Bijdrage debat moord op dhr. Th. van Gogh

donderdag 11 november 2004 19:40

André Rouvoet: Voorzitter. Dit debat gaat over méér dan de moord op Theo van Gogh. Het gaat óók en misschien wel vooral over de aanwezigheid van extremisme en terrorisme in ons midden. Sinds vorige week zijn er twee vragen die ons allemaal bezighouden: wat is er aan de hand in Nederland? En: wat staat ons te doen?
 
De afschuwwekkende moord en de spiraal van geweld van de afgelopen dagen drukken ons met de neus op de rauwe feiten. Vrede en rust in de samenleving zijn niet vanzelfsprekend. Eens te meer is er het besef, na 11 september en 11 maart, dat de verschrikkingen van terreur en geweld niet alleen maar als tv-beelden van heel ver weg tot ons komen, maar heel dichtbij kunnen komen. Natuurlijk, er waren spanningen, ook in onze samenleving. En ja, wij waren verwikkeld in een debat over wat wel en wat niet kan bij de uitoefening van fundamentele grondrechten. Maar dan ineens is er een moord, ingegeven door religieuze motieven. En vol verbijstering lezen wij een brief in bloed gedoopt en druipend van haat, vol van doodsbedreigingen en verwensingen, tegen Nederland, tegen Europa, tegen Amerika, tegen de Joden, maar vooral tegen onze collega Ayaan Hirsi Ali.
Jihad in Amsterdam. Ongelooflijk! Onaanvaardbaar ook! Deelnemers aan het publieke debat moeten persoonsbeveiliging krijgen en Kamerleden kunnen niet meer frank en vrij hun werk als volksvertegenwoordiger doen. En intussen woeden op internet heftige discussies en verschijnen er verklaringen waarin met meer aanslagen wordt gedreigd.
 
En nog voor wij bekomen zijn van de eerste schrik, is er de schokgolf van aanslagen, brandstichting en geweld: moskeeën, kerken, scholen zijn de objecten. En dan de gebeurtenissen gisteren in Den Haag. Een terroristische cel, explosieven bij een huiszoeking door de politie, bestorming van een woning, inzet van speciale eenheden en ontruiming van een wijk. Mensen kunnen het niet bevatten, worden er bang van en ervaren dreiging, veelal onbestemd maar niet minder reëel. Dit gebeurt niet op de Balkan, in de Gaza-strook, in Afghanistan of Irak, maar gewoon hier in Nederland, in Den Haag en in Uden.
 
In deze beklemmende situatie heeft de minister-president gisteren in zijn verklaring hier in de Kamer de juiste toon getroffen. De namens de Nederlandse regering geuite scherpe afkeuring van alle geweld en zijn oproep tot dialoog en gezamenlijke inspanningen om de samenleving tot een veilige ruimte voor ons allemaal te houden, waren niet mis te verstaan. Inderdaad, van scholen, moskeeën en kerken blijf je af. Van onze collega’s ook. Van andermans vrijheid, laat staan andermans leven, blijf je af. Dit optreden was nodig, dit was goed. Deze inzet van de regering verdient onze onvoorwaardelijke steun.
Is het voldoende, zo werd gisteren gevraagd. Nee, natuurlijk niet! Er zijn concrete maatregelen nodig. Daarover gaat dit debat óók.
 
Maar het is minstens zo belangrijk dat het appèl dat de minister-president heeft gedaan op eenieder, wordt overgenomen door politieke leiders, geestelijke leiders, opinieleiders, onderwijsgevenden. Op hen en ons rust de plicht om nu op te roepen tot bezinning en kalmte; om bij te dragen aan depolarisatie en een vreedzame kanalisatie van emoties, van boosheid, frustratie en verontwaardiging.
 
Het is nu essentieel dat we alles op alles zetten om te voorkomen dat terroristen en extremisten hun zin krijgen en dat daadwerkelijk mensen en groepen in de samenleving tegenover elkaar komen te staan. Daarvoor zijn inspanningen nodig van autoriteiten, die bescherming kunnen en moeten bieden aan scholen en kerken en moskeeën. Daarbij mogen we niet vergeten dat, als gevolg van het nog steeds in onze samenleving aanwezige antisemitisme, joodse synagogen, scholen en instellingen al jarenlang niet zonder strenge bewaking kunnen. Inspanningen zijn ook nodig van de betrokken groepen en hun leiders zelf.
 
Gelukkig zit men niet stil: twintig maatschappelijke organisaties roepen vandaag in de kranten op tot verdraagzaamheid, samenwerking en respect, in het bijzonder rond het onderwijs; in kerken zijn christenen opgeroepen ook naar zichzelf en hun houding jegens de vreemdeling te kijken; er ontstaan initiatieven voor gebedssamenkomsten met het oog op de nood van onze samenleving; en er worden contacten gelegd met moslimorganisaties. Marokkaanse jongerengroepen in Amsterdam zijn de site "Dit pikken wij niet" begonnen. Om in de beeldspraak van de kabinetsbrief te blijven: dat is allemaal tegengif!
 
Mij viel op dat veel buitenlandse media uiting gaven aan de verbijstering dat dit uitgerekend in Nederland gebeurt: Nederland, dat sinds Willem van Oranje bekend staat als toonbeeld van verdraagzaamheid en tolerantie, juist waar het geloof en levensovertuiging betreft! Dat moet ons veel te zeggen hebben, óók met het oog op onze houding nú; die zal zich moeten kenmerken door tolerantie, ruimte bieden aan geloof, overtuigingen en opvattingen -- hoe ver ze misschien ook bij ons vandaan staan. Maar dat kan alleen als we tegelijk een onverbiddelijke intolerantie betonen jegens extremisme, haat, gewelddadigheid en terrorisme, hoe ook gemotiveerd.
 
Daarbij moet glashelder zijn dat we geen strijd voeren tegen een bevolkingsgroep of tegen een religie. Onze strijd richt zich tegen lieden die hun geloof perverteren, die de burgerlijke vrijheden misbruiken die ons land hun verschaft, om zich met geweld te keren tegen de grondslagen waarop dit land is gebouwd.
 
Er wordt bij religieus geweld vaak verwezen naar voedingsbodems, die dan te vinden zouden zijn in sociale achterstelling, het tussen twee werelden vallen, of, bijvoorbeeld, de crisis in het Midden-Oosten. Daar valt ongetwijfeld veel over te zeggen, maar we mogen ons door dit soort overwegingen niet laten afleiden van de kern van de zaak: waar de wortels ook liggen, er is nooit een legitimatie in te vinden voor geweld en terreur.
 
We zien ons als samenleving voor een enorme uitdaging gesteld. De gebeurtenissen van deze dagen staan niet op zichzelf, collega Van Aartsen en anderen wezen daar terecht op. Nederland blijkt geen eiland. We schrikken daarvan. Maar misschien mogen we niet verrast zijn. In zijn boek "In Europa" heeft Geert Mak ons er opnieuw aan herinnerd dat vrede een geschenk is en geen vanzelfsprekende toestand. We kunnen verlangen dat het anders was; om met Tolkien te spreken: naar de tijd dat de Gouw nog vredig was. Maar de les van Tolkien is dat aan ons de opdracht is, dát te doen wat in onze dagen van ons verlangd wordt.
 
Dat brengt mij bij de maatregelen in de brief van gisteravond, die eerst ingaat op het onderzoek naar de moord. De fractie van de ChristenUnie heeft waardering voor de brief en de toonzetting ervan. De ministers schrijven dat de verdachte, Mohammed B., wél bekend was bij politie, AIVD en OM, dat hij ook "gevolgd" werd, maar minder aandacht kreeg dan de sleutelfiguren in de Hofstadgroep. Ook achteraf -- aldus de ministers -- kan niet in redelijkheid worden gesteld dat de diensten tot een andere afweging hadden moeten komen. Dat blijft toch een moeilijk te verteren conclusie. Ik begrijp alle uitleg over infoboxen en de "lijst van 150".
 
Maar net als bij heel veel mensen is ook mijn primaire gedachte dat het toch niet mogelijk moet zijn dat iemand die bekend is bij de politie en de AIVD, en van wie in de brief wordt gezegd dat bekend was dat hij steeds verder radicaliseerde, niet beter in de gaten is gehouden. Het is dan ook essentieel dat in dit debat op precies dit punt zo volledig mogelijk verantwoording wordt afgelegd over de overwegingen en beslissingen met betrekking tot Mohammed B. Dat geldt ook voor de informatie-uitwisseling tussen de diensten, tussen Amsterdam en AIVD, zowel wat betreft overwegingen om al dan niet te besluiten tot beveiliging van Van Gogh, als ten aanzien van relevante informatie na de moord. Ik heb het dan ook over de brief die op het lichaam van Van Gogh is gevonden en over de vraag wie wanneer wat heeft gedaan met de bedreigende inhoud daarvan. Ik sluit mij aan bij de vele vragen die op dit punt door verschillende collega's zijn gesteld.
 
Een apart punt is het lekken van informatie uit de AIVD. Ik vind het essentieel dat ook daarover, in aanvulling op de aparte brief die we ontvingen, in dit debat volstrekte helderheid wordt verschaft. Wij moeten rotsvast kunnen vertrouwen op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten en ik verwacht dan ook op dit punt een glashelder antwoord van de minister van BZK.
 
De brief geeft een opsomming van beleidsvoornemens en -intensiveringen om radicalisering en vergiftiging van de onderlinge verhoudingen tegen te gaan. In de algemene lijn kan de fractie van de ChristenUnie zich vinden. Intensivering, aanscherping is onontkoombaar. Op veel punten zijn er vragen te stellen over de precieze uitwerking. Ik zie daar nu van af. De meeste voorstellen, voor zover zij raken aan wijziging van wetgeving, zullen ons nog passeren en dan is er alle gelegenheid om over de concrete invulling door te spreken. Ik hecht er echter aan om hier de steun van mijn fractie uit te spreken voor de richting die het kabinet wijst. Dat geldt voor de maatregelen in de sfeer van verdieping en verbreding van de aanpak door AIVD, politie en justitie; voor versterking van bewaking en beveiliging; voor het tegengaan van radicalisering en voor wat genoemd wordt "tegengaan en verstoren". Ook meer drastische, onorthodoxe maatregelen als optreden tegen moskeeën en imams worden niet geschuwd en dat is terecht, als het gaat om broedplaatsen van radicalisme, zoals de regering schrijft.
 
Ik heb wel één vraag: als gesteld wordt dat er zal worden geïnvesteerd in een aanzienlijke verbreding van aandacht voor personen die op enige wijze te relateren zijn aan terrorisme, radicaliseringsprocessen of ondersteuning daarvan, impliceert dit dan een aanpassing van de huidige werkwijze met de Contra-Terrorisme Infobox en de lijst van 150? Zo ja, dan ontvang ik graag een toelichting daarop.
 
In algemene zin merk ik nog op dat het als gevolg van de gebeurtenissen onontkoombaar is te bezien of de wettelijke begrenzing van grondrechten scherper dient te worden getrokken, bijvoorbeeld bij de vrijheid van meningsuiting in relatie belediging of godslastering. Maar even beslist zijn wij in onze overtuiging dat wij de rechtsstaat niet overeind kunnen houden door de waarden die van die rechtsstaat het hart vormen, prijs te geven of aan sommigen te onthouden.
 
Ik spreek in dit debat over politiek extremisme en islamistisch terrorisme als vertegenwoordiger van een christelijke politieke partij. Ik ervaar hierin een spanning, die komt bovenop de emoties als gevolg van wat wij deze dagen in onze samenleving meemaken. Ik hecht eraan om aan het eind van mijn betoog te zeggen dat wat ik zojuist namens de ChristenUnie naar voren heb gebracht over de nood van dit moment, over de noodzaak om bij te dragen aan deëscalatie en depolarisatie en om samen te werken aan een tolerante samenleving, waar het goed is om te wonen, niet is ingegeven door de druk van de huidige situatie, hoe intens wij die druk ook ervaren. Het bieden van ruimte aan elkaar, ook en juist waar het de diepste overtuigingen betreft, behoort principieel tot de christelijke politiek die wij voorstaan. Het is de liefde van Christus die ons dringt om te streven naar een vreedzaam samenleven met al onze naasten.

« Terug

Reacties op 'Bijdrage debat moord op dhr. Th. van Gogh'

Geen berichten gevonden

Log in om te kunnen reageren op nieuwsberichten.

Nieuwsarchief > 2004

december

november

oktober

september

augustus

juli

juni

mei

april

maart

februari

januari