Scheiding van kerk en staat

vrijdag 11 juni 2004 13:29


Hoe kan een partij geestelijke vrijheid hoog in het vaandel hebben, wanneer ze een religieus geïnspireerd programma heeft? Deze vraag wordt ons wel eens door niet-christenen gesteld. Wanneer we denken over integratie worden we ook zelf met deze vraag geconfronteerd. Immers hoe gaan we om met andere religies die ook een politiek streven ontwikkelen? Welke plaats verdient een christelijke partij als de ChristenUnie in het politieke debat?
Steeds vaker wordt religie in verband gebracht met fundamentalisme. De vrijheid van onderwijs staat ter discussie. Juist nu is het belangrijk om helder te hebben op welke manier religie een plaats heeft in het politieke debat en een rol mag spelen bij het besturen van ons land.

Scheiding van staat en geloof

Het lijkt bij onze postmoderne samenleving te horen om religieuze opvattingen te relativeren tot persoonlijke meningen die alleen gelden voor het persoonlijke leven. We hebben allemaal onze eigen opvatting over de waarheid, dus geen enkele opvatting zou de andere mogen overstijgen. Als reactie hierop valt het publieke debat stil, er ontstaat een soort levensbeschouwelijk vacuüm.

In zijn Groen van Prinsterer-lezing van 16 januari 2003 behandelt Gert Schutte deze gedachtegang vanuit het werk van Groen van Prinsterer. Schutte wijst op een voorval in de Tweede Kamer waarbij Gerrit Zalm bezwaar maakte tegen het opnemen van een bede om Gods zegen in de troonrede. Zalm zei dat hij niet wilde dat de overheid godsdienstige dan wel anti-godsdienstige overtuigingen uitdraagt. Hij beriep zich daarbij op de scheiding van kerk en staat. Ook in het debat over het homohuwelijk toonde de toenmalige staatssecretaris Cohen zich niet ontvankelijk voor de bezwaren op bijbelse gronden van ChristenUnie en SGP, vanwege de scheiding van kerk en staat. Groen van Prinsterer waarschuwde:
Onder de leuze van scheiding van kerk en staat, die welbegrepen ook door ons begeerd wordt, is het liberalisme in de grond der zaak om bezieling van staat en kerk en school met de religie van het ongeloof te doen.” (Groen van Prinsterer, geciteerd door Schutte)
Het gaat er volgens Groen voor de liberalen dus niet om staat en kerk te scheiden, maar geloof en politiek. Ongeloof is volgens Groen ook een religie, met een eigen politiek program. Religieuze uitgangspunten worden buitenspel gezet en een liberale, seculiere benadering wordt normgevend. (Schutte 2003: pag. 17)

Brede en smalle moraal

Kars Veling theoretiseerde dit verschijnsel in de bundel De lege tolerantie met het concept van een brede en een smalle moraal. De smalle moraal bestaat uit de zaken waar we het allemaal met elkaar over eens zijn, noem het een sociaal contract, of de publieke norm. De brede moraal is de persoonlijke moraal. Volgens veel liberalen kunnen mensen wanneer ze het publieke domein betreden hun persoonlijke opvattingen afleggen en de algemeen gedeelde moraal aandoen. Dat moet volgens hen geen probleem zijn, want die is neutraal en daar zijn we het allemaal mee eens. Volgens Veling is de smalle moraal helemaal niet levensbeschouwelijk neutraal en vat “een maatschappelijke meerderheid van verlichte relativisten” hun eigen moraal gemakshalve op als de smalle en vergelijken zij de exotische of achterhaalde opvattingen van anderen met hun eigen voorkeur voor jaren zestig muziek of met hun afschuw voor alcoholvrij bier. “Zulke opvattingen moeten kunnen, maar natuurlijk niet om anderen daar mee lastig te vallen.”

Groen van Prinsterer en zijn politieke erfgenamen in de ChristenUnie gaan er in tegenstelling tot veel liberale denkers vanuit dat er geen neutrale grond bestaat. De publieke samenleving wordt altijd volgens een bepaalde norm ingericht. Of die nu christelijk of liberaal is, er is altijd sprake van een bepaalde set van uitgangspunten met een vertaling daarvan in het publieke leven. De kritiek van de ChristenUnie is dat vanuit liberaal oogpunt dit vaak ontkend wordt en zodoende een liberale opvatting niet meer open staat voor debat. De liberale ideologie krijgt een monopoliepositie.

Politiek met een hart

André Rouvoet voert tegen dit relativistisch denken een warm pleidooi voor ‘politiek met een hart’. Het moet volgens Rouvoet in een democratische samenleving gaan om het bekend maken van je uitgangspunten en bekend raken met die van een ander.
“Het is domweg niet waar dat wat goed en kwaad, recht en zedelijk, verfoeilijk of loffelijk, pas kan worden vastgesteld als de neuzen geteld zijn. En dat geldt op een dieper niveau ook voor de vraag naar de waarheid. Weliswaar zijn we het in een pluriforme samenleving daarover bepaald niet eens, maar die waarheidsvraag kan in ieder geval niet beantwoord worden via de stembus of een enquête.” (Rouvoet, ‘Wat is waarheid’ in Kuiper 2001)
“…dán manifesteert de democratie zich in haar wezen, namelijk door ruimte te bieden voor het vertolken van authentieke opvattingen over wezenlijke zaken, ook als dat niet resulteert in een besluit bij meerderheid van stemmen. Daarom is mijn voortdurende oproep om de politiek z’n hart terug te geven. Daarvoor is allereerst nodig dat politici de postmodernistische politieke correctheid van relativisme en doorgeschoten tolerantie van zich durven werpen en onbeschroomd hun diepste overtuigingen over mens, wereld en samenleving expliciteren als uitgangspunt in het politiek debat.”

Rouvoet plaatst op deze manier een diepe overtuiging vanuit een religie in de kern van het politiek handelen. Hij heeft er moeite mee dat anderen de vraag naar uitgangspunten en beginselen naar de achtergrond verschuiven en zelfs buiten de politieke arena willen houden, omdat men elkaar toch niet kan vinden. Juist in het spreken met elkaar over fundamentele uitgangspunten leer je elkaar kennen en kun je elkaar wellicht echt naderen, ook al ben je het in beginsel niet met elkaar eens.

Christelijke politiek

Maar de vraag blijft staan. Je hebt als christelijke partij het streven bijbelse principes hun weerslag te laten hebben in de samenleving. Dezelfde samenleving die je met niet-gelovigen deelt. Wat betekent dit voor onze eigen opvattingen?
Vrijheid heeft blijkbaar alles met grenzen te maken. De scheiding van kerk en staat is zo’n grens. Deze scheiding betekent niet dat geloof geen rol mag spelen bij het bedrijven van politiek en bestuur. Ze geeft aan dat er domeinen zijn in de samenleving waarbinnen we vrijheid genieten.
De overheid is verantwoordelijk voor het publieke leven. Tegelijkertijd moet een overheid zich terughoudend opstellen op die plaatsen waar de leden van de samenleving hun eigen verantwoordelijkheid dienen te dragen zoals in het gezin, het onderwijs en de kerk. Plaatsen waar de eigen levensbeschouwelijke identiteit een grote rol speelt en waarbij overheidsingrijpen niet gewenst is. De kerk, als instituut, moet zich op haar beurt niet bemoeien met het staatkundig leven. Ze kan als religieuze gemeenschap de overheid een spiegel voorhouden, maar ze moet zich niet bezighouden met het formuleren en uitvoeren van beleid.
Een christelijk politicus is dus beperkt in zijn werk. De ChristenUnie streeft naar een samenleving ingericht volgens christelijke principes. Maar vanuit de scheiding van kerk en staat gaat het dan wel om een vertaling van die principes naar de bestuurspraktijk en kunnen die niet opgelegd worden.
Is dit dan armoe? Maken we ons hiermee vleugellam? Ik denk van niet. Door bijbelse principes heel concreet te maken laten we zien wat God voor heeft met de wereld. We geloven dat Gods wet goed is voor zijn schepping. Als christen mag je dit in de politiek laten zien.
Juist een christelijk politicus dient in het politieke debat grenzen te respecteren. Dat betekent ook dat een christelijk politicus andere godsdiensten evenveel ruimte moet geven in het politieke debat als hij zelf neemt. Wanneer moslims of boeddhisten een politieke partij oprichten, dan is dat hun goed recht. Wij mogen hun wijzen op de scheiding van kerk en staat, maar dienen ook het debat met hen aan te gaan.

De fundamentele vrijheden staan ter discussie. Als we niet meer gewend zijn om te praten met elkaar, wordt een religieuze gemeenschap met maatschappelijke pretenties snel een bedreiging. De scheiding van kerk en staat geeft ons ruimte om met elkaar in gesprek te blijven en garandeert ook onze persoonlijke vrijheid. 

Literatuur:
  • Anker, E.W. Tolerantie en de ChristenUnie, over de tolerantieopvattingen van de ChristenUnie, 2004
  • Hooven, M. ten, (red) De lege tolerantie, over vrijheid en vrijblijvendheid in Nederland, 2001 Boom, Amsterdam
  • Kuiper, R. et al, Tolereren of bekeren, naar een christelijke visie op verdraagzaamheid, 2001, Boekencentrum, Zoetermeer
  • Schutte, G.J., Evangeliebelijders gevraagd, toen en nu, Mr. Groen van Prinsterer-lezing 16 januari 2003, wetenschappelijk instituut van de ChristenUnie, Mr. G. Groen van Prinsterer stichting, Amersfoort 

Door Ed Anker, student politicologie aan de UvA en fractiemedewerker van de ChristenUnie-SGP fractie in Noord-Holland

Gepubliceerd in DenkWijzer 2004, 3. Dit artikel is een samenvatting van Tolerantie en de ChristenUnie - Over de tolerantieopvattingen van de ChristenUnie

Nieuwsarchief > 2004

december

november

oktober

september

augustus

juli

juni

mei

april

maart

februari

januari