Vragen over strafrechtelijke vervolging bij euthanasie

vrijdag 09 juli 2004 11:28

Nadere vragen van de leden Rouvoet (ChristenUnie) en Van der Vlies (SGP) aan de minister van Justitie over strafrechtelijke vervolging bij euthanasie.

De Kamerleden Rouvoet (ChristenUnie) en Van der Vlies (SGP) zijn niet tevreden over de antwoorden van de minister van Justitie van 29 juni jl. op eerdere vragen van deze leden over het hoe en waarom van het besluit van het College van Procureurs-Generaal op 8 oktober vorig jaar om af te zien van strafrechtelijke vervolging van een arts die euthanasie heeft toegepast bij een patiënt met beginnende dementie. Zij zijn in het bijzonder bevreesd dat de beslissing toch de deur opent naar euthanasie bij dementie en willen in dit verband uitdrukkelijk gesteld zien dat van een plicht tot euthanasie nimmer sprake kan zijn.


Nadere vragen van de leden Rouvoet (ChristenUnie) en Van der Vlies (SGP) aan de minister van Justitie over strafrechtelijke vervolging bij euthanasie (ingezonden 9 juli 2004)
  1. Wat is de betekenis van de zinsnede “hoewel de zaak wetenschappelijk gezien zonder meer tot het medisch domein behoorde”, in uw antwoord op de vragen 3, 4 en 5 van de ondergetekenden over euthanasie bij dementie?[1]
  2. Bent u van mening dat de volstrekt subjectieve elementen van het lijden in het onderhavige geval, te weten ‘het schrikbeeld van zijn beide ouders’ en het ‘vooruitzicht van decorumverlies’, voldoende objectiveerbaar zijn om als ondraaglijk lijden in de zin van de wet te kunnen worden aangemerkt? Is het in gevallen als het onderhavige wel mogelijk om, met het oog op de objectieve vaststelling van de ondraaglijkheid van het lijden, een degelijk onderbouwde diagnose te geven, zoals door het College van procureures-generaal in het verlengde van het Chabot-arrest noodzakelijk wordt geacht? Kunt u uw antwoord onderbouwen?
  3. Klopt het dat het College in zijn beslissing tot voorwaardelijk sepot heeft gesteld dat de diagnose onzeker was en de huisarts het lijden van de patiënt onvoldoende duidelijk had gemaakt? Betekent dit dat het College zich met deze beslissing niet uitgesproken heeft over de ondraaglijkheid van het lijden? Zo ja, is dan de enige grond voor de beslissing tot sepot geweest dat de arts in kwestie opening van zaken had gegeven en zich ‘toetsbaar’ had opgesteld?
  4. Wilt u vraag 3 van de eerdere vragen over dit onderwerp alsnog beantwoorden? (‘Is het waar dat het feit dat de arts in kwestie zich ‘toetsbaar’ opstelde mee heeft gewogen in het seponeren van de zaak? Hoe verhoudt zich dit tot het gegeven dat melding van levensbeëindigend handelen gewoon een wettelijke plicht is? Waarom kan ‘zich toetsbaar opstellen’ dan leiden tot vrijwaring van strafvervolging?’)
  5. Kunt u duidelijk maken waarom het hier een uniek geval betreft, waardoor geen precedentwerking ontstaat? Hoe beoordeelt u in dit verband de visie van de NVVE, die in het juli-nummer van haar blad ‘Relevant’ concludeert dat “de pg’s toch enige opening lijken te scheppen voor euthanasie bij dementie”? Hoe beoordeelt u daarnaast in dit verband de omstandigheid dat de NVVE op 10 december aanstaande een symposium organiseert onder de titel “Dementie en Euthanasie: er mag meer dan je denkt…”, met onder meer als spreker voormalig minister van VWS, mw. Borst, met als aangekondige toespraak: ‘Dementie: State of art en probleemstelling - Het mag dan wel, maar kan het ook?’
  6. Hoe verhoudt uw standpunt in deze zaak zich tot de stelling in het op 8 juli jongstleden verschenen kabinetsstandpunt inzake het evaluatierapport euthanasie, dat dementie op zichzelf niet voldoende reden is voor levensbeëindiging, maar dat door bijkomende aandoeningen het zo kan zijn dat een patiënt ondraaglijk en uitzichtloos lijdt? Beschouwt u ‘het schrikbeeld van zijn beide ouders’ en het ‘vooruitzicht van decorumverlies’ als ‘bijkomende aandoeningen’?
  7. Wat heeft u ertoe gebracht om in uw antwoorden te spreken over “de plicht van de arts om een ondraaglijk lijdende patiënt die in een volstrekt uitzichtloze, onmenselijke situatie verkeert uit zijn lijden te verlossen”? Impliceert dit naar uw opvatting een plicht tot het toepassen van euthanasie in bepaalde gevallen?
  8. Hoe verhoudt deze stellingname zich tot de duidelijke uitspraken van de wetgever dat van een plicht tot het plegen van euthanasie evenmin sprake is als van een recht op euthanasie? En hoe verhoudt uw opmerking zich tot hetgeen vermeld wordt in het hiervoor genoemde kabinetsstandpunt van 8 juli, te weten “Een arts is niet verplicht om uitvoering te geven aan een in een wilsverklaring neergelegd verzoek om euthanasie”?
  9. Bent u bereid klip en klaar uit te spreken dat van ‘een plicht van de arts om een ondraaglijk lijdende patiënt uit zijn lijden te verlossen’ nooit en te nimmer sprake kan zijn?
[1] Kamervragen 2003-2004, 1817, beantwoord op 29 juni 2004

Nieuwsarchief > 2004

december

november

oktober

september

augustus

juli

juni

mei

april

maart

februari

januari