Verslag Gebruik videoconferentie in het strafrecht

woensdag 17 november 2004 14:39

Verslag door André Rouvoet
De leden van de ChristenUnie-fractie hebben met kritische belangstelling kennis genomen van de Wijziging van het Wetboek van Strafrecht en het Wetboek van Strafvordering en enig andere wetten in verband met het gebruik van de videoconferentie in het strafrecht. De leden van de ChristenUnie-fractie vinden dat een efficiencywinst en verkorting van de wachttijden vooralsnog als argument kan worden gezien voor de toepassing van videoconferentie.
 
De leden van de ChristenUnie-fractie zijn voorstander van het scheppen van duidelijkheid in het strafrecht over de voorwaarden die gelden voor de toepassing van videoconferentie. Wel geeft de voorgestelde regeling deze leden aanleiding tot een aantal vragen en opmerkingen.
 
De leden van de ChristenUnie-fractie constateren dat videoconferentie een geringere commu-nicatiewaarde heeft. De lichaamstaal, de non-verbale aspecten, van mensen die worden verhoord, zijn ook van belang. Deze leden constateren dat de regeling niettemin niet uitdruk-kelijk voorop stelt dat fysieke voorgeleiding de hoofdregel is. Strikt genomen wordt toepas-sing van videoconferentie naast fysieke voorgeleiding gesteld. Zou het niet beter zijn om als uitgangspunt te nemen dat fysieke voorgeleiding aan de orde is, tenzij er gelet op bepaalde, omschreven omstandigheden, aanleiding is om de videoconferentie toe te passen?
 
De leden van de ChristenUnie vinden derhalve dat ook in de regelgeving duidelijker moet worden onder welke omstandigheden de toepassing van videoconferentie mogelijk dient te zijn, respectievelijk wenselijk is. Redenen voor videoconferentie kunnen doelmatigheid of veiligheid zijn. Bij een van de experimenten komt naar voren dat de veiligheidsrisico’s verminderen voor de hulpofficier van Justitie, voornamelijk in de avond en nachtelijke uren, doordat de reisafstanden werden teruggedrongen. De leden van de ChristenUniefractie vragen of in dergelijke omstandigheden, die zich in beginsel heel veel kunnen voordoen, het de intentie is dat televoorgeleiding de regel wordt in plaats van de uitzondering.
 
De leden van de ChristenUnie-fractie kunnen zich voorts voorstellen dat gebruik van de  videoconferentie gewenst kan zijn wanneer dit ten goede komt van de veiligheid van getuigen en slachtoffers. Als het gaat om het horen van deskundigen kan doelmatigheid een grond zijn waarop voor videoconferentie wordt gekozen. Verder vinden deze leden het denkbaar dat ver-dachten vanuit het oogpunt van bescherming of dreigend gevaar worden gehoord door middel van videoconferentie. Met het oog op de bescherming van jeugdige slachtoffers en getuigen kan het eveneens zeer wenselijk zijn om videoconferentie toe te passen. Zij vragen de minister of er reden is dergelijke gronden expliciet te vermelden, en zo ja, waarom daarvan is afgezien.
 
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen hoe de regelingen voor anonieme getuigen en beschermde getuigen zich verhouden tot het wetsvoorstel. Kan het onderhavige wetsvoorstel er toe leiden dat ten aanzien van bijvoorbeeld beschermde getuigen steeds televoorgeleiding plaatsvindt? Zal ook een anonieme getuige via de videoconferentie kunnen worden gehoord?
 
De leden van de ChristenUnie-fractie vinden het vanuit pedagogisch oogpunt belangrijk dat jeugdige verdachten persoonlijk worden geconfronteerd met de overheid. Gezien het grote belang vragen deze leden vragen of de minister ook van mening is dat jeugdige verdachten in beginsel lijfelijk aanwezig dienen te zijn bij een verhoor, en zo ja, op welke wijze een en ander zal worden vormgegeven.
 
Aandacht vragen de leden van de ChristenUnie-fractie voor instemmingsrecht van de verde-diging. Hier zijn de Raad van State en de Nederlandse Orde van Advocaten voorstander van. Gezien de situaties waarin videoconferentie wordt toegepast ten behoeve van de veiligheid, vragen de leden van de ChristenUnie-fractie of een verzoek van de verdediging voor lijfelijke aanwezigheid kan worden genegeerd. Deze leden zijn er nog niet van overtuigd dat het niet wenselijk is tegen de beslissing een afzonderlijk rechtsmiddel open te stellen. De leden van de ChristenUnie-fractie achten het vooralsnog niet toereikend dat de rechter achteraf kan vaststellen dat de verdachte door de genomen beslissing ernstig in zijn verdediging is geschaad en daarbij een conclusie trekken voor de strafmaat of het voortvloeiende bewijs buiten toepassing laten. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of het mogelijk is om een verhoor alsnog in lijfelijke aanwezigheid uit te voeren, als een verhoor inderdaad schade heeft toegebracht aan de verdediging.
 
De RvdR, NVvR en het College van Procureurs-Generaal vragen aandacht voor de relatie van het onderhavige wetsvoorstel en het wetsvoorstel ter uitvoering van de EU-overeenkomst betreffende wederzijdse hulp in strafzaken. De leden van de ChristenUnie-fractie vragen om een nadere toelichting op dit punt.
 
De leden van de ChristenUnie-fractie vragen of het nu ook mogelijk wordt om onder bepaalde omstandigheden de audioconferentie toe te passen en welke visie hiervoor is voor de toekomst.
 
De leden van de ChristenUnie-fractie merken op dat er gezien de verschillende locaties waar vandaan videoconferentie wordt toegepast, er verschillen kunnen ontstaan in de omgeving of context waarin iemand wordt verhoord. Deze leden vragen daarom of er duidelijke regels komen over de technische aspecten van het verhoor, zoals de invalshoek van de camera’s.
 
De leden van de ChristenUnie-fractie staan ook stil bij praktische zaken die kleven aan het wetsvoorstel. Deze leden vragen of de rechtszaak via reguliere weg wordt aangehouden indien er een elektriciteitsstoring is. Verder hebben deze leden de vraag of van alle rechters verwacht kan worden dat zij om kunnen gaan met de apparatuur die benodigd is voor videoconferentie. Ook vragen de leden van de ChristenUnie-fractie of er voorwerpen kunnen worden getoond in een rechtszaak waar gebruik wordt gemaakt van videoconferentie.
 
Tenslotte vernemen de leden van de ChristenUnie-fractie graag of en wanneer de nieuwe wet wordt geëvalueerd. Daarbij vragen deze leden of factoren, zoals de kwaliteitseisen ten aanzien beeld en geluid, ook worden geëvalueerd.

Nieuwsarchief > 2004

december

november

oktober

september

augustus

juli

juni

mei

april

maart

februari

januari