Naar een multifunctionele landbouw in een multifunctioneel platteland

zaterdag 14 juni 2003 09:09

Nederland. Een land waarin het water altijd een zeer belangrijke rol heeft gespeeld. Een land dat dan ook voor een groot gedeelte ontrukt is aan dat water. En zoals water eigenlijk altijd in beweging is, zo zijn deze lage landen aan de zee ook altijd in beweging. Nederland, een land vol dynamiek, zowel op ruimtelijk, functioneel als cultureel gebied.

In dit artikel vragen wij uw aandacht voor de dynamiek op het ruimtelijke vlak. Preciezer geformuleerd gaat het om de veranderingen op het platteland en dan met name vanuit het perspectief van de landbouw.
Het artikel is als volgt opgebouwd: eerst worden wat achtergronden geschetst bij de huidige ontwikkelingen op het platteland. Plattelandsontwikkeling kan namelijk niet begrepen worden zonder de achtergronden ervan te kennen. Daarbij gaat het er in dit artikel niet om een compleet beeld te schetsen; slechts enkele kernzaken zullen de revue passeren. Na de historische schets bespreken we vervolgens de verschillende functies die het platteland heden ten dage heeft. Tenslotte richten we de blik op de mogelijkheden van de landbouw om meerdere van die functies van het platteland te vervullen. Het geheel is vooral beschrijvend van aard.

Veranderingen in de landbouw en op het platteland

Het platteland is volop in beweging en de toekomst is onzeker. De landbouw is nog steeds de grootgrondbezitter met meer dan 60% van het areaal van Nederland, maar ze vormt al een aantal decennia niet meer de grootste economische bron van het platteland. Lange tijd stuurde de landbouw de ontwikkeling van het platteland, maar door de sterke maatschappelijke vraag naar onder meer natuur en landschap is dit niet meer vanzelfsprekend.

Daar zit een lange geschiedenis aan vast. Lange tijd is het vergroten van de landbouw-economische meerwaarde het belangrijkste motief geweest voor verandering in het landelijk gebied. Het begon in de 18e eeuw met de ontginning van woeste gronden voor de landbouw. Na de Tweede Wereldoorlog werd de positie van de landbouw, ondanks het opkomen van andere belangen, nog meer versterkt. Er trad een sterke rationalisering van de bedrijfsvoering op, gekoppeld aan een streven naar het verhogen van de productiviteit. Deze gerichtheid op productiviteit, een eenzijdige gerichtheid, heeft sterk te maken met het Gemeenschappelijke Landbouwbeleid (GLB) dat in de EEG, in de decennia na de Tweede Wereldoorlog gevoerd werd. Dit GLB was sterk productiegericht, omdat onder meer de voedselvoorziening veilig gesteld moest worden. Dit GLB gekoppeld aan het zogenaamde Nederlandse OVO-drieluik (Onderzoek, Voorlichting, Onderwijs) maakte de Nederlandse landbouw tot een schoolvoorbeeld van productiviteit. Maar deze op productiviteit gerichte landbouw is doorgeschoten. Hiervan getuigden problemen als overschotten (b.v. melkplas, boterberg) en milieuvervuiling (mestoverschot). Zo is het GLB ten onder gegaan aan zijn eigen succes.

In de jaren ’70 ontstond er, mede als reactie op de op productiviteit gerichte landbouw, een sterke roep om natuur en werden de ecologische, recreatieve en sociaal-culturele meerwaarden van het landelijk gebied belangrijker. Door deze vraag naar natuur en door de optredende vervuiling van het natuurlijk milieu door de landbouw, werd het milieuvraagstuk één van de belangrijke onderwerpen in de discussies over de toekomst van de landbouw. Intussen veranderde het platteland in een heterogene samenleving, waarin allerlei actoren wonen en actief zijn. Daarbij komt dat het platteland steeds minder los van stedelijk Nederland kan worden bezien. Gecombineerd met de eisen uit de maatschappij staan de landbouw en het platteland voor een grote veranderingsopgave in het landelijk gebied.

Voor de landbouw betekent dit, dat de productiegerichte zienswijze totaal dient te veranderen in een vraaggerichte (dat houdt ook in een meer marktgerichte) zienswijze. En bij een vraaggerichte aanpak horen zaken als regionalisering, verbreding (van de landbouw), produceren van kwaliteit en/of produceren van landschapswaarden en de combinatie van landbouw met andere economische activiteiten. Deze vraaggerichte aanpak houdt ontegenzeggelijk ook in, dat er weer volop aandacht zal moeten zijn voor verscheidenheid en in het verlengde daarvan voor diversificatie (Roep, 2000). Dus niet langer slechts de rationele productiviteit als norm.

Het platteland verandert kort gezegd van een productieruimte in een consumptieruimte. Niet alleen productiedoelstellingen vanuit de agrarische sector, maar eveneens maatschappelijke doelstellingen dienen een rol te gaan spelen. Belangrijk is een inrichting en beheer waar rekening wordt gehouden met waarden als rust, ruimte, stilte, aantrekkelijke landschappen met aandacht voor cultuurhistorie, belevingswaarde, strategische voorraden (biodiversiteit) en waterbeheer. Het verbeteren van de leefbaarheid speelt hierbij een grote rol. Hierbij dient de landbouw zich dus snel te vermaatschappelijken, om aan de behoeften in de samenleving (milieu, dierenwelzijn, natuur, landschapskwaliteit) tegemoet te komen. Dit proces is echter niet gemakkelijk.
‘Op het platteland moeten vele tegenstrijdige claims met elkaar worden verzoend. Er moet meer natuur komen, er moet recreatief meer te beleven zijn, mensen willen er plezierig wonen, bedrijfsterreinen dijen uit, het karakteristieke landschap moet bewaard worden en agrariërs moeten er hun brood kunnen blijven verdienen. Deze vele claims brengen grote ruimteclaims met zich mee’ (Rozendaal, 2001). En aan ruimte is gebrek in dit kleine landje.

Inmiddels is er over het algemeen sprake van constructieve samenwerking tussen landbouw-, natuur- en recreatieorganisaties om te zoeken naar oplossings- en ontwikkelingsrichtingen voor de groene ruimte. Overheden, belangenorganisaties, boeren en bewoners hebben daarbij veel belangstelling voor de zogenaamde plattelandsvernieuwing. Plattelandsvernieuwing wordt vaak gezien als de boerderij met iets erbij, maar het gaat om veel meer. Het gaat om zaken als de leefbaarheid van de kleine kernen, nieuwe relaties die ontstaan tussen stad en platteland en het betrekken van consumenten bij ontwikkelingen op het platteland. In LNV-jargon spreekt men dan ook van de term ‘vitaal platteland’. Tot plattelandsvernieuwing zijn allerlei regionale en lokale initiatieven te rekenen, zowel op beleidsniveau (decentralisatie, communicatie, open beleidsprocessen) als op het niveau van de streek (natuurontwerp en -beheer door agrariërs, nieuwe product-markt combinaties) (Rozendaal, 2001). Daarbij wordt een kwalitatieve sprong gemaakt, waarbij de betrokkenen experimenteren met nieuwe vormen van beleidsprocessen, productiewijzen en dergelijke.
Plattelandsvernieuwing is dus integraal en toekomstgericht. En dat is ook hard nodig, want het platteland verandert ingrijpend en wel zodanig dat het zelfs dreigt te verdwijnen. Dat heeft te maken met de hierboven reeds aangeduide verandering van het platteland als productieruimte naar het platteland als consumptieruimte. Voedselproductie maakt dus steeds meer plaats voor wonen, werken, natuur en recreatie. Zowel in ruimtelijke als in sociaal-culturele zin wordt het platteland door deze ingrijpende ontwikkeling bedreigd. Als het om het ruimtelijke aspect gaat, kunt u denken aan versnippering en ‘verrommeling’. Deze zaken ontstaan doordat nieuwe functies vaak geen relatie hebben met de bestaande omgeving. En wanneer het gaat om het sociaal-culturele aspect, kunt u denken aan het ontstaan van een digitale wereld waarin activiteiten en functies los komen te staan van hun historische, sociale, culturele en geografische context (RLG, 2002).

Functies van het platteland

Bij het beschrijven van de ontwikkelingen in de landbouw en op het platteland zijn al een aantal functies van het platteland de revue gepasseerd, zoals de productie-, woon- en werkfunctie. Om een goed begrip te krijgen van de verschillende functies die het platteland vervult, zullen we navolgend een zevental (mogelijke) functies van cultuurgrond systematisch op een rijtje zetten. We gebruiken daarbij het begrip ‘cultuurgrond’, in navolging van de geraadpleegde bron (Polman en Slangen, 2003). Dit begrip staat in direct verband met de diverse functies en is tevens minder algemeen en daarmee minder vaag dan het begrip ‘platteland’.

(1) Producerende functie
In deze functie gaat het om het voortbrengen van agrarische producten. Met name de voedselvoorziening staat bij deze functie voorop. Van oudsher wordt deze functie als de meest belangrijke gezien. Dikwijls zag men deze functie ook als de enige functie die cultuurgrond had. Dat is echter, zoals hierboven al is uitgewerkt, al lang niet meer zo. Toch is deze functie van cultuurgrond zowel voor consumenten als voor producenten nog steeds erg belangrijk. De consument verkrijgt namelijk tegen redelijke prijzen voedsel en voor de producent is cultuurgrond als productiemiddel een belangrijke inkomstenbron.

(2) Ecologische functie
Cultuurgrond is ook belangrijk voor het milieu. In Nederland hebben we relatief weinig echte natuur, maar wel veel cultuurgrond. Veel van de planten en dieren die hier voorkomen hebben hun thuis op de cultuurgrond. In deze functie valt de nadruk op het handhaven van de soortenrijkdom en van de voorkomende ecosystemen.

(3) Culturele functie
In deze functie gaat het om de esthetische en cultuurhistorische waarde van cultuurgrond. Mensen genieten van de schoonheid van natuur en landschap. Ook wordt middels (de bestudering van) cultureel erfgoed de band met het verleden op het platteland ervaren.

(4) Socio-economische functie
In deze functie draait het om verschillende elementen. Allereerst gaat het bij deze functie om de institutionele omgeving. Deze bestaat uit het geheel aan spelregels van de samenleving, zowel formele (grondwet, wetten, eigendomsrechten) als informele (waarden, normen, tradities, taboes en ook elementen als motivatie en vertrouwen). Deze formele en informele regels beïnvloeden de plattelandssamenleving diepgaand. Ten tweede gaat het in deze functie om zaken als rechtvaardigheid in de inkomensverdeling en redelijke prijzen voor voedsel. Deze functie is niet gemakkelijk te kwantificeren, omdat het hier gaat om nogal subjectieve issues als rechtvaardigheid, eerlijkheid en vertrouwen.

(5) Informatieve en educatieve functie
Deze functie is moeilijk te onderscheiden van de culturele functie, maar toch wordt ze apart genoemd, omdat zowel de informatieve als de educatieve functie van belang is. Enerzijds heeft natuur en landschap altijd als informatiebron gediend voor bijvoorbeeld de wetenschap en anderzijds is het kennis nemen van natuur en landschap in het kader van opvoeding en onderwijs van belang.

(6) Recreatieve functie
In een geïndustrialiseerde en verstedelijkte samenleving als de onze is er behoefte aan rust, ruimte, contact met en ontspanning in de natuur. De recreatieve functie van cultuurlandschappen is de laatste decennia steeds belangrijker geworden. De betekenis van cultuurgrond voor recreatie is gelegen in een combinatie van de hierboven genoemde functies, maar vanwege de belangrijke betekenis van de recreatieve functie wordt deze hier toch apart genoemd.

(7) Waterbergingsfunctie
Deze functie wekt bij de meeste lezers misschien nog wel enige bevreemding. Immers, tot voor kort was het zo dat wateroverlast zoveel mogelijk moest worden bestreden en wel op een manier dat het water op de door ons daarvoor bestemde plaatsen diende te blijven. Om het verwachte vele water in de toekomst aan te kunnen, wordt er tegenwoordig ook serieus gekeken of cultuurgrond niet als waterberging kan gaan fungeren.

Multifunctionele landbouw in een multifunctioneel platteland

Kortom, het platteland is multifunctioneel. Het is op meer dan één manier bruikbaar en het kan verschillende doelen tegelijkertijd dienen. Dat wil het begrip multifunctionaliteit immers zeggen. Lange tijd is er dan ook sprake geweest van een sterke mate van complementariteit tussen de genoemde functies. Echter, na 1960 is er steeds meer concurrentie gekomen tussen de landbouwkundige functies en de overige functies. Door stijging van de inkomens in de jaren ’50 en ’60 buiten de landbouw en door de daarmee gepaard gaande arbeidskostenstijging ontstond de noodzaak in de landbouw voor het ontwikkelen en toepassen van arbeidsbesparende en productieverhogende technieken om zo de inkomensontwikkeling buiten de landbouw toch enigszins te kunnen volgen. In de praktijk leidde dit – het kwam hierboven al aan de orde – tot sterke mechanisatie, tot intensivering van het grondgebruik, tot sterke specialisatie en schaalvergroting en tot een sterk toegenomen gebruik van zaken als kracht- en mengvoer, kunstmest en gewasbeschermingsmiddelen (Polman en Slangen, 2003).

De laatste decennia is er steeds meer aandacht gekomen voor de diverse functies van het landelijk gebied. Werd eerder het rurale gebied nogal eens gezien als een soort aanhangsel bij het urbane gebied; momenteel krijgt het rurale steeds meer een eigen plaats als tegenhanger van het urbane (RLG, 1997). Daarbij komt er steeds meer oog voor de rol die een multifunctionele landbouw in dit alles kan spelen. In de ogen van velen staat de landbouw een aantrekkelijk platteland dus niet in de weg, maar kan de productiefunctie prima gecombineerd worden met andere functies van cultuurgrond. Er is weer aandacht voor de mogelijkheid dat de genoemde functies niet noodzakelijkerwijs met elkaar concurreren, maar dat complementariteit in functievervulling, evenals vroeger, nog steeds mogelijk is.

Dat genoemd hebbend, komt de vraag naar de mogelijkheden voor een multifunctionele landbouw om de hoek kijken. En ook de vraag naar wat multifunctionele landbouw eigenlijk is. Om op die laatste vraag eerst in te gaan: er zijn vele omschrijvingen en definities in omloop met betrekking tot multifunctionele landbouw. Hier volgt een omschrijving van Polman en Slangen: “Gebaseerd op de verschillende functies van cultuurgrond kunnen we multifunctionele landbouw definiëren als een vorm van grondgebruik waarbij het gebruik van cultuurgrond op meer gericht is dan alleen het produceren van marktbare agrarische producten. Andere attributen – zoals natuur en landschap, etc. – zijn ook van belang” (Polman en Slangen, 2003). Eerder in dit artikel zijn een zevental functies van het platteland beschreven. Tot op zekere hoogte kan multifunctionele landbouw de genoemde functies dus gelijktijdig vervullen. Zij brengt immers, zo bleek uit de omschrijving van multifunctionele landbouw, naast eenvoudig marktbare producten als voedsel, grondstoffen en sierproducten ook niet-marktbare producten als natuur en landschap voort.

Binnen de primaire landbouwbedrijven in Nederland zien we grofweg twee ontwikkelingen. Enerzijds zijn er bedrijven die steeds verder gaan op het pad van de schaalvergroting om zo via kostenverlaging te kunnen overleven. Anderzijds zien we een steeds grotere groep bedrijven zich verbreden, oftewel steeds meer bedrijven houden zich bezig met multifunctionele landbouw. Belangrijke redenen voor boeren om hun bedrijf te verbreden zijn het verkrijgen van een aanvullend inkomen en om via verbreding gestalte te geven aan het steeds belangrijker wordende maatschappelijk verantwoord ondernemen om een soort license to produce te krijgen.

Met welke multifunctionele nevenactiviteiten proberen boeren een aanvulling te verkrijgen op hun inkomen en wat leveren deze activiteiten eigenlijk op? Bij multifunctionele nevenactiviteiten kunt u denken aan natuur- en landschapsbeheer, verblijfs- en dagrecreatie, zorgboerderijen, verkoop aan huis en streekproducten. Volgens een onderzoek van Wannink levert het uitvoeren van één van de genoemde multifunctionele nevenactiviteiten ongeveer 2.000 euro op, ofwel ongeveer 10% van het gezinsinkomen. Als het boerengezin puur en alleen een aanvulling op het gezinsinkomen wil, dan is het nog altijd veel aantrekkelijker om een baan buitenshuis te nemen. Dat levert gemiddeld namelijk bijna de helft op van het gezinsinkomen (Wannink, 2002).

Toch zijn er volop kansen voor multifunctionele landbouw. De landbouw en daarmee het platteland worden keer op keer geconfronteerd met crises. Deze crises versterken de roep vanuit de samenleving dat het anders moet met de landbouw. Multifunctionele landbouw kan tegemoet komen aan de wensen van de samenleving en is bij uitstek geschikt om meerdere functies van het platteland tegelijkertijd te vervullen. Maar wil multifunctionele landbouw echt een succes worden dan dienen er nog wel een aantal problemen overwonnen te worden. Een groot probleem is bijvoorbeeld de beloning voor niet-marktbare goederen, zoals natuur en landschap. Immers, boeren kunnen deze producten niet op een markt verkopen en zijn hierin dus afhankelijk van de overheid. Al jaar en dag zijn er natuurlijk de beheerscontracten, waarbij de boer een vergoeding van de overheid krijgt voor bepaalde inspanningen. Maar worden boeren zo voldoende beloond voor het leveren van natuur en landschap? Bij alle aandacht die er de laatste jaren is voor plattelandsontwikkeling is het belangrijk dat de overheid goed inspeelt op die terreinen waar marktfalen optreedt. En als we als samenleving natuur en landschap gecreëerd en/of onderhouden door de boer belangrijk vinden, dan hoort daar een passende beloning bij. Als dit goed door de overheid wordt opgepakt, dan is er een mooie toekomst weggelegd voor de multifunctionele landbouw. Dan wordt tegelijkertijd recht gedaan aan de diverse functies van het platteland en daarmee kunnen we blijvend genieten van de dynamiek in ons oneindig laagland.

Geraadpleegde bronnen

Polman, N.B.P. en L.H.G. Slangen (2003), Nieuwe Institutionele Arrangementen in het Landelijk Gebied, Wageningen UR, Wageningen.

Raad voor het Landelijk Gebied (1997), Tien voor de toekomst. Advies ten behoeve van de beleidsagenda voor het landelijk gebied in de 21e eeuw, Amersfoort.

Raad voor het Landelijk Gebied (2002), Voor boeren, burgers en buitenlui. Advies over de betekenis van sociaal-culturele ontwikkelingen voor het landelijk gebied, Amersfoort.

Roep, D. (2000), Vernieuwend werken – sporen van vermogen en onvermogen, Wageningen: Studies van Landbouw & Platteland 28.

Rozendaal, J.N. (2001), Inleiding in: Tussen proces en institutie, Governance, setting en inbedding van regionale innovatienetwerken in de groene ruimte, Scriptie afstudeervak landgebruiksplanning, blz. 9-12, Wageningen UR, Wageningen.

Wannink, Josien (2002), Plattelandsvernieuwing: twee stappen vooruit of een slag in de lucht. Doctoraal scriptie, Leerstoelgroep Agrarische Economie en Plattelandsbeleid, Wageningen UR, Wageningen.

Door Pieter Grinwis, student Economie van Landbouw en Milieu aan Wageningen UR, tevens stagiair bij het WI van de ChristenUnie, alwaar hij zich bezighoudt met landbouwpolitiek

Gepubliceerd in DenkWijzer 2003, 3

« Terug

Nieuwsarchief > 2003

december

november

oktober

september

augustus

juli

juni

mei

april

maart

februari

januari