Vragen over Uitspraak Gerechtshof Den Haag - euthanasie

maandag 22 maart 2004 15:30

Vragen van de leden Van der Staaij, Van der Vlies (beiden SGP) en Rouvoet (ChristenUnie) aan de minister van Justitie over een uitspraak van het Gerechtshof in Den Haag inzake euthanasie.(Ingezonden 22 maart 2004)

Met antwoord.

Vragen van de leden Van der Staaij, Van der Vlies (beiden SGP) en Rouvoet (ChristenUnie) aan de minister van Justitie over een uitspraak van het Gerechtshof in Den Haag inzake euthanasie.(Ingezonden 22 maart 2004)
  1. Hebt u kennisgenomen van de uitspraak van het Gerechtshof in Den Haag inzake euthanasie?1
  2. Waarom heeft het Openbaar Ministerie geen cassatieberoep ingesteld?
  3. Hoe oordeelt u over het geruime tijdsverloop tussen de sluiting van het gerechtelijk vooronderzoek en de uiteindelijke datum van de terechtzitting?
  4. Deelt u de mening dat de in de antwoorden op eerdere schriftelijke vragen2 genoemde langdurige afwezigheid van de officier van justitie door ziekte geen goede reden is om een zaak vertraging op te laten lopen? Op welke manier wordt een dergelijke vertraging in de toekomst voorkomen?
  5. Deelt u de mening dat de motivering onder punt V,8 van de desbetreffende uitspraak niet logisch voortvloeit uit de blijkens punt V,3.5 vereiste zware motiveringseisen die gelden voor de in zeer uitzonderlijke gevallen uit te spreken niet-ontvankelijkheidverklaring? Zo neen, waarom niet?
  6. Hoe oordeelt u over het in de uitspraak gelegde verband tussen levensbeëindiging zonder verzoek en de term «symbolische strafoplegging»? Deelt u de mening dat euthanasiezaken vragen om een volwaardige, niet als symbolisch te kwalificeren strafoplegging?
  7. Hoe beoordeelt u de overweging van het Hof dat de nabestaanden van de patiënte volledig achter het handelen van beide huisartsen staan, mede in het licht van de constatering dat in de desbetreffende casus een uitdrukkelijk verzoek van de pattënte tot actieve levensbeëndiging ontbrak?
  8. Op welke manier denkt u te bevorderen dat strafrechtelijke vervolging in dergelijke gevallen in de toekomst door het Openbaar Ministerie adequater wordt opgepakt, binnen de eisen van de redelijke termijn die het EVRM vraagt?
 
Toelichting:
Deze vragen dienen ter aanvulling op eerdere vragen terzake van het lid Ormel (CDA), ingezonden 10 maart 2004.
1 Gerechtshof Den Haag, 3 maart 2004, LJN-nummer AO 4889, zaaknummer 2200546603.
2 Aanhangsel-Handelingen nr. 360, vergaderjaar 2003–2004.
Antwoord
Antwoord van minister Donner (Justitie). (Ontvangen 31 maart 2004)
  1. ja
  2. Het openbaar ministerie heeft besloten af te zien van cassatieberoep in de euthanasiezaak, omdat – gelet op de uitgebreide motivering van het Gerechtshof – de overschrijding van de redelijke termijn naar alle waarschijnlijkheid ook in cassatie overeind zal blijven.
  3. en 4. Voor het antwoord op de vragen 3 en 4 verwijs ik naar het antwoord op vraag 2 van de vragen van het lid Ormel over dezelfde kwestie.1
  1. , 6 en 7. Voor het antwoord op de vragen 5, 6 en 7 verwijs ik naar het antwoord op vraag 5 van de vragen van het lid Ormel over dezelfde kwestie.
  1. Voor het antwoord op de vraag 8 verwijs ik naar het antwoord op vraag 4 van de vragen van het lid Ormel over dezelfde kwestie.
1 Aanhangsel Handelingen nr. 1206, vergaderjaar 2003–2004.
 

« Terug

Reacties op 'Vragen over Uitspraak Gerechtshof Den Haag - euthanasie'

Geen berichten gevonden

Log in om te kunnen reageren op nieuwsberichten.

Nieuwsarchief > 2004

december

november

oktober

september

augustus

juli

juni

mei

april

maart

februari

januari