VS versus Veiligheidsraad

vrijdag 23 mei 2003 11:08

De Irak-resolutie 1483 die op 22 mei jl. in de Veiligheidsraad werd aangenomen is een overwinning van het Amerikaans buitenlands beleid. De sancties worden opgeheven, de Amerikanen krijgen veel zeggenschap over de wederopbouw. Onduidelijkheid bestaat over het moment van een definitieve terugtrekking van de VS-troepen. Vaagheid is er ook ten aanzien van de terugkeer en de rol van de VN-inspecteurs om te zoeken naar massavernietigingswapens. De Amerikaanse conservatieven hebben met het aannemen van de resolutie een overwinning behaald. Toch is men in deze kring sceptisch ten aan-zien van het functioneren van de Veiligheidsraad. Ook de Russische president Putin vroeg vorige week tijdens zijn “State of the Union” in de Doema om aandacht voor meer hervormingen in de Veiligheidsraad. Een mogelijkheid hiertoe is om het vetorecht te beperken.

Velen zien de Verenigde Naties als het “wereldgeweten”. Het mag echter duidelijk zijn dat de permanente leden van de Veiligheidsraad hun status niet aan hun rechtschapenheid maar aan hun politieke en militaire macht hebben te danken. De machtsposities van deze leden zijn in de loop van de vijftig jaar aanzienlijk veranderd. Door deze constatering doet zich de vraag voor of belangrijke instituties als de Veiligheidsraad binnen niet al te lange tijd aanpassing behoeft. Bij de Amerikaanse regering bestaat onvrede over het functioneren van het huidige collectieve veiligheidssysteem. Zo is het Statuut voor het Internationale Strafhof niet door Washington ondertekend. De Amerikaanse administratie probeert zelfs via bilaterale verdra-gen te verhinderen dat Amerikaanse staatsburgers door andere staten aan het Strafhof worden uitgeleverd. De weerzin tegen het Hof bleek onlangs weer eens in de Senaat. Harry Reid, een prominente Amerikaanse senator diende vorige week een motie in. Hij vroeg om een nieuw tribunaal, dat als concurrent van het Strafhof zou dienen. Het tribunaal zou Fidel Castro en andere dictators kunnen berechten.
Het heeft wel niet direct met veiligheid te maken, maar een opvallend voorbeeld van de nieu-we VS-strategie van het omzeilen van de VN is dat Amerika dit jaar ervan heeft afgezien een kritische resolutie over het mensenrechtenbeleid in China in te dienen. Officieel is het argu-ment dat de aanpak via stille diplomatie meer succes heeft dan het opnieuw aan de orde stel-len van de schendingen in de VN.

Een aanpassing van de structuur van het systeem van collectieve veiligheid kan wenselijk zijn. Dat werd duidelijk toen het systeem van de Volkenbond niet goed functioneerde. De kern van dit systeem vormde artikel 16 van het Volkenbondverdrag. In dit artikel stond dat bij schending van het Verdrag de betrokken lidstaat een “oorlogsdaad” tegen alle leden pleegt. De andere lidstaten waren verplicht een boycot in te stellen tegen het betreffende lid. Verder waren de leden van de Volkenbond verplicht elkaar “alle economische en militaire” bijstand te geven bij het uitvoeren van de collectieve actie. De praktijk bleek weerbarstiger. In 1921 stemde de Vergadering van de Volkenbond er zelfs mee in dat lidstaten zelf mochten bepalen in hoeverre in de bepalingen van het Verdrag daadwerkelijk waren geschonden. In de Japans-Chinese oorlog in 1931, de Chaco-oorlog tussen Bolivia en Paraguay (1932-1935), en de be-zetting van Finland door de Sovjet-Unie in 1939 kwam er dus niets van collectieve actie te-recht. Dat verandering van het systeem van collectieve veiligheid nodig was, bleek bovendien uit het feit dat Duitsland, Japan en de Verenigde Staten geen lid van de Volkenbond waren.
De oprichters van de VN leerden van het falen van de Volkenbond zodat de VN in belangrij-ke mate verschilt van haar voorgangster. Zij verlieten het eenstemmigheidbeginsel dat de Volkenbond had verlamd. In de VN kregen slechts vijf landen het recht om besluitvorming tegen te houden: China, Frankrijk, Groot-Brittannië, de Sovjetunie en de Verenigde Staten. Zij kregen een permanente zetel in de Veiligheidsraad, het hoogste orgaan van de VN, met bijbehorend vetorecht. Ook over de nieuwe structuur van de collectieve veiligheid kwam on-vrede. Tijdens de Koude Oorlog was het VN-systeem door de voortdurende tegenstelling tus-sen de Sovjet-Unie en de Verenigde Staten feitelijk verlamd. De VN werd vooral een forum waarin Derde Wereldlanden hun antiwesterse gevoelens konden uiten. De Amerikaanse liefde tot de VN, met name bij de conservatieven, nam dan ook aanzienlijk af. Zo verweet de Heri-tage Foundation in de jaren tachtig de VN antiwesters en antidemocratisch te zijn. In deze kringen werd toen gedacht om de VN op te heffen en te komen tot een Organisatie van De-mocratische Staten. Ook het toenmalige VVD-kamerlid prof. J. Voorhoeve pleitte in 1985 in NRC-Handelsblad in die richting. De VN telde naar zijn oordeel vooral niet-democratische leden en trad ten aanzien van de schendingen van mensenrechten hypocriet op.

Recente uitlatingen geven aan dat veel Amerikaanse conservatieven nog steeds op deze lijn zitten.
De bekende conservatieve senator Jesse Helms schreef enige jaren terug, dat de Amerikanen nooit zullen accepteren dat de VN de “enige legitieme bron voor het gebruik van geweld” in de wereld is. “Geen VN-instituut, ook de VR, is competent om het buitenlands beleid en de besluiten ten aanzien de nationale veiligheid van de VS te beoordelen”, aldus Helms.
In de Washington Post schreef een commentator onlangs dat de kwestie Irak had getoond dat VN geen geschikt instrument is om de collectieve veiligheid te handhaven. “De VN is een reservoir van sterk conflicterende politieke culturen. De VN geeft tegenstrijdige beoordelin-gen van de gevaren die de wereld bedreigen en tegenstrijdige oplossing voor deze bedreigin-gen. Daarom kan de VN niet als een beleidsorgaan functioneren. De VN kunnen hoogstens worden uitgenodigd om mee te helpen bij de korte termijn hulpverlening en bij het opzetten van een burgerbestuur in Irak. De reden voor deze uitnodiging is dezelfde als die waarom Frankrijk in 1945 werd gevraagd om lid van de Veiligheidsraad te worden: een therapeutische oplossing voor het gebrek aan zelfvertrouwen dat Frankrijk als gevolg van slecht gedrag had gekregen”.
Verder schreef de essayist David Gelernter in de The Weekly Standard, een invloedrijk opi-nieblad in het Witte Huis, onlangs dat hij geen problemen had met het idee van collectieve veiligheid maar wel met de VN: “Ze kunnen vaak niet de juiste dingen doen en als ze iets doen, doen ze het verkeerd om toch maar iets te bereiken.” Gelernter stelt voor te komen tot een nieuwe organisatie, waar het machtscentrum ligt bij de Verenigde Staten, Engeland en Rusland (De Grote Drie). Dit triumviraat zou dan een soort Veiligheidsraad vormen. Gelern-ter is voorstander om “democratische landen en aspirant-democratische landen” te laten toe-treden als “juniorleden” toe te laten treden tot deze nieuwe organisatie. Toetreding is pas mo-gelijk deze landen een bepaald minimumpercentage van het BNP aan defensie uitgeven. Deze gedachten zijn door Gelernter niet verder uitgewerkt. Hoe irrealistisch zijn ideeën ook zijn – Gelernter beschouwt China en met name Frankrijk niet als grootmachten - één ding is duide-lijk: het aanzwengelen van de discussie over een herstructurering van het collectieve systeem van veiligheid met name de Veiligheidsraad is op zich winst!
Het is duidelijk dat de Amerikanen niet de enige zijn, die kritiek hebben op het functioneren van de VN. Zo kwam vanuit Nederlandse “progressieve” hoek ook kritiek. De vroegere minister van Buitenlandse Zaken Hans van Mierlo gaf 1996 aan dat de kerntaken van de VN op zich ongewijzigd kunnen blijven “Toch is hervorming geboden in de uitvoering ervan, alsook in de structuur en processen van de VN. Te voldoen aan de verwachtingen in de vol-gende eeuw is een grote opgave. Zonder hervorming heeft de organisatie daarin geen kans van slagen”. Onder meer dacht hij aan een uitbreiding van de Veiligheidsraad met permanente leden als Duitsland en Japan. Verder was Van Mierlo een groot voorstander van een rapid reaction force, een permanente, snel inzetbare VN-brigade.
Ook vanuit onze achterban zijn in het verleden ook kritische geluiden gehoord. Met name vanuit de hoek van de RPF was in de verschillende verkiezingsprogramma’s een terughou-dende opstelling te bespeuren (“VN mag geen wereldregering worden, geen permanent VN-leger”). Het huidige verkiezingsprogramma van de ChristenUnie geeft nauwelijks aandacht aan aanpassingen in het huidige systeem van collectieve veiligheid en met name over de Vei-ligheidsraad. Het programma beperkt zich alleen tot de opmerking dat de Veiligheidsraad ondersteuning krijgt van een staf die zich richt op de vroegtijdige signalering van conflicten en conflictpreventie.
Gelet op de nieuwe machtssituatie in de wereld is het echter gewenst dat in Nederland op-nieuw een discussie op gang komt over het collectieve veiligheidssysteem. Dit systeem is gedateerd en geeft de machtsverhoudingen tijdens de Koude Oorlog weer. Wellicht kan de Nederlandse regering kan zich in aanloop tot het voorzitterschap tot de Europese Unie in 2004 in de EU een aanzet tot een discussie tot een hervorming van het huidige collectieve veilig-heidssysteem. Moet het vetorecht in de Veiligheidsraad worden gehandhaafd? Is het gewenst dat twee EU-landen (Frankrijk èn Engeland) in de Veiligheidsraad het vetorecht behouden? Het vetorecht van EU-landen in de Veiligheidsraad heeft tijdens de kwestie-Irak laten zien dat de eenheid van een Europees veiligheids- en defensiebeleid (EVDB) niet wordt bevorderd. Wellicht is het te overwegen om de reductie van het aantal permanente leden in de Veilig-heidsraad te zoeken door op termijn de (vergrote) EU slechts één vetorecht te geven. Dit ver-eist ongetwijfeld meer interne afstemming en meer coördinatie tussen de ministers van bui-tenlandse zaken van de EU-landen in de Algemene Raad. Als voorstanders van het EVDB daadwerkelijk menen dat één gemeenschappelijk EVBD gewenst is, kunnen ze hun ideaal hiermee in de praktijk brengen. Dit idee past in het verlengde van de plannen van president van de Europese Conventie om te komen tot een vaste voorzitter van de EU, beperking van de omvang van de Europese Commissie en met name bij de opvatting van een Europese minister van Buitenlandse Zaken.

Bij een nieuw veiligheidssysteem moet de rol van de VS kritisch worden bezien. Het mag niet zo zijn dat de Amerikanen als belangrijkste grootmacht in een nieuw veiligheidssysteem de VN als een verlengstuk van het Amerikaanse buitenlands beleid gaan beschouwen. In Re-solutie 1483 zitten daar wel elementen in. De VN krijgt in deze resolutie wel een “vitale rol” in de wederopbouw van Irak, maar in de praktijk ligt de zeggenschap bij de Amerikanen.
Anderzijds is het van belang dat de VS betrokken blijven in een nieuw veiligheidssysteem en niet zoals tijdens de Volkenbond er buiten blijven en een alternatief gaan vormen in de vorm van de “coalition of the willing”. Deze formule mag niet als een excuus zijn om aan het unila-teraal optreden van de VS een internationale dimensie te geven. In dat kader ben ik sceptisch ten aanzien de in de conservatieve kringen levende gedachte om de (oude) regionale allianties weer op te tuigen. Bijvoorbeeld de herleving van het Bagdad-Pact uit de jaren 50 waarin Irak, Jordanië en Egypte samen met de kleine oliestaten aan de Perzische Golf de Verenigde Staten en Engeland bijstaan. Op het eerste gezicht geeft dit soort allianties de Amerikaanse regering de mogelijkheid haar belangen in samenwerking met deze landen kan behartigen zonder be-schuldigd te worden van een “Alleingang”. Het mag echter niet een formule zijn om buiten de VN om eigenmachtig in te grijpen.

Door Willem Schneider, medewerker van de Groen van Prinstererstichting, het Wetenschappelijk Instituut van de ChristenUnie. Hij was onder meer als stafmedewerker werkzaam bij de Vaste Tweede Kamercommissie van Buitenlandse Zaken.

Gepubliceerd in het Reformatorisch Dagblad, 30 mei 2003

« Terug

Nieuwsarchief > 2003

december

november

oktober

september

augustus

juli

juni

mei

april

maart

februari

januari