Het Waterloopleinakkoord

Het Waterloopleinakkoord
‘Stop Kinderarbeid – Eerlijke Handel’
Amsterdam, 29 september 2007

Kinderarbeid is nog steeds realiteit. Volgens de Internationale Arbeidorganisatie zijn er ongeveer 218 miljoen werkende kinderen. De meeste kindarbeiders werken in Aziatische landen maar in Afrika is het percentage werkende kinderen het hoogst. Overigens komen ook in Europa (bijvoorbeeld Albanië, Italië en Portugal) bepaalde vormen van kinderarbeid nog steeds voor. Aan diverse producten die wij hier kopen is meegewerkt door kinderen die daardoor niet naar school kunnen of hun gezondheid schaden. Denk aan chocola, katoenproducten en kleding, sportartikelen, grafstenen, sieraden, thee en andere landbouwproducten. Kinderarbeid is echter niet onvermijdelijk! Organisaties en overheden in diverse landen hebben laten zien dat het heel goed mogelijk is om (arme) kinderen uit het werk te halen en op school te krijgen en te houden.

Er zijn tal van factoren die eraan bijdragen dat kinderen werken
  • omdat ze geen ouders meer hebben, ouders te ziek zijn om te werken, ouders werkloos zijn of in de informele economie niet voldoende inkomen verdienen om het gezin te onderhouden
  • omdat – ‘goedkope’ - kinderen de arbeidsplaats innemen van volwassenen
  • omdat er geen scholen, alleen scholen van lage kwaliteit zijn, of het onderwijs niet toegankelijk is voor iedereen
  • omdat de samenleving bepaalde groepen discrimineert, bijvoorbeeld inheemse volken of ‘kastelozen’ in Zuid Azië
  • omdat er geen wetgeving is of omdat deze niet wordt gehandhaafd
  • omdat ze ertoe gedwongen worden
  • omdat diverse overheden en bedrijven geen prioriteit geeft aan het voorkomen van en de bestrijding van kinderarbeid

Kinderarbeid staat de ontwikkeling van kinderen in de weg. Het ontneemt kinderen de kans te bouwen aan een toekomst, zowel als mondige burger als geschoolde werknemer of ondernemer én als toekomstige ouders.

Kinderen (en hun ouders) werken vaak in mensonwaardige en gevaarlijke omstandigheden terwijl de meest basale voorzieningen niet voorhanden zijn. Kinderarbeid is bovendien slecht voor ontwikkeling van een land als geheel terwijl investeringen in onderwijs juist veel opleveren voor een land.

Kinderrechten zijn mensenrechten! Bijna alle landen hebben door ondertekening van ILO-verdragen en het vaststellen van Millenniumdoelen met elkaar afgesproken dat alle kinderarbeid verboden is zolang kinderen nog leerplichtig zijn of het hun gezondheid schaadt. Een kind hoort niet te werken, een kind hoort op school. Alle landen moeten zich gezamenlijk in gaan zetten voor het verwezenlijken van de gemaakte afspraken en kinderarbeid uitbannen.

In deze strijd zijn de overheden niet de enige actoren. Naast overheden (van de rijke landen én ontwikkelingslanden) spelen ouders, religieuze instellingen, lokale organisaties, multinationale en lokale ondernemingen, vakbonden, lokale werkgevers, multilaterale instellingen zoals de EU, de WTO en de VN, NGO’s (plaatselijk en internationaal), en consumenten een belangrijke rol.
Van multinationals en lokale bedrijven mag verwacht worden dat zij kinderarbeid vermijden en bestrijden en een bijdrage leveren aan dagonderwijs, betere arbeidsomstandigheden en gezondheidszorg voor kinderen en volwassenen. Van consumenten mag verwacht worden dat zij, op basis van goede informatie over omstandigheden waarin de producten worden gemaakt, bewust kiezen voor producten zonder kinderarbeid.

CNV, Campagne Stop Kinderarbeid (waarin FNV, LIW en HIVOS zijn vertegenwoordigd), Fairfood, Stop The Traffik, Tear en ChristenUnie spreken uit dat zij door middel van een integrale aanpak een bijdrage leveren om kinderarbeid uit te bannen. Zij sporen iedereen aan om daaraan zijn of haar bijdrage te leveren en het – mede daardoor – realiseren van onderwijs voor elk kind.

Uitbanning van kinderarbeid: focus op Ontwikkelingssamenwerking
  • Bijdragen aan toegankelijk en kwalitatief goed onderwijs voor alle kinderen, in combinatie met aandacht voor gezondheidszorg, arbeid en inkomen, en water en sanitatie.
  • In alle door Nederland gefinancierde onderwijsprogramma’s een aanpak opnemen om alle (nu nog) werkende kinderen in het gewone onderwijs te krijgen.
  • In EU en VN verband krachtig te bepleiten dat Millenniumdoel 2 (‘elk kind in 2015 naar school’) inhoudt dat elk kind tot minstens 14 jaar naar school kan.
  • Steun verlenen aan programma’s van vakbonden en NGO’s in hun strijd tegen kinderarbeid en voor goede arbeidsomstandigheden, waaronder menswaardig werk en leefbaar inkomen voor volwassenen.
  • Overheden ondersteunen bij het verbeteren van wet-en regelgeving op het gebied van arbeidsnormen en –verhoudingen, het faciliteren van een sociale dialoog en inzetten op handhaving via arbeidsinspectie. Investeer daarin via bilaterale hulp aan landen, maar maak deze ook mede afhankelijk van een geloofwaardige aanpak van kinderarbeid.

Uitbannen van kinderarbeid: focus op Mensenrechten
  • Inzetten op de benoeming van een speciale VN Vertegenwoordiger voor de beëindiging van geweld tegen kinderen, waaronder kinderarbeid.
  • Bestrijding van kinderarbeid moet systematisch aan de orde worden gesteld bij handelsmissies, bij bezoeken van de Minister-president, de ministers en waar mogelijk leden van het Koninklijk Huis aan landen met veel kinderarbeid en zal onderdeel moeten zijn van het vestigingsbeleid zoals door ambassades uitgedragen.
  • Nederland moet zich in internationale organisaties, van Wereldbank en IMF tot de diverse VN organisaties, inspannen om de bestrijding van kinderarbeid hoog op de agenda te krijgen.
Uitbanning van kinderarbeid: focus op Handel

  • Transparantie bij bedrijven over hun productieketen over de mate waarin de fundamentele ILO-arbeidsnormen in de praktijk worden gebracht en de mate waarin zij actie ondernemen om hierop voortgang te boeken.
  • Een actieve informatievoorziening van bedrijven zodat consumenten een keus kunnen maken voor producten van bedrijven die zich daadwerkelijk inzetten voor het uitbannen van kinderarbeid en maatschappelijk verantwoord consumeren stimuleren
  • Dubbele zorgplicht voor bedrijven, namelijk kinderen naar school maar ook het naleven van arbeidsrechten, waaronder het uitbetalen aan volwassenen van een ‘leefbaar loon’.
  • Een overgangsfase voor bedrijven om kinderarbeid uit de gehele keten te weren en hierin transparant te zijn en te voldoen aan de ILO-normen. Boeken bedrijven onvoldoende progressie dan moet gekeken worden naar mogelijkheden om hier juridische stappen op te ondernemen of aanvullend 'marktmeesterbeleid' te ontwikkelen, waarbij ook in Europees en WTO-verband wordt ingezet op het uitbannen van kinderarbeid. De bewijslast ligt zoveel mogelijk bij de bedrijven, zodat de rol van de overheid lichter is en dus het instrumentarium haalbaarder.
  • Een volledig duurzaam inkoopbeleid van de Nederlandse overheid, waar ook het bestrijden van kinderarbeid en het naleven van arbeidsnormen prominent deel van uitmaakt.
  • Het instellen van een toezichthouder MVO, die werkt met criteria gebaseerd op internationale afspraken. Deze toezichthouder moet kunnen onderzoeken, beoordelen en indien nodig kunnen sanctioneren.
  • Het gebruik maken van parlementaire instrumenten om de Nederlandse overheid te bevragen op en te sturen in de inzet, in Nederland én het buitenland, om kinderarbeid tegen te gaan.