Bijdrage André Rouvoet Algemeen Overleg Antisemitisme

woensdag 02 februari 2011 16:00

De heer Rouvoet (ChristenUnie): Voorzitter. We spreken vandaag heel specifiek over antisemitisme als verschijningsvorm van discriminatie, zij het met een eigen lading en met specifieke karaktertrekken. Het is goed dat wij daar specifiek over spreken met elkaar. Ik kom aan het eind van mijn betoog met een aantal specifieke maatregelen die tegen dit verschijnsel zouden moeten worden genomen. Het is een langdurig en kennelijk hardnekkig maatschappelijk probleem. Ik noem het bewust een maatschappelijk probleem, want het is een probleem van onze samenleving. Zo beschouw ik het zelf althans. Het is een probleem van ons. Daarom heeft de politiek de verantwoordelijkheid om na te gaan wat zij kan doen om dit specifieke verschijnsel hard, stevig en gericht aan te pakken. Daarvoor is veel feitenmateriaal nodig en dat is er: registraties, schattingen, een monitor en Poldis 2009. Ik zeg hierbij wel tegen de bewindslieden dat dit heel vaak opgaat in het algemene discriminatieverhaal. Dat begrijp ik wel, maar de Kamer heeft duidelijk aangegeven, behoefte te hebben aan de mogelijkheid om in te zoomen op het specifieke verschijnsel antisemitisme. Daarvoor wil zij ook feiten en cijfers hebben. Van dat specifieke verschijnsel wil zij veel meer weten dan zij uit de algemene brieven en rapporten kan afleiden. De Kamer moet daar niet naar hoeven zoeken, die gegevens moeten gewoon beschikbaar zijn om te kunnen worden besproken en vooral aangepakt.

We kunnen lang spreken over de cijfers, de feiten en de statistieken. Is er een toe- of een afname? Wat zijn de ontwikkelingen? Ik vind de volgende algehele observatie belangrijker: gelet op de bevolkingsgroep waarop antisemitisme en antisemitische incidenten betrekking hebben, komen zij relatief vaak voor. Ook in die zin is het dus een ernstig probleem. Voeg daarbij de dieptelaag en de geschiedenis. Collega Van der Staaij verwees net al even naar het boekje dat is verschenen over het beruchte antisemitische geschrift waarvan voortdurend de indruk wordt gewekt dat het authentiek is, terwijl iedereen weet of kan weten dat die protocollen niet authentiek zijn. Dat maakt duidelijk dat het een heel hardnekkig probleem is, mede vanwege de dieptelaag en de plek in de geschiedenis. Dit moet ons alert maken op het steeds weer de kop opsteken van dit verschijnsel en het steeds weer opduiken van zo'n evident antisemitisch geschrift. Dit kan niet vaak genoeg gezegd zijn. Overigens vind ik dat universiteiten en andere instellingen de belangrijke verantwoordelijkheid hebben om een zelfreinigend vermogen aan de dag te leggen en om geen geschriften als quasiwetenschappelijk in de kast te zetten, terwijl bekend is dat ze niet authentiek zijn.

Er is geen enkele reden om het probleem te bagatelliseren of om schouderophalend voorbij te gaan aan bepaalde uitingen. Ik hoor nog te vaak, ook van de Joodse instellingen en organisaties die aanwezig waren bij de rondetafelgesprekken die ik in december jl. heb georganiseerd, dat de reactie op mensen die uitgescholden zijn, is: maar het is toch feitelijk juist dat je Jood bent? Daarachter gaat wel een wereld schuil waarin dat kennelijk als pejoratief wordt beschouwd en waarin "Jood" als scheldwoord wordt gehanteerd. We moeten niet voorbijgaan aan de impact die het in emotionele en psychische zin kan hebben als mensen en hun gezinnen denken, wanneer zij de deur uitgaan: het kan vandaag weer gebeuren. Een ding weet ik zeker: als het vandaag niet gebeurt, dan gebeurt het volgende week of de week daarop, maar het gebeurt. Mensen ondervinden dat aan den lijve.

Ik kom op het actieprogramma, waarover al iets is gezegd. Het gaat erg over algemene bestrijding van discriminatie. Datzelfde gevoel heb ik eigenlijk als ik de brief van 28 januari jl. lees, de laatste brief van de beide bewindslieden. Ook ik vind het prima dat er afstand wordt genomen van de suggestie die bewust of onbewust in de discussie is gewekt, dat mensen naar elders moeten vertrekken omdat wij niet in staat zouden zijn om hun veiligheid en bescherming te bieden. Het is goed dat het kabinet daar in stevige bewoordingen afstand van neemt. Dat is niet het geval en mag nooit het geval zijn. Dat is alleen niet vrijblijvend; het verplicht ons ook tot de specifieke aanpak die ik bepleit. Daarom vind ik het wel jammer en teleurstellend dat de rest van de brieven erg in het algemeen over discriminatiebestrijding gaan en weinig over concrete vooruitgang. Laat ik daar dus mijn vraag op richten en laat ik die heel concreet stellen, nadat ik gezegd heb dat ik wat moeite heb met de discussie dat het zou gaan om herkenbare Joden. Het kabinet neemt hiervan terecht afstand, maar er sloop ineens wel een nieuw begrip in: het al dan niet als Jood herkenbaar zijn. Er mag nooit worden gesuggereerd dat het maar beter is om niet herkenbaar als Jood door bijvoorbeeld Amsterdam te lopen. Dat is niet de bedoeling van de mensen die het begrip hanteren, maar ik wil het hier wel gezegd hebben. In het introduceren van het onderscheid tussen herkenbaar en niet-herkenbaar schuilt dat risico wel. Ik wil daar verre van blijven.

De ministers schrijven dat het actieplan in uitvoering is. Ik heb het rondetafelgesprek belegd omdat ik een stap verder wilde komen dan het delen van de verontwaardiging over antisemitisme. Ik wilde een antwoord op de vraag wat er moet gebeuren.

Tot besluit van mijn betoog houd ik de regering enkele concrete punten voor waarop meer actie moet worden ondernomen, meer in gang gezet moet worden. Ik wil op zijn minst ook weten wat de bewindslieden hebben gedaan sinds de laatste rapportage van september jl. Wat is er in het kader van het actieprogramma gebeurd? Ik spits het op vier punten toe, want dat kan heel kort. Ik stip ze vooral aan; ik hoef ze niet uit te diepen na wat ik heb gezegd. De heer Voordewind heeft via een motie om specifieke registratie gevraagd. Het is van belang, zoals ook alle deelnemers aan de rondetafelconferentie hebben benadrukt, dat er een aparte, specifieke registratie van antisemitische incidenten komt. Wat is de stand van zaken? Wanneer kunnen we daarin stappen zien? Het tweede betreft het acteren door politie en justitie op aangiften. Een melding is betekenisloos; het moet een aangifte zijn. Dan komt het niet alleen in de statistieken, maar kan er ook worden opgetreden. Wil de regering reageren op de berichten die we telkens weer krijgen dat er te vaak niet wordt geacteerd op een aangifte, waardoor iemand zich een tweede keer bedenkt alvorens aangifte te doen? Willen we de aangiftebereidheid stimuleren, dan moet er worden geacteerd.

Ik zet een streep onder het woord onderwijs. Het is ongelooflijk belangrijk dat er in het onderwijs het nodige gebeurt. Ik denk aan het onderwijs over de Holocaust en kijk met name naar de pabo's, de lerarenopleidingen. Daar moeten leraren voldoende worden toegerust om een weerwoord te kunnen bieden op verkeerde voorstellingen van zaken. Ik sluit mij kortheidshalve aan bij de opmerking over de schoolboeken. Daarvoor hebben de uitgevers een belangrijke verantwoordelijkheid. Het mag in ons land niet voorkomen dat het zo gaat.

Mijn laatste punt is heel kort. Er zijn goede lokale initiatieven, waarbij er ook dialoog ontstaat tussen een aantal betrokken organisaties waaronder Joodse en Marokkaanse. Dan denk ik aan het Joods Marokkaans Netwerk Amsterdam. Het zou goed zijn als ook op nationaal niveau een dergelijke dialoog op gang werd gebracht. De deelnemers aan de rondtafelconferentie steunden dit idee. Ik krijg hierop graag een reactie van de regering.

 

« Terug

Nieuwsarchief > 2011

december

november

oktober

september

augustus

juli

juni

mei

april

maart

februari

januari