Interview met een bevlogen huisarts

vrijdag 12 december 2003 10:40

Naast het gemeentehuis van Katwijk, met alleen een weg ertussen, ligt de praktijk van huisarts Moolenburgh. Het is symbolisch voor de korte lijnen tussen de verschillende partners in het Katwijkse Platform Verslavingszorg, waarvan Hans Moolenburgh de voorzitter is. Korte lijnen, maar ook: weten wat er leeft op straat, iedereen erbij betrekken en goed onderbouwen waar je mee bezig bent. Dat zijn belangrijke succesfactoren van het Platform Verslavingszorg, dat intussen met veel meer bezig is dan alleen verslavingen.

Het Platform is begonnen in 1993, toen een aantal jonge heroïneverslaafden zeiden: ‘als mijn ouders hier meer over hadden geweten, dan was dit misschien niet gebeurd.’ Op initiatief van een jongerenwerker werd er een grote groep betrokkenen bij elkaar geroepen: gemeente, GGD, welzijnswerk e.d. “In eerste instantie ging het over heroïneverslaving. In het dorp was er toen nog een heel stuk ontkenning. Wij besloten bekendheid te gaan geven aan het probleem. We hebben eerste een globaal onderzoekje gedaan en vastgesteld dat er inderdaad een behoorlijke groep verslaafden was. In een kerk met 600 tot 700 mensen heb ik vervolgens verteld wat de prijzen van allerlei soorten drugs in Katwijk waren, waar je het kon krijgen, om hoeveel verslaafden het ging, wat voor soort jongeren dat dan waren en om wat voor soort ouders het ging. Dat kwam nogal heftig over en in de pers kreeg je meteen berichten over ‘drugsdorp’ en zo.” Het Platform is toen begonnen met voorlichtings- en preventieprojecten bij scholen en voor ouders.

Hadden jullie toen al vergelijkingscijfers met andere dorpen in de buurt of vergelijkbare dorpen elders, waaraan jullie konden zien of het in Katwijk erger was dan ergens anders?

“Nee, ons onderzoek toen was heel globaal. Onze cijfers varieerden toen van 200 tot 400 drugsverslaafden. De pers maakte daar natuurlijk meteen 400 van …
In 1995 riepen heel veel mensen: als je het drugsprobleem wilt oplossen, moet je een coffeeshop neerzetten. Veel andere gemeenten bliezen daarover heel hoog van de toren. Dat was dé oplossing.
Wij hebben een notitie geschreven, waarin we analyseerden in hoeverre een coffeeshop nu oplossingen bood voor welke problemen. Voor- en tegenstanders hebben daarna kunnen reageren op onze stelling dat een coffeeshop een schijnoplossing biedt, die bovendien andere oplossingen in de weg staat. Wil je als overheid geloofwaardig zijn, dan moet je in ieder geval duidelijk worden. Geen coffeeshop dus. Dat was het standpunt van het Platform en de gemeente heeft zich daarop gebaseerd.
Toen de discussie later weer oplaaide, is de gemeente Katwijk het grondig gaan uitzoeken. Dat is de Alcohol- en Drugsmonitor 2000 geworden. Wij zijn de enige gemeente van deze omvang (ruim 40.000 inwoners) die zoiets zelf heeft laten onderzoeken. Katwijk heeft daar veel geld ingestoken. Uit die monitor bleek nergens dat Katwijk een groter probleem had dan andere gemeenten.”

“Ons uitgangspunt is, dat iedereen die dat wil aan drugs kan komen (hasj, heroïne, cocaïne e.d.). Zo’n 95% van de drugs bereikt ook echt de gebruiker, slechts een heel klein deel wordt onderschept. Iedere jongere krijgt dan ook een moment in zijn leven, dat hij of zij geconfronteerd wordt met drugs en een keus moet maken. Dat geldt overigens nog sterker voor alcohol. De eerste jaren zijn we druk bezig geweest met drugs, de laatste jaren zijn we ook met alcohol aan de slag gegaan.”

Vertel eens over de verschillende projecten die jullie hebben en wie jullie daarbij betrokken hebben …

“Op een gegeven moment zijn we naar de kerken gestapt en hebben we gezegd, dat het niet terecht is dat de kerken hier niet in meedoen. Zij horen het zout der wereld te zijn, maar zijn op straat niet te vinden. Dat hebben zij zich aangetrokken. Zij hebben toen Stichting de Brug opgericht en zijn o.a. een inloophuis voor drugsverslaafden begonnen. Daar komen door het jaar heen nu zo’n zeventig zware drugsverslaafden. Dat is voor ons een hele goede ingang geworden om die verslaafden te begeleiden. De Brug is gegroeid en heeft nu twee maatschappelijk werkers in dienst. De Brug krijgt een heel bescheiden subsidie en wordt verder volledig ondersteund door de kerken.”

Reïntegratie


“De Brug doet intussen veel meer. Zij proberen bijvoorbeeld invulling te geven aan Jezus’ woorden ‘ik ben in de gevangenis geweest en jullie hebben mij bezocht’. Vanuit De Brug zijn ze gevangenissen en verslavingsinstellingen gaan bezoeken en brieven en kaartjes gaan schrijven. Zij nemen verantwoordelijkheid voor de uitvallers, de mensen die van de rand van de Katwijkse samenleving zijn gevallen. Zij laten zien dat de gemeenschap ze niet laat stikken, maar er nog steeds voor ze is. Zij laten zien dat ze nog steeds bij de gemeenschap horen, door naast ze te gaan staan. Reïntegratie moet van beide kanten komen.
Het Platform heeft nu een project, waarbij iedere Katwijker die uit de gevangenis of een verslavingsinstelling komt, meteen professionele begeleiding en een uitkering krijgt, zodat ze geen moment in een gat vallen en terugvallen.”

Geld

“Geld speelt bij dit soort projecten altijd een rol. Het is vooral erg lastig om projecten gefinancierd te krijgen die zichzelf nog niet bewezen hebben. Ik vind het geweldig dat Katwijk zo z’n nek uitsteekt en nieuwe initiatieven financieel ondersteunt.
Zo’n reïntegratieproject met vrijwilligers als mentoren is nieuw, dus je moet het zelf bedenken, ontwikkelen en hindernissen overwinnen. Het vraagt vaak strijd om iets te bewijzen. Als dat lukt, dan moet het wel regionaal gaan draaien om het overeind te kunnen houden.
Zo heeft dat ook gewerkt bij een project, waarbij jongeren die dreigden af te glijden en bijvoorbeeld in aanraking waren gekomen met de politie in een begeleidingstraject kwamen. Dat was zo succesvol, dat het regionaal is gaan draaien. Dat loopt nog steeds. Wij zien onszelf wat dat betreft als een soort proeftuin.”

XTC

“De afgelopen jaren zijn we ook tegen XTC aangelopen. Wij hebben op een rijtje gezet wat XTC is en doet. We zijn enorm geschrokken, van wat XTC bijvoorbeeld aanricht in de hersenen. We hebben vervolgens jonge gebruikers gevraagd om ons te helpen hoe wij die boodschap het best aan hen kunnen vertellen. We kwamen toen op het voorbeeld van een spons die je uitknijpt. Dat is namelijk wat in je hersenen gebeurt. Dat verhaal hebben we verteld op een door ons georganiseerde house party, waar zo’n 300 jongeren zijn geweest. Dat kwam flink aan. De discussie met de jongeren over de gevaren van XTC is overigens nog volop gaande, o.a. via de lokale jongeren-website (http://www.kattuk.nl).
We zijn ook naar het ministerie gegaan en hebben gezegd dat ze met dit verhaal over de gevaren van XTC naar buiten moeten komen. Dat mógen ze niet voor zich houden. Zij dekken zich dan in met het argument dat de onderzoeken elkaar nog tegenspreken en dat ze het nog niet zeker weten. Maar wij vinden, dat wat tot nu toe bekend is dermate ernstig is, dat je daar mee naar buiten moet komen.”

Alcohol

“Alcohol is veel breder en lastiger dan drugs. Daarom hebben wij veertig mensen uit de maatschappij (waaronder drie raadsleden) gevraagd om mee te denken. Daar zijn vijf werkgroepen uit gevormd. Dat vergde nogal wat coördinatie, maar uiteindelijk is daar het Alcoholplan uitgekomen.
Essentieel bij zo’n plan is de onderbouwing met cijfers. Wij zijn daarvoor gaan meten op locatie. Daarmee hebben we een uniek responsepercentage gehaald van ruim 80%. Bij ons kwamen er toch wel schokkende cijfers uit. Jongeren blijken gemiddeld op 15 glazen met alcohol op een uitgaansavond uit te komen. Daar moet je wat mee. Je kunt er niet omheen.
Belangrijk bij alcohol is, dat je niet moet willen bestrijden, maar beheersen. Daarbij werkt de voor Nederland en zeker voor Katwijk aansprekende analogie met waterbeheersing heel goed. De dijken zijn de regels. Wij hebben in kaart gebracht welke regels er allemaal zijn. De gemeenteraad is daar nu naar gaan kijken, vooral naar de horeca- en drankwetgeving. Rond de regelgeving heeft de gemeente een hele duidelijke regiefunctie.
Ook de kerken willen wij benaderen. Zij moeten ook nadenken over hoe zij met alcohol omgaan. Laten ze er maar eens een preek aan wijden. Laten ze maar eens kijken wat er in de Bijbel over alcohol staat. Laten ze maar catechisatiemateriaal ontwikkelen. Laten de kerken in ieder geval hun verantwoordelijkheid hierin serieus nemen. Zij mogen zich niet aan deze discussie onttrekken. Zij hebben een voorbeeldfunctie.”

Overlast

“Bij alcohol en overlast op straat stonden wij voor de vraag hoe je de jongeren bereikt waar het eigenlijk om gaat. We hebben door de politie negentien jongeren van een jaar of achttien laten bellen die bekend zijn bij de politie als overtreders en de politie laten vragen of ze willen helpen. Al die jongeren reageerden positief. Dat is het project VIKS (Veilig In Katwijk Stappen) geworden. Deze jongeren gaan nu naar scholen toe om in klassen met andere jongeren van 14 en 15 jaar over regels te discussiëren.”

Hoe is de omslag bij hun tot stand gekomen?

“We hebben een aantal bijeenkomsten met hen gehouden, waar we hen hebben aangesproken op hun gedrag en op hun voorbeeldfunctie. Ook hebben we hen de gezondheidsgevolgen van alcohol uitgelegd. Daar schrokken ze erg van, dat hadden ze nog niet eerder gehoord. Ze worden altijd alleen maar gewaarschuwd in verband met overlast …
De omslag vindt eigenlijk al plaats op het moment dat een politieagent belt en zegt ‘wij hebben je hulp nodig’. Samenwerking zoeken werkt! De politie had zelf nooit verwacht dat die belronde iets op zou leveren, maar was stomverbaasd en aangenaam verrast over de response.”

Hoe kun je voorkomen dat het zover komt met die jongeren?

“Ik ga uit van een groeiproces waarbij de jongere te vergelijken is met een rups die zich ontwikkelt, die goed gevoed moet worden en moet weten waar hij wel en niet van kan eten. Als iemand eenmaal zijn puberteit induikt - in z’n cocon zit - is hij of zij veel moeilijker te bereiken. Vóór die tijd moet je goed gevoed zijn. Dan moet je al weten of je met drugs wel of niet kan vliegen. Als je in de cocon zit en je gebruikt drugs, denk je dat je een vlinder bent en blijf je erin rond cirkelen. Als je toch naar buiten weet te kruipen is de grote vraag hoe je alsnog kan leren om te vliegen. Je bent letterlijk vleugellam.”

Hoe bereiken jullie die rupsen?

“Op alle scholen krijgen ze voorlichting. Dat is geen softe voorlichting. Daar zitten kinderen ook helemaal niet op te wachten. Benoem het maar gewoon. Met een genuanceerd gedoogverhaal schieten we niks op. Dat waarderen ze ook niet. Zij zijn vaak nog veel harder dan wij.”

Het gezin

Dan komen we bij het gezin. Hoe staat het daarmee?

“Laten we vooropstellen, dat het met de meeste gezinnen en een groot deel van de kinderen gewoon heel goed gaat. Daarnaast kun je je natuurlijk wel zorgen maken over bepaalde ontwikkelingen. Bijvoorbeeld: één op de vijf kinderen eet met het bord op schoot voor de televisie, kinderen zijn minder thuis, jonge kinderen zijn ’s avonds laat nog op straat, etc. We zijn nu bezig met enquêtes op scholen en dan valt op dat ouders hun kinderen veel minder in de gaten houden dan we zouden willen. De controle op het kind is blijkbaar verminderd. Dat kom je ook bij het alcoholvraagstuk weer tegen: er wordt te jong en te vroeg gedronken door kinderen. Hoe doorbreek je dat? Wat zijn de ingangen om bij een gezin naar binnen te kunnen komen? Via de ouders, via de kinderen?
Eerst moet je natuurlijk goed in kaart brengen wat de problemen nu precies zijn. Algemeen wordt wel erkend dat communicatie het grote probleem is. Hoe en waarover communiceert een gezin intern? Als ze voor de buis eten dan is er geen onderling overleg meer, worden er geen verhalen meer verteld. Als een kind drinkt en er komt geen commentaar op, dan is er een gebrek aan communicatie. Alles wat wij van het Platform doen heeft te maken met communicatie. Communicatie en samenhang. De onderlinge samenhang binnen het gezin en met de gemeenschap waarin dat gezin functioneert.”

Hoe signaleer je problemen?

“De uitdaging is interne problemen signaleren voordat er een crisis is, voordat er echt iets spaak loopt. Twee belangrijke vragen: hoe signaleer je, en vervolgens: hoe intervenieer je?
Als het gaat om gezinnen is de signaleringsfunctie nog erg gebrekkig. Het gezin is nog een beetje een gesloten doos. Maar als er dan wel een probleem gesignaleerd wordt, hoe zorgen we dan dat de juiste ouders de juiste opvang, hulp en begeleiding krijgen? Over ouder-begeleiding is erg weinig nagedacht. Hoe bereikt opvoedingsondersteuning bijvoorbeeld die doelgroepen, die het ook echt nodig hebben? Als een school over een onderwerp een voorlichtingsavond geeft, dan komen daar niet de ouders die er zouden moeten zijn. Hoe krijg je die wel?
Als een kind op straat wordt opgepakt met drank, krijgen de ouders sinds kort een brief van de gemeente, waarin staat dat dit is gebeurd en waarin ze worden gewezen op de cursus alcohol en gezin.
We trainen verder ook mensen hoe ze alcohol als probleem kunnen herkennen. Dat hebben we gedaan met alle sociëteiten, wijkverenigingen, barpersoneel, maar ook met mensen die in de eerste lijn staan zoals consultatiebureaus. Op termijn willen we dit ook richting onderwijspersoneel en ouders gaan doen.”

Hoe ziet u de rol van scholen in dit alles?

“Het probleem bij scholen is, dat iedereen bij problemen altijd wijst naar de scholen. Iedereen weet zo goed wat scholen zouden moeten doen. De school is een zwaarbelast instituut. Scholen krijgen zoveel op zich af, aan de ene kant vanuit Den Haag en aan de andere kant vanuit de maatschappij. Zoveel problemen worden naar de scholen toegeschoven. Zoveel oplossingen worden er ook van ze verwacht. Je moet dan ontzettend uitkijken hoe je die scholen benadert met jouw problemen en oplossingen.
De maatschappij heeft toch ook een verantwoordelijkheid richting de scholen? Laten wij ons eens afvragen, hoe wij de scholen kunnen helpen! Ik ben op een gegeven moment met de directeuren van basisscholen om de tafel gaan zitten en heb gezegd dat zij zelf moeten aangeven waar zij tegenaan lopen en wat zij aan hulp vanuit de maatschappij nodig hebben. De leiding van een school moet zelf de noodzaak zien van bepaalde voorlichting. Zij moeten de meerwaarde gaan zien. Eigenlijk moeten ze er het gevoel aan overhouden dat het hen ontlast in plaats van belast.
Ook als je begint met opvoedingsondersteuningsavonden, kun je met de scholen bespreken hoe je nu de juiste ouders daar krijgt. Scholen kunnen ouders ergens op aanspreken, maar ook ouders onderling kunnen elkaar aansporen om naar zo’n avond te gaan.”

De bestuurlijke kant van het verhaal


Waar lopen jullie op bestuurlijk terrein tegenaan?

“In het begin loop je erg op tegen verkokering en concurrentie. Elke organisatie denkt dat zij de instantie zijn die de problemen moet oplossen. De verslavingszorg heeft bijvoorbeeld de neiging om te zeggen dat dit hun pakkie an is. Het kan dan jaren duren voordat een organisatie ziet, dat er winst zit in het met elkaar om de tafel zitten. Elke organisatie krijgt daardoor veel meer ingangen. Je hoeft het natuurlijk niet altijd met elkaar eens te zijn, als je maar met elkaar om tafel blijft zitten. Het kost tijd om consensus te bereiken. Soms is het een hele worsteling. Soms rol je over elkaar heen, maar ook uit botsingen kunnen hele goede dingen voortkomen.
Na de gemeenteraadsverkiezingen van vorig jaar zijn er heel veel nieuwe raadsleden gekomen en we merkten dat we opnieuw moesten gaan uitleggen waar wij mee bezig waren. Soms gaat er ook een voor ons belangrijke ambtenaar weg. Ook dan kan je een hapering krijgen, bijvoorbeeld in de informatievoorziening richting de raad. Dat zijn de momenten dat je heel goed moet oppassen dat alles goed op elkaar aan blijft sluiten. Wij moeten heel erg in de gaten houden, dat wij niet doorstomen en het contact met bijvoorbeeld de gemeenteraad verliezen. Het is een samenspel. Ook daar is communicatie weer heel erg belangrijk.”

Bent u bezorgd over alle bezuinigingen?

“Het geeft onzekerheid. Je weet niet wat er gaat gebeuren. Wat is straks nog de ruimte om ook een keer ‘op onze bek te gaan’. Mogen projecten nog het risico lopen te mislukken? Daar moet je niet meteen hard op afgerekend worden. Je hebt steun nodig van de gemeente. Gemeenteraad en verantwoordelijke wethouder moeten risico’s durven nemen.”

Als gemeenten hier nu ook mee aan de slag willen, waar en hoe begin je?

“Het begint met ontferming. Iemand moet zich het lot van zijn medemens aantrekken, betrokken zijn bij een probleem. Het begint bij de straat en bij de mensen die de straat kennen, bijvoorbeeld bij een jongerenwerker die weet hoe het er in een discotheek aan toegaat. Hen moet je bij elkaar halen en vragen wat nou echt de problemen zijn en welke oplossingen er mogelijk zouden zijn. Dat moeten mensen zijn die net iets boven dat straatniveau kunnen denken, die enigszins kunnen relativeren. In het Platform hebben we een mix van mensen die de straat kennen en mensen die bestuurlijke verantwoordelijkheden hebben. Er zit een gemeenteambtenaar bij, een politieagent (en dan niet de baas van de politie, maar ‘iemand van de straat’), de GGD, maar ook andere mensen die uitvoerend bezig zijn.
Het eerste initiatief zou van een raadslid of wethouder kunnen zijn, iemand die die betrokkenheid voelt, die wil luisteren en die ook bereid is iets uit handen te geven, die anderen durft uit te dagen met plannen en ideeën te komen. Dan zal er in een andere gemeente misschien iets heel anders uitkomen dan wat wij in Katwijk doen, maar dan heb je wel draagvlak gecreëerd binnen de gemeenschap. Mensen moeten zich kunnen identificeren met een beleid. Dat kan alleen maar als de mensen waar het om gaat mee hebben geholpen bij de ontwikkeling. De uitvoering van het beleid wordt dan ook veel leuker, want je staat er niet alleen voor.
Je hebt er ook een paar creatieve denkers bij nodig. En er moeten mensen bij zitten die theoretisch kunnen denken en kunnen onderbouwen waar je mee bezig bent.”

“Kerken vormen ook een deel van de sleutel, maar dan moeten ze wel een stuk arrogantie laten varen. Het gevaar is, dat je moraliserend wordt, maar zodra je de vinger gaat opheffen ben je fout bezig, dan ben je het contact kwijt. Je moet kruipen in de huid van en naast mensen gaan staan.
Bij gezinnen moet je dus ook niet van bovenaf beginnen. Anders gaan ouders meteen in de verdediging.
De Brug heeft een groep ouders die al jaren lang de straat opgaan en hangjongeren aanschieten met de vraag hoe het met ze gaat. Vaak zijn dat hele open gesprekken. Zo sla je bruggen. Je doorbreekt de bedreiging die van zo’n groep hangjongeren uitgaat. Zoiets kan dan weer ondersteund worden door gebedsgroepen.”

Bij gesignaleerde problemen moet je vervolgens steeds weer kijken: wie heeft op dit moment bij dit probleem de juiste ingang bij de betrokken mensen. De onderwijzeres, de politie, de jeugdwerker, de huisarts, andere jongeren, andere ouders? Daar is geen algemene regel voor. Het moeten wel mensen zijn die het probleem kúnnen signaleren en ernaast kúnnen gaan staan.
Het is een hele oude boodschap: Heb uw naaste lief.”



Platform Verslavingszorg Katwijk
Callaoweg 1
2223 AS Katwijk
E-mail secretaris Thea Guijt: tsaguijt@xs4all.nl

Algemene informatie over Katwijk is te vinden via www.katwijk.nl.
Het Platform heeft nog geen eigen website.
Stichting De Brug heeft wel een website: http://www.stdebrug.nl

Participanten Platform Verslavingszorg
- Huisarts (onafhankelijk voorzitter)
- GGD- ZHN (voorheen GGD D&B)
- Politie Hollands Midden
- Gemeente Katwijk
- Kubus 85 = Factor Welzijn, Stichting voor Sociaal Cultureel Werk Katwijk
- Stichting De Brug, christelijke verslavingszorg Katwijk, Rijnsburg en Valkenburg
- Ouders van Drugsgebruikers (vacant)
- Anonieme alcoholisten, werkgroep Katwijk (AA)
- Parnassia, Pycho-Medisch Centrum
- Bureau Jeugdzorg Rijnland
- Narcotica Anonymous
- Vereniging van Relaties van (Ex-) Gedetineerden
- Rhijngeestgroep

Door Erik van Dijk

Gepubliceerd in Denkwijzer 2003, 5

« Terug

Reacties op 'Interview met een bevlogen huisarts'

Geen berichten gevonden

Log in om te kunnen reageren op nieuwsberichten.

Nieuwsarchief > 2003

december

november

oktober

september

augustus

juli

juni

mei

april

maart

februari

januari