Opvoedingsondersteuning

vrijdag 12 december 2003 11:30

Opvoedingsondersteuning is ‘in’. Beleidsmakers en werkers in de jeugdhulpverlening gebruiken de term in toenemende mate. Ook de ChristenUnie doet mee aan de trend: de term is bijvoorbeeld te lezen in het verkiezingsmanifest: door middel van opvoedingsondersteuning “wil de ChristenUnie het uiteengaan van ouders voorkomen”. In deze bijdrage wil ik in kaart brengen wat opvoedingsondersteuning precies is. Voor wie is opvoedingsondersteuning bedoeld? Wat zijn de effecten en waar liggen eventuele knelpunten? Tenslotte zal ik nagaan wat het verkiezingsprogramma zegt over opvoedingsondersteuning. Mijns inziens behoeft dit standpunt enige aanpassing dan wel nuancering.

Wat is opvoedingsondersteuning?

Opvoedingsondersteuning heeft betrekking op allerlei activiteiten die tot doel hebben de opvoedingssituatie van kinderen te verbeteren. Deze activiteiten richten zich niet op het kind zelf, maar in de eerste plaats op de ouders en de context waarbinnen opvoeding plaatsvindt: het gezin, de school, de kinderopvang en de buurt. Je zou ook kunnen zeggen: opvoedingsondersteuning heeft tot doel “opvoeders te helpen opvoeden”. Ouders vormen altijd het aangrijpingspunt in opvoedingsondersteuning. Eén van de bekendste vormen van opvoedingsondersteuning is het consultatiebureau. Hoewel medisch van oorsprong, is het consultatiebureau voor veel jonge ouders de plek waar zij terecht kunnen met kleine en grote vragen over hun baby of dreumes.
De populariteit van opvoedingsondersteuning is om twee redenen begrijpelijk. Ten eerste heeft opvoedingsondersteuning een preventieve werking. Als ouders, die tot bepaalde risicogroepen behoren, vroegtijdig worden bijgestaan bij hun opvoedingsvragen en – problemen, dan kunnen ernstige ontsporingen voorkomen worden. Ten tweede ziet de overheid opvoedingsondersteuning als een recht: ouders hebben recht op een toegankelijk en samenhangend aanbod aan opvoedingsondersteuning.
Het jeugdbeleid van de overheid is enerzijds gericht op het voorkomen van (verergering) van problemen in gezinnen. Met behulp van opvoedingsondersteuning probeert men de sociale binding, de eigen vaardigheden en de maatschappelijke positie van ouder en kind te versterken. Anderzijds biedt het jeugdbeleid steun als er problemen zijn, door middel van het maatschappelijk werk, Bureau Jeugdzorg en de RIAGG’s. Bij zeer ernstige problematiek beschikt de overheid over maatregelen die ouders en jongeren beschermen of sanctioneren. Hierbij moeten we denken aan ondertoezichtstelling, uithuisplaatsing, HALT, of opname in een jeugdinrichting. Het jeugdbeleid is verdeeld over drie bestuurslagen: rijksoverheid, provincies en gemeenten. De gemeentelijke overheden zijn verantwoordelijk voor de preventieve jeugdzorg. Met andere woorden: opvoedingsondersteuning is in de eerste plaats een zaak van de gemeente.

Wat voor activiteiten?


Aan wat voor activiteiten moeten we nu concreet denken als we het hebben over opvoedingsondersteuning? Om te beginnen gaat het om de gewone basisvoorzieningen die voor alle ouders en kinderen toegankelijk zijn. Te denken valt aan
  • de jeugdzondheidszorg aangeboden door de kruisverenigingen en de GGD’s
  • peuterspeelzalen en kinderopvang
  • bibliotheek
  • speel-o-theek
  • sportverenigingen
  • opvoedtelefoon, opvoedbureaus en opvoedwinkels
Bovengenoemde vormen van opvoedingsondersteuning zijn gericht op alle ouders met opvoedingsvragen en lichte opvoedingsproblemen. Daarnaast zijn er activiteiten voor specifieke doelgroepen zoals allochtone gezinnen, alleenstaande moeders in achterstandswijken, en moeders met kinderen met een aangeboren afwijking. Voorbeelden van opvoedingsondersteuning voor speciale groepen zijn de oudercursus ‘Opvoeden Zo!’ voor (allochtone) ouders in achterstandssituaties en het project ‘Spel aan huis’, waarbij vrijwilligers bij allochtone gezinnen thuis komen spelen teneinde ouders te stimuleren meer samen met hun kind te spelen. Een ander voorbeeld is het programma ‘Moeders Informeren Moeders’ waarbij jonge, onervaren moeders maandelijks bezoek krijgen van een ervaren ‘bezoekmoeders’ die hen opvoedings- en gezondheidsvoorlichting geven. Het programma ‘Opstap’ tenslotte is een leer- en spel programma voor ouders en kleuters uit achterstandsgezinnen om ze voor te bereiden op de overgang naar groep 3.

Hoewel al deze verschillende activiteiten hun specifieke doelstellingen hebben, draait het bij opvoedingsondersteuning vaak om:
  • Het geven van voorlichting en informatie over opvoeding en ontwikkeling
  • Het bieden van praktische hulp bij de opvoeding
  • Het geven van advies en het realiseren van een vraagbaak, adviesmogelijkheid
  • Het coachen van gezinnen of ouders middels huisbezoeken
  • Verbeteren van de maatschappelijke positie van de ouders
  • Signaleren van problemen en eventueel advisering over intensievere hulp.
Waarom is steun nodig?

Alle ouders hebben soms hulp of advies nodig. Ouders worden wel eens onzeker door de overvloed aan informatie of soms tegenstrijdige adviezen in de media. Vragen met betrekking tot opvoeding, omgang en het gedrag van kinderen komen voornamelijk terecht bij de huisarts. Maar ook leerkrachten, leidsters in de kinderopvang en medewerkers van het consultatiebureau geven heel wat informele steun en adviezen bij alledaagse opvoedingsvragen.
In enkele gevallen is meer steun nodig. Men spreekt dan meestal van gezinnen die tot een ‘risicogroep’ behoren. Of een gezin behoort tot een risicogroep, wordt bepaald aan de hand van een model. Hoe een kind zich ontwikkelt wordt bepaald door de wisselwerking tussen kind, ouder en wijdere omgeving. Op elk van deze drie niveaus (kind, ouder en omgeving) spelen zowel beschermende als bedreigende factoren een rol. Risicofactoren bij het kind zelf zijn bijvoorbeeld aangeboren afwijkingen of vroeggeboorte. Bij de ouders kan het gaan om de opvoedingsstijl (al dan niet warm), het hebben van psychische problemen, en bijvoorbeeld het eigen verleden van de ouder. Risicofactoren op het niveau van de omgeving zijn bijvoorbeeld de woonomgeving, het behoren tot een allochtone groep en het opgroeien in een éénoudergezin. Afzonderlijke risicofactoren leiden niet meteen tot problemen. Het is juist de opstapeling van risicofactoren die bedreigend is voor de ontwikkeling van het kind. Als dergelijke risicofactoren zich opstapelen, is de kans aanwezig dat de draagkracht van het gezinssysteem overschreden wordt. Dan is steun of hulp van buitenaf nodig.

Knelpunten


Is opvoedingsondersteuning nu effectief? Opvallend genoeg worden veel interventieprogramma’s, projecten of oudercursussen nauwelijks systematisch geëvalueerd. Vaak grijpt men terug op Amerikaans onderzoek, maar deze onderzoeksresultaten kun je niet zomaar overplaatsen naar de Nederlandse situatie. Als er wel sprake is van evaluatie, dan zijn de uitkomsten niet altijd eenduidig. Niet duidelijk is wat precies de werkzame bestanddelen van de aanpak zijn, of dat wellicht langs andere wegen bereikt had kunnen worden en hoe lang het positieve effect aanhoudt. Kortom: harde uitspraken over de effecten kunnen niet gedaan worden.
Een tweede knelpunt met betrekking tot opvoedingsondersteuning is het onoverzichtelijke aanbod: er is een veelheid van programma’s, projecten en methodieken die ook nog eens door verschillende sectoren aangeboden worden: onderwijs, jeugdgezondheidszorg, welzijn, en justitie. Een groot nadeel van zo’n sector-gewijze aanpak is dat elke sector zijn eigen beleid formuleert en eigen methodes kiest, terwijl de verschillende sectoren dezelfde problematiek willen aanpakken. Kortom: het aanbod is onsamenhangend en teveel versnipperd over verschillende sectoren.
Tenslotte, de bestuurlijke regie over opvoedingsondersteuning laat veel te wensen over. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor het preventiebeleid in de jeugdgezondsheidszorg, maar zijn vaak onvoldoende toegerust om dat beleid vorm te geven. Met name in de kleinere gemeenten staat het (preventieve) jeugdbeleid niet op de politieke agenda. Daar komt dan nog bij dat de aansturing van de verschillende voorzieningen weer in handen ligt van andere overheden: de rijksoverheid is verantwoordelijk voor de justitiële voorzieningen, jeugdhulpverlening is een zaak van de provinciale overheid, terwijl ouder-en-kind-zorg voor 0-4 jarigen via de kruisverenigingen regionaal georganiseerd zijn.

Oplossingen

Gemeenten hebben vaak wel de bereidheid om te werken aan een preventief jeugdbeleid, het ontbreekt hen aan expertise en instrumenten om dat beleid vorm te geven en uit te voeren. In de vier grote steden is al wel veel ervaring opgedaan met preventief jeugdbeleid. Die ervaringen zouden door een landelijke stuurgroep kunnen worden samengevoegd en beschikbaar gesteld voor kleinere gemeenten.
Verder zouden de activiteiten van de verschillende sectoren (welzijn, justitie, gezondheidszorg) veel beter op elkaar afgestemd moeten worden, en moet de samenwerking tussen de verschillende bestuurlijke lagen beter. Met ander woorden: een integrale aanpak van opvoedingsondersteuning is nodig: men moet samenwerken, over de grenzen van de sector en over de verschillende bestuurslagen heen.

Standpunt van de ChristenUnie


De ChristenUnie vindt dat opvoedingsondersteuning zoveel mogelijk in het kader geplaatst moet worden van hulp binnen het gezin en gericht moet zijn op herstel van de natuurlijke gezinssituatie. Een behartenswaardige zaak, maar strikt genomen is opvoedingsondersteuning altijd gericht op het gezin (en dan vooral de ouders), dus veel voegt deze opmerking niet toe. Verder pleit de ChristenUnie voor afschaffing van de subsidies aan kinderopvanginstellingen. Het zou eerlijker zijn wanneer die opvanggelden naar de ouders zelf gaan in de vorm van een kindgebonden budget, zo meldt het verkiezingsprogramma. Ook ouders die geen gebruik maken van ‘formele’ kinderopvang maken immers kosten voor de opvoeding en opvang. Concreet zou deze maatregel neerkomen op een verhoging van de kinderbijslag.
Hoe sympathiek deze redenering ook klinkt, een dergelijke maatregel zou nadelig kunnen uitpakken voor kinderen in ‘lichte’ probleemgezinnen. Kinderopvang is namelijk voor eenoudergezinnen of gezinnen waarbij sprake is van verslaving of psychiatrische klachten bij de ouder(s) een belangrijke, laagdrempelige vorm van opvoedingsondersteuning. Een anderhalf-jarige peuter bijvoorbeeld van wie de moeder last heeft van manische depressies kan wellicht toch redelijk opgroeien doordat het kind drie dagen in de week naar een kinderdagverblijf kan waar het wel een gestructureerde en voorspelbare opvoeding krijgt in tegenstelling tot thuis. Veel kinderen moeten opgroeien in een achtergestelde of geïsoleerde omgeving waar ze veel aan hun lot over gelaten worden, zonder dat sprake is van ernstige verwaarlozing of mishandeling. Juist voor deze relatieve ‘lichte’ probleemgezinnen is kinderopvang een uitkomst en dankzij de overheidssubsidies is kinderopvang voor hen beschikbaar. Indien de subsidie aan de ouders gegeven zou worden, dan komt het geld niet aan het kind zelf ten goede. Ouders met een toch al krappe beurs en een slechte financiële huishouding zullen de verhoogde kinderbijslag met dank aanvaarden voor het wegwerken van eigen schulden, maar zij zullen zeker niet hun kind plaatsen op een relatief duur kinderdagverblijf waarvoor zij in theorie wel het geld hebben gekregen. Met andere woorden: door de kinderopvanggelden aan ouders te geven, komt dit geld in ‘probleemgezinnen’ niet meer aan het kind ten goede, terwijl dat in de huidige regeling wel het geval is.

Conclusie

Wat moet de ChristenUnie aan met opvoedingsondersteuning? Ik sluit af met enkele aanbevelingen.
  1. Er moet niet uitsluitend geld gestoken worden in uitbreiding van het aanbod van jeugdhulpverlening. Dat aanbod is te versnipperd en komt daardoor niet altijd bij de mensen die het nodig hebben. Daarom moet geld gestoken worden in een betere samenwerking tussen de verschillende sectoren en bestuurslagen. In plaats van allerlei losse projecten zou de overheid een programmatische aanpak moeten kiezen.
  2. Er moet een landelijke stuurgroep komen die gemeenten helpt bij het opzetten en uitvoeren van een preventief jeugdbeleid.
  3. Het idee om de overheidssubsidie op kinderopvang aan de ouders zelf te geven kan beter naar de prullenmand, omdat juist kwetsbare kinderen hier de dupe van kunnen worden.

Literatuur:
  • Bakker, I., Bakker, K., Dijke, A van, & Terpstra, L. (1997). O + O = O2 Naar een samenhangend beleid en aanbod van opvoedingsondersteuning en ontwikkelingsstimulering voor kinderen en ouders in risicosituaties. Utrecht: NIZW
  • Hermanns, J. (1995). Jeugdproblematiek en opvoedingsondersteuning. Tijdschrift voor Orthopedagogiek, 34, 410-422.
  • Pels, T. & Distelbrink, M. (2000). Opvoedingsondersteuning: Vraag en aanbod. In : T. Pels (Red.). Opvoeding en integratie. Assen: Van Gorcum.
  • Dijke, A van, Snijders, J., & Terpstra, L. (1999). Het werkveld opvoedingsondersteuning en ontwikkelingsstimulering: Theorie en praktijk. Utrecht: NIZW

Door Marianne de Wolff. Dr. M. de Wolff is universitair docent Algemene en Gezinspedagogiek in Leiden. In 1998 schreef Marianne de Wolff een hoofdstuk in de RPF-publicatie ‘Individualisering en gezinsbeleid’. Die publicatie is in 2000 wegens succes door de ChristenUnie en het GMV opnieuw uitgegeven onder de titel ‘Werken aan een rotsvast gezinsbeleid’.

Gepubliceerd in DenkWijzer 2003, 5

« Terug

Reacties op 'Opvoedingsondersteuning'

Geen berichten gevonden

Log in om te kunnen reageren op nieuwsberichten.

Nieuwsarchief > 2003

december

november

oktober

september

augustus

juli

juni

mei

april

maart

februari

januari