Bijdrage debat Israëlische afscheidingslinie

donderdag 05 februari 2004 09:45

André Rouvoet: Voorzitter. Ik vervang in dit debat mijn fractiegenote mevrouw Huizinga. Dit debat gaat over een verklaring die is ingediend bij het Internationaal Gerechtshof. De tekst daarvan is niet openbaar. Dat maakt het debat ietwat schimmiger, maar de strekking van het debat is duidelijk, dat is een beoordeling, niet zozeer van de wenselijkheid of de consequenties van de muur, maar de consequenties van het voorleggen van het vraagstuk aan het Internationaal Gerechtshof.
 
Sinds de Verenigde Naties in december het verzoek hebben laten uitgaan om het Internationaal Gerechtshof een uitspraak te laten doen over de scheidingsmuur in Israël, heeft dat onderwerp de gemoederen danig beziggehouden.
Dat deed het verschijnsel van die afscheiding op zichzelf natuurlijk al langer. Ik kan in dit debat betrekkelijk kort zijn, omdat de fractie van de ChristenUnie zich kan vinden in de lijn van de Europese Unie en de Nederlandse regering dat een uitspraak van het Gerechtshof een oplossing voor het conflict in het Midden-Oosten niet dichterbij brengt.
 
De stap van de Nederlandse regering om daar met anderen bezwaar tegen te maken, kan mijn fractie dan ook geheel steunen. Het gaat daarbij niet om de vraag of je voor of tegen de afscheiding bent. Ook dan kan de vraag gesteld worden in hoeverre dat de vrede in het Midden-Oosten dichterbij brengt. Mijn fractie heeft veel begrip voor het feit dat Israël haar inwoners wil beschermen tegen terroristische aanslagen. Dat is ook het recht, zelfs de plicht van een overheid.
Ik ben het met anderen eens dat je een discussie over de afscheiding niet kunt voeren zonder de voorgeschiedenis daarbij te betrekken. Als er geen terrorisme was, was er ook geen sprake van een afscheiding met een muur. Als de Palestijnse autoriteit de beloftes die zij in het kader van de Oslo-akkoorden op zich heeft genomen, was nagekomen, waren er nu open grenzen geweest. Dan waren die terroristische takken dus ontmanteld en was er geen afscheiding geweest.
 
De heer Koenders (PvdA): De ChristenUnie is, voor zover ik weet, altijd een groot voorstander geweest van een versterking van het Internationale Hof. Nu brengt u hier de redenering naar voren dat een advisering door dat Hof de politieke oplossing van het conflict waar wij het nu over hebben, de muur, verder weg zou brengen. Ik heb daar geen enkele argumentatie voor gehoord. Een argument zou juist kunnen zijn dat vanwege het feit dat op politiek terrein op het ogenblik geen doorbraak te forceren lijkt, het verstandig is om advisering door het Hof te vragen. Het bevreemdt mij dat uw fractie daar tegen is. Misschien heeft u een politiek oordeel over de zaak, maar het gaat mij om de juridische aspecten.
André Rouvoet: In de perceptie van mijn fractie dreigen politieke en juridische aspecten door elkaar te gaan lopen. Ik vind het een oneigenlijke route om te proberen een politieke impasse – daar zitten wij al een poosje in als het gaat om de problematiek in het Midden- Oosten – te doorbreken via het voorleggen van een juridische vraagstelling aan het Internationaal Hof. Ik ben het op dat punt eens met de Nederlandse regering. Dat staat los van de vraag hoe je aankijkt tegen de jurisdictie, de rechtsmacht van het Internationaal Hof. Ik zal daar straks nog een vraag over stellen als het gaat om de bevoegdheid van het Hof. Ik denk dat het een verkeerde route is om te proberen een politiek conflict, met een lange politieke voorgeschiedenis, via een juridische route te forceren, open te breken. Dat gaat wat mij betreft ook voorbij aan de voorgeschiedenis.
 
De heer Koenders (PvdA): Het gaat hier toch niet om een forcering of een definitieve oplossing. Het gaat hier om het feit dat in een belangrijke internationale procedure een groot aantal landen heeft gevraagd of hier advisering over kan komen. Hoe kunt u nu al weten dat dat negatief is voor de oplossing van het probleem? Misschien kan het er juist aan bijdragen. Waarom wilt u zich daar zo tegen verzetten en zelfs de regering steunen als zij zegt dat het Hof zelfs niet van haar discretionaire bevoegdheid gebruik zou moeten maken? Dat is toch iets van het Hof?
André Rouvoet: Het gebruik van de woorden ’’zelfs met de regering meegaan’’ impliceert min of meer dat dit het ergste is wat je in dit huis kunt doen. Als je het met de redenering eens bent, is er volgens mij niet veel op tegen om je in de lijn van de regering te voegen. De vraag is of de adviesaanvraag aan het Hof de juiste weg is om een conflict met een diepe politieke dimensie op te lossen. Het lijkt mij beter om alle inspanningen te richten op een terugkeer naar de Routekaart. De toezeggingen en inspanningen die de partijen in dat kader hebben gedaan en op zich hebben genomen, moeten nieuwe impulsen krijgen. Ik meen dat ik in de spaarzame tijd die mij gegeven is, voldoende aannemelijk heb gemaakt op grond van welke motieven wij de lijn van de regering volgen.
 
Ook mijn fractie is van mening dat er oog moet zijn voor de consequenties van de afscheiding. Ik denk hierbij vooral aan de humanitair ongewenste effecten. Daar mogen wij niet aan voorbijgaan. Je mag niet volstaan met het afwijzen van het middel. Wij delen de zorg die de minister in zijn brief verwoordt dat de ontwikkelingen rondom de afscheiding een hypotheek kunnen leggen op de toekomstige onderhandelingen over vrede in het Midden- Oosten. Ik verneem graag in hoeverre het Hof bevoegd is om een uitspraak over dit onder-werp te doen. Ik hecht eraan om van de minister een exactere uitleg te krijgen. Vindt de rege-ring het alleen onwenselijk of is het juridisch onmogelijk? Hoe ziet de regering in dat verband het oordeel van de VS en Groot-Brittannië dat het Hof zich niet moet laten politiseren?

« Terug

Reacties op 'Bijdrage debat Israëlische afscheidingslinie'

Geen berichten gevonden

Log in om te kunnen reageren op nieuwsberichten.

Nieuwsarchief > 2004

december

november

oktober

september

augustus

juli

juni

mei

april

maart

februari

januari