Vragen over inkomen uit een Persoons Gebonden Budget

maandag 18 oktober 2004 11:10

Vragen van het lid Huizinga-Heringa (ChristenUnie) aan de minister voor Vreemdelingen-zaken en Integratie over inkomen uit een persoonsgebonden budget. (Ingezonden 18 oktober 2004)

Met antwoord.

Vragen van het lid Huizinga-Heringa (ChristenUnie) aan de minister voor Vreemdelingen-zaken en Integratie over inkomen uit een persoonsgebonden budget. (Ingezonden 18 oktober 2004)

  1. Is het waar dat inkomen uit een persoonsgebonden budget (pgb) niet volstaat in het kader van de inkomenseisen ex artikel 3.74 en 3.75 vreemdelingenbesluit?1
  2. Zo ja, kunt u de reden daarvan toelichten?
  3. Is het waar dat, indien iemand verzorgende arbeid verricht en in relatie daarmee een inkomen uit een pgb verwerft, dit werk wel als arbeid wordt gezien in de zin van het «Besluit aanwij-zing gevallen waarin arbeidsverhouding als dienstbetrekking wordt beschouwd»? Zo ja, ligt het niet voor de hand deze lijn ook door te trekken naar de relevante bepalingen uit de vreemdelingenwet en het vreemdelingenbesluit?
  4. Bent u bereid om in dit soort situaties, waarbij een pgb als inkomen wordt genoten teneinde duurzame zorgverlening door een familielid mogelijk te maken, dit inkomen toch in aanmerking te nemen als middelen van bestaan in de zin van artikel 3.74 vreemdelingenbesluit, dan wel te bezien of in dergelijke gevallen – als de regels onverkort worden toegepast – kan worden gesproken van een onbillijkheid van overwegende aard?
1 De vragen zijn gesteld naar aanleiding van een concrete situatie. Naam en toenaam van betrokkene zijn bij de indiener bekend. In de concrete situatie heeft een dochter een betaalde baan opgezegd om 24 uur per dag voor de moeder zorg te kunnen dragen. Het inkomen gedurende die periode werd bekostigd uit een pgb dat na verloop van tijd met succes werd aangevraagd. Na het overlijden van de moeder – na 5 jaar – werd wel een werkloosheidsuitkering verkregen.
 
Antwoord
Antwoord van minister Verdonk (Vreemdelingenzaken en Integratie). (Ontvangen 23 november 2004)
  1. In de Vreemdelingencirculaire 2000 is sedert 22 augustus 20031 over het persoonsgebonden budget op grond van de Regeling subsidies Awbz en Ziekenfondswet opgenomen dat inkomsten uit die bron niet worden aangemerkt als middel van bestaan, tenzij feitelijk sprake is van een inkomen uit arbeid.
  2. en 3 De regeling omtrent het pgb is opgenomen in de Regeling Subsidies Awbz en Ziekenfonds-wet. Ingevolge de pgb-regeling kan een persoon die verzekerd is op grond van de Awbz zelf zijn benodigde zorg inkopen. Hiervoor wordt aan hem een geldbedrag beschikbaar gesteld in de vorm van een subsidie van het Algemeen fonds bijzondere ziektekosten (Afbz). De persoon die een pgb ontvangt, wordt wel «budgethouder» genoemd.
    Aangezien volgens vast beleid bijdragen in de vorm van subsidies niet worden aangemerkt als (bestanddeel van de) middelen van bestaan, wordt het pgb evenmin als zodanig aangemerkt. Het doel van de pgb-regeling verhoudt zich er bovendien niet mee, dat het pgb wordt aange-wend voor andere doelen dan de inkoop van zorg. Als de budgethouder een zorgovereenkomst sluit met een derde en die derde wordt betaald uit het pgb, kan het inkomen dat de derde op deze manier verwerft wel worden aangemerkt als bestaansmiddel. Voor de derde is immers sprake van inkomen uit arbeid.
    Gelet op de wet- en regelgeving ten aanzien van arbeidsverhoudingen geldt echter een bijzonderheid in de gevallen waarbij de budgethouder een inwonende (huwelijks-) partner, inwonend familielid, bewindvoerder, curator of mentor betaalt om de zorg te verlenen. In die gevallen is veelal sprake van een zogenoemde overeenkomst van opdracht en worden geen loonbelasting en premies sociale verzekeringen afgedragen. Aangezien de overeenkomst van opdracht tussentijds kan worden beëindigd door de budgethouder, die bovendien niet aan-sprakelijk is voor financiële schade die de zorgverlener lijdt door tussentijdse opzegging, kan de duurzaamheid van de inkomsten niet worden aangetoond met de overeenkomst van opdracht. Derhalve wordt de duurzaamheid, de prognose over de beschikbaarheid van de middelen in de toekomst, in die gevallen op de voet van artikel 3.20 Voorschrift Vreemdelingen 2000 gebaseerd op ervaringen uit het verleden.
  1. Zoals uit het antwoord op vragen 2 en 3 kan worden opgemaakt, kunnen de desbetreffende inkomsten reeds worden aangemerkt als middelen van bestaan. Een aanpassing van de regelgeving acht ik derhalve niet noodzakelijk.
1 Tussentijds Bericht Vreemdelingencirculaire 2003/29, Stcrt. 22 augustus 2003, nr. 161, pag. 11.
 
 

« Terug

Reacties op 'Vragen over inkomen uit een Persoons Gebonden Budget'

Geen berichten gevonden

Log in om te kunnen reageren op nieuwsberichten.

Nieuwsarchief > 2004

december

november

oktober

september

augustus

juli

juni

mei

april

maart

februari

januari