Bijdrage debat Begroting 2005 Koninkrijkrelaties

donderdag 14 oktober 2004 13:57

André Rouvoet: Voorzitter. Drie minuten voor het Koninkrijk. Mijn koninkrijk voor nog eens 3 minuten extra, heb ik in de fractie gezegd.

Vorig jaar op fractievoorzittersreis naar de Nederlandse Antillen en Aruba heb ik voor mijzelf drie conclusies getrokken over de Antillen:
1. de Antillen kampen voornamelijk met twee problemen, namelijk financieel-economisch en staatkundig. De volgorde is niet toevallig;
2. er is geen probleemloze staatkundige oplossing;
3. de eilanden waren toen hopeloos verdeeld over de toekomst.

Zij waren slechts eensgezind op een punt, namelijk dat het anders moest. Er was toen een reëel risico van volledige desintegratie van de Antillen als land. Aangezien bovendien voor wijziging van het Statuut ieders instemming vereist is, leek wijziging van de staatkundige verhoudingen niet anders te kunnen dan binnen het Statuut en derhalve met instandhouding van de bestuurslaag van het land. Dat was mijn conclusie toen ik terugkeerde.

De eerste twee conclusies staan nog steeds overeind, de derde ligt nu wezenlijk anders. Het resultaat daarvan heet ''Nu kan het, nu moet het''. Die titel heeft alles te maken met de waarachtige betrokkenheid van alle eilanden bij het succesvol volbrengen van de historische en gezamenlijke opdracht, zoals de heer Jessurun in zijn voorwoord schrijft over die betrokkenheid en die overeenstemming over de richting.

Niet alleen de titel drukt ons met de neus op het momentum, maar ook de positieve ontvangst door de regering-Ys, dé belanghebbende bij de toekomst van de Nederlandse An-tillen als land. Die ontvangst moet ons doen beseffen dat het van groot belang is om, na een discussie van tenminste 30 jaar waarin het heeft ontbroken aan een duidelijke koninkrijksvi-sie, het gunstige Caribische tij te benutten. Ik moedig de minister aan om, als hij die al heeft, een al te voorzichtige houding te laten varen. Hij heeft gelijk dat snelheid en zorgvuldigheid niet elkaars vijand mogen zijn, maar laat zorgvuldigheid geen weifelmoedigheid worden. Daarvan zouden wij wel eens spijt als haren op het hoofd kunnen krijgen. Ik verwijs naar de beantwoording van de Kamervragen, in dit geval het antwoord op vraag 10. Over de nieuwe formulering met minimaal, maximaal en cruciaal zegt dat de minister dat daarmee wordt geanticipeerd op een mogelijke afbouw van de landslaag. In dezelfde alinea staat dat het niet uit te sluiten is dat de landslaag in zijn huidige vorm wordt gewijzigd. Laten wij daarom oppassen voor een al te voorzichtige en terughoudende benadering, waardoor het mo-mentum ons weer kan ontglippen. De voorspelling van oud-collega Rosenmöller dat deze minister, als hij hier slaagt, de beste bewindspersoon voor Koninkrijksrelaties van de afgelopen tien jaar is, moet hem daarbij helpen.

Er is al gesproken over het politiek akkoord voor 15 december, het tijdpad van de werkgroep-Jessurun en de rondetafelconferentie, die op 1 juli 2005 succesvol moet zijn afgerond. Ik vraag de minister te reageren op dat tijdpad en aan te geven wanneer wij het kabinetsstandpunt tegemoet mogen zien. Mijn fractie hecht zeer aan dit tijdpad.

Overigens moeten wij niet de illusie hebben dat met staatkundige wijzigingen de financiële en economische problemen opgelost zullen zijn. Wel is waar dat de huidige structuur een belemmering is voor een gerichte, krachtige en waar nodig eilandspecifieke benadering. Ik denk aan het soortelijk gewicht van de eilanden, de verschillende aard van de problematieken, het ontbreken van politieke partijen op landsniveau en het wantrouwen tussen eilanden onderling. De landsregering wordt door iedereen meer als een last dan als een lust ervaren. Die punten zitten ons op dit moment dwars. Het ontbreekt nu inderdaad aan bestuurskracht. Ik concludeer dat nieuwe bestuurlijke verhoudingen wel een noodzakelijke, maar nog geen voldoende voorwaarde zijn voor goed bestuur, gezonde openbare financiën, onafhankelijke rechtspraak, eenvormige basiswetgeving en adequate handhaving en toezicht. Dat zijn allemaal elementen uit het rapport-Jessurun.

Ik zet een streep onder de aanbeveling van de werkgroep om artikel 43, het punt deug-delijk bestuur, te normeren. Maar er zal meer nodig zijn. Op zijn minst parallel aan de wijzi-gingen van de staatkundige verhoudingen binnen het Koninkrijk zal er moeten worden ge-werkt aan adequate antwoorden op de vraagstukken van de financiële huishouding, economi-sche ordening en armoede met de daarmee samenhangende verloedering en criminaliteit. Er mag geen herhaling optreden van de periode van gemiste kansen tijdens de regering-Pourrier. Mijn fractie steunt de richting: de definitieve ontmanteling van de Antillen van de vijf, een autonome status voor Sint. Maarten en Curaçao, en het rechtstreeks onder het Koninkrijk brengen van Bonaire, Saba en Sint Eustatius.

Ik plaats daar een kanttekening bij. Nederland zal goed moeten beseffen en ook in de besprekingen moeten uitstralen te beseffen dat dit iets anders is dan het direct onder Nederland brengen, niet alleen formeel, maar ook materieel. Mij vielen op de opmerkingen in het rapport op pagina 8 over de vereenzelviging van Nederland met het Koninkrijk. Het is van het grootste belang om met elkaar te erkennen dat de Koninkrijkseilanden in een nieuwe structuur de Caribische delen van het Koninkrijk zijn en blijven. Is er rond deze kwestie nog een rol weggelegd voor de Verenigde Naties, gezien de voorgeschiedenis met kolonisatie en de rol van de VN in dat verband?

De Tweede Kamer gaat niet over de instelling of samenstelling van commissies en werkgroepen, maar ik zou zeggen: benut de overeenstemming die zich aan het aftekenen is en geef de evaluatie van het Statuut als een vervolgopdracht aan de werkgroep-Jessurun.  Bij de aanpassing van het Statuut zal ook de relatie met de EU direct moeten worden meegenomen.

Nieuwsarchief > 2004

december

november

oktober

september

augustus

juli

juni

mei

april

maart

februari

januari