrekking tot de opmerkingen over het onderzoek naar het gebruik van anticonceptie wil ik nog opmerken dat het rapport een stijging veronderstelt van het aantal abortussen in Nederland. Deze stijging van het abortuscijfer is een trend die al enige jaren geleden is ingezet. Het is op dit moment niet mogelijk de precieze oorzaak van de stijging aan te wijzen. Al eerder zijn maatregelen genomen om bijvoorbeeld de voorlichting aan risicogroepen te verbeteren. Ook het veld heeft hiervoor maatregelen getroffen. Het is mijn bedoeling om door middel van specifieke interventies gericht op specifieke doelgroepen een bijdrage te leveren aan een vermindering van het aantal ongewenste zwangerschappen en abortussen. Met betrekking tot de opmerkingen over de relatie tussen het pilgebruik en het aantal abortussen wil ik nog opmerken dat uit de cijfers van de SFK (Stichting Farmaceutische Kengetallen) blijkt dat de daling in het gebruik van de pil pas in 2002 is ingezet. De stijging van het aantal abortussen is reeds begin jaren negentig ingezet. Het aantal gestegen zwangerschappen en abortussen enerzijds en dalend pilgebruik anderzijds staan dus niet zonder meer met elkaar in verband.
    Onderzoekers geven wel aan dat het minder effectieve pilgebruik een verklaring zou kunnen zijn.
  3. Het is op dit moment niet mogelijk om de precieze oorzaak van de stijging aan te wijzen. Wij gaan ervan uit dat een toename van abortus tevens een toename van het aantal ongewenste zwangerschappen inhoudt en dat is dus zorgelijk. Het beleid is erop gericht om ongewenste zwangerschap zo veel mogelijk te voorkomen. (Zie voor meer toelichting ook de antwoorden op de vragen van mw. Tonkens, waarin ik toelichting geef op maatregelen om de preventie te versterken). De jaarrapportages van de Inspectie voor de Gezondheidszorg laten overigens hetzelfde beeld zien. Het voortduren van de stijging baart mij zorgen en deze mogelijke oorzaken zullen worden meegenomen in de evaluatie van de WAZ.
  4. Laat ik voorop stellen dat Nederland nog één van de laagste abortuscijfers heeft van Europa. Verschillen in de stijging van het abortuscijfer kunnen te maken hebben met de veranderende samenstelling van bevolkingsgroepen in Nederland. Een deel van de abortuscliënten uit onder meer Afrika, Oost-Europa, China en Midden- en Zuid-Amerika verblijft als asielzoekster of illegaal in ons land. Het gaat hier om een veelal moeilijk te bereiken groep, waar specifieke maatregelen voor nodig zijn.
  5. Preventieactiviteiten gericht op jongeren vinden grotendeels plaats binnen de setting school. Hier wordt aandacht besteed aan de vijf zogenoemde leefstijlthema’s: roken, alcohol, gezonde voeding, bewegen en veilig vrijen. Binnen het thema veilig vrijen wordt naast het voorkomen van soa, aandacht besteed aan de preventie van ongewenste zwangerschap.
  6. Binnen een kliniek wordt vaker gebruik gemaakt van een maatschappelijk werker of een psycholoog. Op dit moment is het zo dat als een arts een signaal opvangt waaruit hij afleidt dat een vrouw nog enige twijfel heeft over haar beslissing, hij niet zal overgaan tot het afbreken van de zwangerschap.
    De arts kan bijvoorbeeld doorverwijzen. Instanties die gespecialiseerd zijn in de begeleiding van vrouwen die ongewenst zwanger zijn, kunnen een vrouw goed voorlichten over de alternatieven.
  7. De vraag waarom vrouwen tot een abortus besluiten wanneer zij eenmaal ongewenst zwanger zijn geworden, zal worden meegenomen in de evaluatie van de WAZ. Na de evaluatie van de wet zal worden bekeken welke aspecten nader onderzoek vergen. Een vervolgonderzoek op initiatief van het Rutgers Nisso en de VBOK is dan ook overbodig.

« Terug

Reacties op 'Vragen over Rapport Rutgers Nisso Groep “Abortus in Nederland 2001-2002”'

Geen berichten gevonden

Log in om te kunnen reageren op nieuwsberichten.

Nieuwsarchief > 2003

december

november

oktober

september

augustus

juli

juni

mei

april

maart

februari

januari