Bijdrage debat DNA-onderzoekin strafzaken

donderdag 18 maart 2004 15:11

André Rouvoet: Voorzitter. Ik denk dat mijn bijdrage betrekkelijk kort kan zijn, want uit onze schriftelijke inbreng is al gebleken dat de hoofdlijnen van het wetsvoorstel op onze steun kunnen rekenen. Wij hebben de afgelopen periode meermaals over DNA in strafzaken gesproken. Ook in die debatten was onze lijn te onderkennen.

Wij laten ons leiden door de notie dat wij de mogelijkheden die DNA-onderzoek ons tegenwoordig biedt, zullen moeten gebruiken, zij het dat wij ons daarbij twee dingen voor ogen moeten stellen. In de eerste plaats dat er sprake moet zijn van goede, tevoren vastgestelde strafrechtelijke doeleinden. Dit is essentieel; niet alles wat kan, mag. Ik pleit dus voor een inperking door de strafrechtelijke doeleinden die wij ons hebben gesteld. In de tweede plaats dat het zorgvuldig moet zijn en dat er waarborgen moeten zijn tegen eventueel misbruik. Dat zijn de ijkpunten van mijn fractie bij de beoordeling van wetsvoorstellen op dit terrein. Overigens herhaal ik nu wat ik bij de behandeling van het vorige wetsvoorstel inzake DNA in strafzaken naar voren heb gebracht.
Voor mij is het onbestaanbaar als er geen gebruik zou worden gemaakt van een moge-lijkheid om op betrekkelijk eenvoudige wijze hetzij het oplossingspercentage van misdrijven betekenisvol omhoog te brengen, hetzij een bijdrage te leveren aan preventie van misdrijven. Daar komt bovendien nog bij dat de technische ontwikkelingen zo zijn dat de feitelijke inbreuk op de privacy en meer in het bijzonder op de lichamelijke integriteit steeds kleiner wordt.
Ik wil daarbij verder opmerken dat, hoe belangrijk grondrechten ook zijn, het feit dat een grondrecht in het geding is, geen absolute verhindering is om wetsvoorstellen door te voeren. Inherent aan grondrechten is namelijk dat zij bij formele wet ingeperkt kunnen worden. Die afweging moet je altijd maken, maar louter het feit dat de lichamelijk integriteit in het geding is, is geen voldoende reden om ''nee'' te zeggen tegen wetsvoorstellen. Integen-deel: naarmate de inbreuk op de lichamelijke integriteit kleiner wordt, ontstaat er meer ruimte voor wetgeving die de opsporing en de preventie van misdrijven kan bevorderen.

Om de mogelijkheden van DNA te kunnen benutten, is het essentieel dat er een breed bestand aan DNA-profielen wordt opgebouwd. Dat is geen doel op zich, maar wel een voorwaarde om de bestrijding, de opheldering en de preventie van misdrijven door middel van DNA te verbeteren. Als je over een breed bestand met DNA-profielen beschikt, kan dat leiden tot de opsporing en vervolging van een verdachte als je DNA-sporen aantreft op de plaats van een misdrijf. Ook al zal er in veel gevallen - ik ga daar nu niet dieper op in - aanvullend bewijsmateriaal voorhanden moeten zijn, omdat de aanwezigheid van herleidbaar
DNA-materiaal onvoldoende bewijs is. De aanwezigheid van dergelijk materiaal kan immers op meerdere wijzen verklaard worden.

Voor het belang van DNAonderzoek in strafzaken verwijs ik naar het rapport My home is my castle over DNA-profielen bij woninginbraken. De toenmalige minister van Justitie heeft bij de aanbieding van dit rapport in 1999 een toespraak gehouden. Verder verwijs ik naar het congres Sporen naar de toekomst dat in november jl. is gehouden en waar de huidige minister van Justitie een toespraak heeft gehouden. Ik heb deze toespraken met veel belangstelling herlezen. 
Hoe bouw je een DNA-profielenbestand op? Het ligt voor de hand om, zoals voorgesteld in dit wetsvoorstel, dat bestand op te bouwen aan de hand van materiaal van veroordeelden. Ik heb al eerder aangegeven dat mijn fractie hier niet afwijzend tegenover staat en het zal dan ook geen verbazing wekken dat mijn fractie dit wetsvoorstel, waarin dit immers wordt geregeld, ondersteunt. De bevoegdheid om dat DNA-materiaal af te nemen, zoals die ingekaderd is in het wetsvoorstel, onderscheidt zich ten principale maar weinig van andere vormen van de opbouw van justitiële gegevens inzake veroordeelden, zoals foto’s en vingerafdrukken. Gelet op het raakvlak met grondrechten is het wel noodzakelijk dat er een aparte wettelijke regeling wordt getroffen. Gezien de extra dimensie dat er grondrechten in het geding zijn, kun je het namelijk niet als iets vanzelfsprekends regelen.

De heer De Wit (SP):U noemt in uw bijdrage de lichamelijke integriteit en de privacy als belangrijke argumenten, maar u merkt daarbij wel op dat zij voor u geen reden zijn om tegen dit wetsvoorstel te zijn. Ik wil u er echter op wijzen dat hierbij nog enkele andere argumenten moeten worden betrokken. Zo wordt het huidige doel van het gebruik van DNA, de opsporing, losgelaten. Op het moment dat iemand veroordeeld is, loopt er immers geen onderzoek naar hem. Een ander argument is dat iemand in ons land niet met strafrechtelijke maatregelen geconfronteerd mag worden, zolang hij onschuldig is.

André Rouvoet: Dit is een relevante vraag, die ik impliciet al wel heb beantwoord. Naarmate de inbreuk op een grondrecht als de lichamelijke integriteit kleiner wordt, komt DNA-onderzoek meer op één lijn te staan met de opbouw van andere justitiële gegevens, zoals foto’s en vingerafdrukken, die ook worden bewaard en vastgelegd in systemen.

Daarvan vinden wij niet dat er een inbreuk mee wordt gepleegd op het uitgangspunt dat iemand onschuldig is tenzij het tegendeel is bewezen. Het is in dit licht niet zo dat de relatie met de opsporing van delicten wordt losgelaten. Het kan een rol spelen bij de opheldering van andere delicten, die mogelijk kunnen worden gekoppeld aan de betrokkene die inmiddels is veroordeeld. Na aanvaarding van dit wetsvoorstel kunnen DNA-profielen van veroordeelden dezelfde functie vervullen als foto's en vingerafdrukken. Het is overigens niet zo - ik hecht eraan om deze opmerking te maken - dat ik de lichamelijke integriteit niet van belang vind; grondrechten zijn altijd van belang. Er moet echter altijd een weging worden gemaakt tussen grondrechten en belangrijke publieke doelen en belangen, in dit geval de opheldering van misdrijven. In het licht van die balans is het mogelijk om grondrechten te beperken, zeker naar mate de inbreuk relatief klein is.

De heer De Wit (SP): Bij mijn weten worden vingerafdrukken en foto's niet gemaakt als iemand de gevangenis uitloopt maar op het moment dat iemand verdachte is in een concreet onderzoek. Is de heer Rouvoet het met mij eens dat daarin een verschil zit?

André Rouvoet: Dat is waar. In die zin zitten wij in een overgangs-situatie. Bij verdachten is het mogelijk om bijvoorbeeld al vingerafdrukken te nemen voordat het proces van start gaat. Bij de afname van DNA proberen wij nu op hetzelfde niveau te komen. In dat kader ligt het voor de hand - wij steunen dat - om dit ook bij veroordeelden te doen. Bij hen kan niet meer worden gewacht tot zij verdacht zijn. Dit achterwege laten zou een onnodige beperking zijn van een goede methode om de opheldering van misdrijven te bevorderen. Het wetsvoorstel is ook van toepassing op reeds veroordeelden:
de ''overgangsregeling''.

Ik zie daar niet zoveel bezwaren tegen, maar er moet wel sprake zijn van een goede ar-gumentatie, zeker in het licht van het EVRM. Daarbij gaat het om het voorzienbaarheidsver-eiste. Bij de voorbereiding heeft dit punt een belangrijke rol gespeeld in de inbreng van een aantal fracties, wat ik terecht vind. Wij moeten ervoor uitkijken om achteraf op onze vingers te worden getikt. Door reeds veroordeelden kan dit worden beleefd als een ''strafverzwaring'': ik was al veroordeeld en nu moet ik alsnog mijn DNA afstaan. Kan de minister nog eens in-gaan op de argumentatie in het licht van het EVRM in verband met het van toepassing ver-klaren op de reeds veroordeelden, met name uit het oogpunt van het voorzienbaarheidsver-eiste?

Op basis van de stukken denk ik dat ik mij erin kan vinden, maar voor de wetsgeschiedenis is het van belang dat dit nog eens goed wordt neergezet, voor het geval dat hierover later op grond van het EVRM vragen worden gesteld.

De heer Dittrich (D66): De heer Rouvoet doet nu alsof het een soort bijzaak is van dit wetsvoorstel dat DNA bij veroordeelden wordt afgenomen. Daar gaat dit hele wetsvoorstel toch juist over?

André Rouvoet: Ik sprak over de ''reeds veroordeelden''. Door sommigen werd hiernaar, overigens ten onrechte, verwezen met de ''terugwerkende kracht''; dat is het niet. Het gaat er dus om dat niet alleen in de toekomst maar ook bij mensen die nu al zijn veroordeeld en dit wetsvoorstel bij hun veroordeling niet konden kennen, DNA kan worden afgenomen.
Voorzitter. De heer Van Haersma Buma noemde de logica om het afnemen van DNA te beperken tot misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Je kunt de principiële argumenten zodanig wegen dat een en ander geen belemmering hoeft te zijn voor afname van DNA. Ook mijn fractie denkt dat het dan de vraag is of die afname noodzakelijkerwijs moet worden beperkt tot de misdrijven waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Argumenteert de regering hierbij principieel of toch vooral praktisch? Mijn invalshoek is de praktische, evenals die van de heer Van Haersma Buma. Ik doel op de verwerkingscapaciteit. Er komt al een megaoperatie af op de desbetreffende instanties, als ik het goed begrijp. Ook voor mijn fractie zou het geen bezwaar zijn om het afnemen van DNA op termijn uit te breiden tot andere delicten. Dat vinden wij, omdat de ingreep steeds minder hoeft te worden gekoppeld aan de integriteit van het menselijk lichaam.

Toenmalig minister Korthals heeft daarover opmerkingen gemaakt bij de presentatie van het rapport My home is my castle, over de relatie van woninginbraken en DNA-profielen.

Geleerden voorzagen dat het zo eenvoudig wordt, dat er eigenlijk geen sprake meer zal zijn van inbreuk op de lichamelijke integriteit.

In het verleden, onder meer in de toespraak die toenmalig minister Korthals in 1999 hield, was er nog sprake van dat de afname van het wangslijmvlies alleen door artsen of ver-pleegkundigen kon worden verricht. Ik weet niet of dat nog steeds het geval is. Het zou mij verbazen. Ik kan mij voorstellen dat je dat niet aan iedereen overlaat, bijvoorbeeld aan de eerste de beste cipier. Maar je kunt er bepaalde delen van het gevangenispersoneel voor aan-wijzen. Deze mensen kunnen dan met enige bijscholing of instructie wangslijmvlies afne-men. Misschien gebeurt dat al. Wat is de stand van zaken? Wie neemt nu het wangslijmvlies af? Dit is zeker van belang, omdat de eerstkomende drie jaar zo'n 26.000 veroordeelden hun DNA zullen afstaan. Dat betekent dat 26.000 keer wangslijmvlies zal worden afgenomen. Daarbij komt dat ook van de 5500 reeds veroordeelden wangslijmvlies zal worden afgenomen. Vervolgens zal het jaarlijks 6000 mensen gebeuren. Dat zijn nogal wat mensen. Als het allemaal door artsen en verpleegkundigen moet worden gedaan, heb ik er aarzelingen bij. Materieel lijkt het mij ook niet noodzakelijk. Wil de minister op dit punt ingaan?

In het verslag hebben wij reeds de vraag naar voren gebracht of het niet goed zou zijn om een en ander ook van toepassing te laten zijn op mensen die reeds tot een taakstraf zijn veroordeeld. De regering sluit dat uit, maar ik begrijp niet goed waarom zij dat doet. Zij zegt dat het wel gebeurt bij mensen die in de toekomst tot een taakstraf worden veroordeeld, maar in de groep reeds veroordeelden zullen de tot een taakstraf veroordeelden niet worden meegenomen. Ik kan de argumentatie daarvan niet goed begrijpen. Is het werkelijk zo ongewenst om ook reeds tot een taakstraf veroordeelden in het traject mee te nemen?
 
Over de aantallen heb ik al gesproken. Ik stel vast dat wij nog vreselijk achterlopen als wij ons land vergelijken met het Verenigd Koninkrijk, zelfs als de aantallen die de komende jaren op stapel staan worden meegerekend. In het Verenigd Koninkrijk zijn volgens mij nu al 1,6 miljoen DNA-profielen bekend. Het is weliswaar geen doel op zichzelf om dat te evenaren, maar wij moeten nog een flinke slag maken. Van de capaciteit zal veel worden gevergd.

Ik heb mij zojuist niet in het interruptiedebat over de motie-Van Haersma Buma gemengd, omdat de vragen die ik had al door anderen waren gesteld. Ik vind het ook wel chic om te zeggen op welke manier ik er tegenover sta. Wat de heer Van Haersma Buma voorstelt is volgens mij niet zo heel ernstig, maar dat zegt meteen iets over mijn oordeel over het amendement. Ik betwijfel namelijk of de toegevoegde waarde ervan erg groot is. Het woord ''redelijkerwijs'' is bijvoorbeeld in zijn formulering gehandhaafd, maar hij zegt dat hij het koppelt aan twee specifieke criteria. Dat zou een beperking moeten zijn. Mij lijkt eerlijk gezegd het risico ook aanwezig dat dit een uitnodiging is aan de betrokkenen en hun advocaten om de redenen waarom zij bezwaar zouden willen maken, onder de bijzondere omstandigheden van het geval te brengen, die in zijn formulering worden meegenomen. Ik kan mij heel wat creatieve gedachten voorstellen waarmee men daarin zal slagen. Of het amendement een rem zal zijn op het aantal daadwerkelijk ingediende bezwaren, waag ik te betwijfelen. De voorbeelden die de heer Van Haersma Buma noemt, zoals meineed, zijn zo evident dat ik er alle vertrouwen in heb dat het indienen van een bezwaar sowieso zinledig is, met of zonder amendement-Van Haersma Buma.

« Terug

Reacties op 'Bijdrage debat DNA-onderzoekin strafzaken'

Geen berichten gevonden

Log in om te kunnen reageren op nieuwsberichten.

Nieuwsarchief > 2004

december

november

oktober

september

augustus

juli

juni

mei

april

maart

februari

januari