Vragen over euthanasie bij dementie

dinsdag 29 juni 2004 11:36

Vragen van de Kamerleden Rouvoet (ChristenUnie) en Van der Vlies (SGP) over euthanasie en dementie. (ingezonden 4 juni 2004)

Met antwoord.

Vragen van de Kamerleden Rouvoet (ChristenUnie) en Van der Vlies (SGP) over euthanasie en dementie
(ingezonden 4 juni 2004)


  1. Bent u destijds geïnformeerd over het besluit van het College van Procureurs-Generaal op 8 oktober vorig jaar om af te zien van strafrechtelijke vervolging van een arts die euthanasie heeft toegepast bij een patiënt met beginnende dementie?[1] Zo ja, op welke wijze?
  2. Had dit besluit uw uitdrukkelijke of stilzwijgende instemming?
  3. Is het waar dat het feit dat de arts in kwestie zich 'toetsbaar' opstelde mee heeft gewogen in het seponeren van de zaak? Hoe verhoudt zich dit tot het gegeven dat melding van levensbeëindigend handelen gewoon een wettelijke plicht is? Waarom kan het 'zich toetsbaar' opstellen dan leiden tot vrijwaring van strafvervolging?
  4. Is het waar dat voor de patiënt in kwestie het ‘schrikbeeld van zijn beide ouders’ en het ‘vooruitzicht van decorumverlies’ in belangrijke mate bijdroeg aan de ondraaglijkheid van zijn lijden? In hoeverre is hierbij sprake van een objectieve vaststelling van de 'ondraaglijkheid' van het lijden?
  5. Betekent dit besluit dat dementie of het vooruitzicht van dementie als grond voor euthanasie wordt toegestaan? Zo neen, hoe wordt dan precedentwerking voorkomen? Zo ja, welke argumenten heeft u om ons ervan te overtuigen dat dit geen ongewenste verruiming van de interpretatie van de Euthanasiewet?

    Antwoord  van de Ministerie van Justitie (ingekomen 29 juni 2004):

    1. en 2. In de Overlegvergadering van 8 oktober 2003 heb ik deze zaak met het College van procureurs-generaal besproken en ingestemd met het voorgenomen besluit om de zaak voorwaardelijk te seponeren.
    1. , 4 en 5. Het College van procureurs-generaal heeft in deze zaak alle feiten en omstandigheden bestudeerd en zich laten adviseren door de betrokken hoofdofficier van justitie, de inspectie voor de gezondheidszorg en een onafhankelijke deskundige. Hoewel de zaak wetenschappelijk gezien zonder meer tot het medisch domein behoorde, bestond de ondraaglijkheid van het lijden onder andere uit het psychische lijden van patiënt tengevolge van ‘het schrikbeeld van zijn beide ouders’ en het ‘vooruitzicht van decorumverlies’. Er bestond in deze zaak twijfel over de vraag of de ondraaglijkheid van het lijden kon worden geobjectiveerd. Het dossier bood hiertoe wel aanknopingspunten, maar nader onderzoek naar de psyche van de patiënt leek geïndiceerd. Dit was echter niet meer mogelijk nu de patiënt reeds was overleden. Na ampel beraad heeft het College met mijn instemming daarom besloten om de zaak voorwaardelijk te seponeren. Bij deze beslissing speelde het ‘zich toetsbaar opstellen’ slechts een ondergeschikte rol.

      Naar aanleiding van deze zaak heeft het College van procureurs-generaal een brief gestuurd naar de K.N.M.G. met het verzoek de visie van het Openbaar Ministerie onder de aandacht van hun leden te brengen. In deze brief stelt het College zich op het standpunt dat de diagnose Alzheimer onvoldoende indicatie is om over te gaan tot hulp bij zelfdoding of euthanasie, tenzij er sprake is van een situatie zoals is beschreven in het Chabot-arrest (HR 21 juni 1994, NJ 1994, 656). Voor een goede (strafrechtelijke) beoordeling van een dergelijke zaak is een degelijk onderbouwde diagnose cruciaal, omdat anders de objectieve vaststelling van de ondraaglijkheid van het lijden niet vast te stellen is, aldus het College.

      Er is mijns inziens geen reden om aan te nemen dat er sprake zal zijn van precedentwerking, nu het hier een uniek geval betreft.  Het Wetboek van Strafrecht staat beroep op een strafuitsluitingsgrond toe. Eén daarvan is de overmacht in de zin van noodtoestand.  Daarbij gaat het er om dat de arts een strafbaar feit moet plegen om een gerechtvaardigd doel te bereiken. Noodtoestand bestaat er in dit soort gevallen uit dat de arts in een conflict van plichten is verwikkeld. Aan de ene kant heeft de arts de plicht om het leven van de patiënt te behouden. Aan de andere kant heeft de arts de plicht om een ondraaglijk lijdende patiënt die in een volstrekt  uitzichtloze, onmenselijke situatie verkeert uit zijn lijden te verlossen. De arts die moet kiezen uit een van deze plichten moet bij zijn keuze de medisch wetenschappelijke inzichten en de medische ethische normen betrekken. Het is deze afweging die het openbaar ministerie betrekt bij zijn beoordeling van het concrete geval. Ten overvloede wijs ik erop dat tijdens de behandeling van het wetsvoorstel aan de orde is geweest dat het denkbaar is dat een arts, die betrokken is bij de actieve levensbeëindiging van een patiënt die lijdt aan de ziekte van Alzheimer, zorgvuldig heeft gehandeld en derhalve zich kan beroepen op noodtoestand. Ik ben dan ook van oordeel dat de beslissing in deze zaak niet leidt tot verruiming van de interpretatie van de Euthanasiewet.


    [1] de Volkskrant, 3 juni jl.

    Nieuwsarchief > 2004

    december

    november

    oktober

    september

    augustus

    juli

    juni

    mei

    april

    maart

    februari

    januari