Verslag Wijziging Wet op de orgaandonatie

dinsdag 25 mei 2004 13:45

André Rouvoet, verslag
 
De leden van de fractie van de ChristenUnie hebben met belangstelling kennisgenomen van het onderhavige wetsvoorstel. Het wetsvoorstel geeft deze leden aanleiding tot het stellen van een aantal vragen en het maken van enkele opmerkingen.
 
Het voorliggende wetsvoorstel wordt beschouwd als sluitstuk van het plan van aanpak orgaan-donatie. (MvT, p. 1/2) Doelstelling van dit plan is de bevordering van het aanbod van donoror-ganen. Deze doelstelling is de afgelopen jaren zeker gedeeld door de leden van de fractie van de ChristenUnie. Het brengt deze leden echter wel tot de vraag of de regering van mening is dat ge-zien het huidige wettelijke stelsel, alle middelen in redelijkheid zijn aangewend om tot een opti-male situatie te komen. Zij stellen deze vraag tevens met het oog op de verdere discussie die ko-mend jaar gevoerd zal worden naar aanleiding van de tweede evaluatie van de WOD. (MvT, p.3)
 
Ten aanzien van de hoofdlijnen van het wijzigingsvoorstel valt het de leden van de fractie van de ChristenUnie op dat er een aantal argumenten wordt gegeven voor de verplichting tot het invullen van een formulier bij overlijden in een ziekenhuis. Zij stellen bij deze argumenten echter de vraag met welke frequentie en op welke termijn er zicht op het werkelijke donorpotentieel zal komen. Zij vragen of het orgaancentrum verantwoordelijk wordt voor de inzameling, archivering, verwerking en openbaarmaking van deze gegevens. Deze leden wijzen hierbij op de aandacht die, ook bij registratie van dergelijke formulieren, uit dient te gaan naar de bescherming van persoonsgegevens.
 
Wat betreft het voorstel om degenen die professioneel betrokken zijn bij orgaandonatie beter te ondersteunen en te faciliteren, merken de leden van de fractie van de ChristenUnie op dat zij positief staan tegenover het idee van een donatiefunctionaris. Zij geven echter wel aan dat een dergelijke functionaris een functie heeft die grote zorgvuldigheid vereist. Daarom vragen zij of de regering bepaalde richtlijnen kan geven voor de werkwijze van een dergelijke functionaris. Deze functionaris neemt immers taken op zich op een terrein waar zich moeilijke situaties en dilemma’s kunnen voordoen. De leden van de fractie beschouwen grote zorgvuldigheid tevens van belang met het oog op de nabestaanden. Is de regering met hen van mening dat dit reden vormt tot het stellen van bepaalde eisen aan kandidaten voor de functie van delegatie-functionaris? Indien dit het geval is, kan de regering hier ook concreet enkele eisen noemen?
Tevens zouden de leden het schadelijk vinden indien onduidelijkheid over de positie van een dergelijk functionaris ontstaat. Zij vragen of de regering van mening is dat met het oog op duidelijkheid voor de samenleving gestreefd moet worden naar één benaming van de functie. Daarbij wijzen ze ook op het feit dat voor nabestaanden goede informatie dient te bestaan over verdeling van taken en bevoegdheden tussen arts en functionaris. Zij vragen of de regering deze opvatting met hen deelt en welke consequenties hij daaraan verbindt.
 
 
 
De huidige praktijk laat zien dat ook bij een positieve wilsverklaring van de overledene er nog veel aandacht is voor de mening van nabestaanden. De leden van de fractie van de ChristenUnie vinden het een positieve ontwikkeling dat de wilsbeschikking van een overledene in het huidige wetsvoorstel meer zeggingskracht krijgt. Zij vragen of dit bekend zal worden gemaakt onder de burgers. Dit met het oog op de positie van de nabestaanden en de waarde die donoren op dit moment zelf hechten aan hun wilsbeschikking.
 
De leden van de fractie van de ChristenUnie hebben ook enkele vragen met betrekking tot de mogelijkheid om mensen die nog niet eerder een aan hen toegezonden registratieformulier hebben geretourneerd, opnieuw te benaderen. (MvT, p.6) Zij vragen of er een perspectief is dat de kosten-batenverhouding van een dergelijke mailing verbetert ten opzichte van 2002. Deze vraag stellen zij in verband met de noodzakelijkheid van een dergelijke wetswijziging.
Tevens vragen zij zich af of het wetsartikel in casu ruimte biedt voor een hogere frequentie van aanschrijvingen ter herinnering dan een eenmalige verzending.
 
Ten aanzien van de wijzigingen in artikel 20 hebben de leden van de fractie van de ChristenUnie enkele vragen en opmerkingen. Met betrekking tot het eerste lid vragen zij zich af of het gewijzigde artikel voldoende duidelijk maakt dat een arts eerst de mogelijkheid tot donatie onderzoekt. Deze leden hebben de indruk dat het huidige artikel meer ruimte biedt, namelijk al de mogelijkheid tot onderzoek door een functionaris indien contra-indicatie ontbreekt. Indien arts en functionaris verschillende personen zijn, vragen deze leden of het huidige lid wel voldoende de eerste verantwoordelijkheid bij de arts legt.
Met betrekking tot het derde lid blijven de leden van de fractie van de ChristenUnie het bevreemdend vinden dat hier voor een andere groep naasten gekozen wordt dan in de overige gevallen waarin de wet voorziet. De leden van de fractie van de ChristenUnie vinden de gedachte van dit artikellid in zoverre sympathiek dat degenen die echte ‘naasten’ voor de overledene waren ook ingelicht worden. Zij vrezen echter dat het lastig zal zijn te bepalen wie er onder het begrip naaste valt. Daarom vragen zij zich af of een nadere bepaling, zoals ook door de Raad van State is bepleit, toch niet verstandiger is en tevens meer zekerheid geeft aan de donor.
Zij voeren hiertoe aan dat de problemen die geschetst worden door de NVN en de KNMG juist moeten aansporen tot grote zorgvuldigheid. Daarom vinden zij het opvallend dat het wetsvoorstel nu de mogelijkheid opent om de in artikel 11 bedoelde nabestaanden niet altijd in te lichten. Het feit dat er nu geen toestemming vereist wordt, doet niets af aan de zorgvuldigheid die jegens deze groep van nabestaanden betracht dient te worden. Deze leden vragen of de regering met hen van mening is dat zorgvuldigheid juist ook in deze situaties zeer belangrijk is. Zij vragen tevens of deze zorgvuldigheid niet juist moeten gelden jegens de in artikel 11 bedoelde personen. Daarbij willen ze naar de mening van de regering vragen of de huidige formulering van het derde lid aanleiding zou kunnen vormen voor verwarring, doordat per ziekenhuisprotocol een andere keuze wordt gemaakt. Zij vragen daarbij ook of deze onduidelijkheid geen negatieve gevolgen voor de piëteit richting omringenden kan hebben.
 
Het eerste lid van het voorgestelde artikel 22 geeft een opsomming van voorbereidingen op de implantatie. De leden van de fractie van de ChristenUnie vragen zich af of deze opsomming limitatief is. Zij vragen zich tevens af wat de waarde van het benoemen van een aantal medische handelingen is gezien de strekking van de laatste zinsnede van dit lid, waaruit blijkt dat andere maatregelen indien noodzakelijk ook getroffen kunnen worden.

Nieuwsarchief > 2004

december

november

oktober

september

augustus

juli

juni

mei

april

maart

februari

januari