Bijdrage debat Begroting Justitie

dinsdag 02 november 2004 21:04

André Rouvoet: Mijnheer de voorzitter. De fractie van de ChristenUnie begint aan dit debat, terwijl wij nog diep onder de indruk zijn van de moord op Theo van Gogh. U zult van mij willen aannemen dat zowel zijn opvattingen als zijn stijl van optreden bij ons weinig warme gevoelens opriepen.

Theo van Gogh maakte een provocerend en riskant gebruik van de vrijheid van meningsuiting. Ik heb echter geleerd dat de essentie van tolerantie is, dat je aanvaardt dat anderen het op essentiële punten niet met je eens zijn en daar ook uiting aan geven. Echte tolerantie bewijst zich met name als controversiële of politiek incorrecte opvattingen in het geding zijn. Tegelijk is waar dat de keerzijde van de vrijheid van het woord ligt in de eis er een zorgvuldig gebruik van te maken.

Van Gogh zocht de grenzen van die zorgvuldigheid bewust op en ging naar eigen zeggen het liefst over die grenzen heen. Hij koos ervoor controversieel te zijn, in het besef dat hij heftige reacties en emoties opriep. Die zijn er dan ook gekomen. Zijn verbale geweld lokte verbaal tegengeweld uit. Maar - het moet in alle helderheid gesteld - controversiële opvattingen kunnen en mogen nooit legitimeren tot fysiek geweld of bedreigingen, laat staan moord en doodslag. Dat is de afschuw die ons vandaag vervult.
Het gebeuren van vandaag onderstreept de actualiteit van een onderwerp dat ik sowie-so al aan de orde wilde stellen bij deze Justitiebegroting. Dat is namelijk de vraag of ons rechtsbestel voldoende weerbaar is tegen bedreigingen van deelnemers aan het publieke de-bat, in het bijzonder publieke functionarissen. Het is helaas steeds minder uitzonderlijk ge-worden dat politici en opinieleiders worden beledigd, bedreigd of erger. Ik denk aan de minis-ter-president en andere bewindslieden, maar ook aan enkele collega's. Merkwaardig genoeg neemt het strafrecht hier niet in bijzondere mate stelling tegen. Natuurlijk kan men aangifte doen wegens belediging of bedreiging, maar het strafrecht geeft daarnaast het staatshoofd, de Koning, of ambtenaren in functie wel extra bescherming, maar de regeringsleider of volks-vertegenwoordigers niet of nauwelijks. Mag ik op dit punt een beschouwing van de minister? Immers, ook beledigingen en bedreigingen kunnen indirect de democratie ondergraven.
In de inleiding op de beleidsagenda van de Justitiebegroting wordt, kort gezegd, gesteld dat wij met z'n allen verantwoordelijk zijn voor de veiligheid in een samenleving en de vorming van een gemeenschap en dus niet alleen de overheid. Dat is terecht. Ik kom er graag bij het binnenkort te houden waarden- en normendebat op terug.

Ik wil wel vast een kanttekening maken. De eigen verantwoordelijkheid van burgers mag of moet in beeld zijn, maar mag niet fungeren als een excuus om als overheid de eigen verantwoordelijkheid te relativeren. Dat geldt in financiële zin, maar ook bij veiligheid. Ik noem één voorbeeld. Als ondernemers en instellingen steeds meer geld moeten uitgeven voor beveiliging wegens de omvang van braakschade en desondanks bij wijze van spreken nog geen computer op de begane grond durven laten staan en als scholen door zware hekwerken op een fort gaan lijken, is het geen wonder dat mensen zich afvragen wie in Nederland de dienst uitmaakt, de criminelen of de overheid. Je kunt je dan de maatschappelijke onvrede over het veiligheidsbeleid van de overheid goed indenken. Veel meer is te noemen, maar ik laat het hier maar even bij. Ik concludeer kortheidshalve dat wij staan voor de taak om de publieke ruimte terug te winnen, om de straat leefbaar te houden, en dat ook het veiligheidsbeleid daarop gericht dient te zijn.

Verleden jaar deed ik een voorstel, in het bijzonder gericht op het aanpakken van asociaal gedrag. Dat was het ''doe normaal''-bevel. Eigenlijk is het precies dat gedrag dat in Amsterdam recent in de Diamantbuurt zo uit de hand liep. Ik dank de minister voor zijn instemmende reactie vandaag. Wel ben ik tot mijn verrassing in die reactie het conceptwetsvoorstel inzake de zogenaamde gedragsmaatregel tegengekomen. De verwijzing lijkt mij terecht, want ook deze doet zeer sterk denken aan het plan van de ChristenUnie van verleden jaar. Dat leidt tot een vraag die alleen al uit een oogpunt van logica en wetssystematiek gesteld moet worden. Waarom wel de gedragsmaatregel, zeg maar een ''doe normaal''-bevel bij jeugdigen, en niet bij volwassenen? Graag verneem ik van de minister hoe ik een en ander in onderling verband moet zien.

In het kader van dezelfde slag om de publieke ruimte heb ik vandaag een voorstel gepresenteerd over drugsgebruik, namelijk voor een gebruiksverbod in de openbare ruimte. Ik zal ervoor zorgen dat de collega's en de minister nog tijdens dit debat een exemplaar daarvan krijgen. Het is er in de commotie van vandaag nog niet van gekomen. Ik wil met dit voorstel onderstrepen dat het gevaarlijk is, zeker voor jeugdigen, als wij drugsgebruik te zeer gewoon en acceptabel gaan vinden. Je ziet nu al dat ineens gedragscodes voor agenten en militairen moeten worden aangescherpt na excessen rond drugsgebruik.

Maar je ziet ook dat het ontmoedigingsbeleid jegens jeugdigen door de te grote tolerantie wordt ondergraven. Het wordt tijd om drugsgebruik minder gewoon te vinden. Daarom doen wij een tweeledig voorstel: in lijn met het rookverbod geen drugs op straat of in publieke ruimten en geen drugsgebruik door minderjarigen. Wil de minister op onze voorstellen reageren? Noodgedwongen ga ik in het kader van het thema zorg voor gedetineerden staccato in op drie punten, te beginnen met reclasseringzorg voor veelplegers. Het is van belang de resocialisatie tijdens en vooral na de detentie van veelplegers, in meerderheid verslaafd en gestoord, overeind te houden. Anders dweil je met de kraan open. Ik verwijs naar de brief van 30 oktober jongstleden van de stichting Verslavingsreclassering. Graag verneem ik een reactie.

Hoe kunnen justitiële jeugdinrichtingen in een tijd van minder geld en meermans-plaatsingen hun taak waarmaken? Wij moeten vermijden dat jeugdinrichtingen langzamer-hand steeds meer jeugdgevangenissen worden. Hoe denkt de minister die tweede kans die wij als samenleving aan jeugdigen verplicht zijn geloofwaardig overeind te houden? Het is ken-nelijk regel om kinderen van gedetineerde moeders af te nemen zodra zij een halfjaar zijn. Aan de ene kant kun je daar begrip voor hebben, aan de andere kant is het onbegrijpelijk. Is bijvoorbeeld ooit onderzocht welke gevolgen dit op  langere termijn heeft voor de ontwikke-ling van het kind? Onderzoek geeft aan dat een radicale verandering van de omgeving en ver-zorging tussen de 14 en 18 maanden tot hechtingsproblemen leidt. Graag krijg ik informatie over het hoe en waarom. In verband met de nazorg aan ex-gedetineerden wil ik verwijzen naar hetgeen collega Van der Staaij - daar ben ik van overtuigd - zo dadelijk te berde zal brengen. De haalbaarheid van inkomensafhankelijke boetes is wel eens onderzocht, maar het is nooit doorgevoerd. Het is evenwel succesvol in gebruik in bijvoorbeeld Zweden en Finland. Wil de minister het on-derzoek uit 1995 nog eens boven water halen en een nieuwe afweging maken voor concrete stappen?

Vooral Afrikaanse prostituees, vaak minderjarig, zijn het slachtoffer van mensensmokkel. Het is niet te boud gesteld dat vrijwel alle Afrikaanse prostituees hier illegaal zijn. Hoe kan het dan dat de politie, justitie en in het bijzonder de marechaussee op Schiphol hun beleid daar slechts mondjesmaat op afstemmen? Een vliegtuig, voor de helft of meer gevuld met vaak minderjarige Afrikaanse vrouwen die hun reis nooit zelf hebben kunnen betalen, moet toch alle bellen doen rinkelen? Wil de minister op dat punt reageren?

Nieuwsarchief > 2004

december

november

oktober

september

augustus

juli

juni

mei

april

maart

februari

januari