Roel Kuiper: "Grondwet moet samenbindende functie krijgen"

2010_AP_Roel_Kuiper_610 voor site 2dinsdag 07 februari 2012 14:28

"De grondwet moet op punten worden versterkt, als samenbindend en staatkundig richtinggevend document." Dat zei ChristenUnie-senator Roel Kuiper tijdens een beleidsdebat in de Eerste Kamer over de staat van de Grondwet. Kuiper noemde de afwijzende reactie van het kabinet op voorstellen daarvoor van de staatscommissie Grondwet 'een gemiste kans'. Lees hieronder zijn hele bijdrage:

Bijdrage van Roel Kuiper (ChristenUnie) aan het beleidsdebat op 7 februari 2012 over de Grondwet

MdV,

Wat een gemiste kans! Wat een gemiste kans om de Nederlandse Grondwet tot een samenbindend en staatkundig richtinggevend document te maken en de constitutie van ons politieke leven te versterken. De reactie van het kabinet op het rapport van de Staatscommissie Grondwet smoort een discussie die sinds tien jaar op gang was gekomen over betekenis en functie van de Grondwet voor het Nederland van de 21e eeuw. Het kabinet ziet geen noodzaak om die discussie op te pakken waar vorige kabinetten dat wel zagen. Het wil niet en het zal niet. En zo komt een net goed op gang gekomen bezinning abrupt tot stilstand. Gedegen werk van een kundige staatscommissie wordt zomaar aan de kant geschoven. Terwijl de Grondwet levend bezit van burgers zou moeten zijn, wordt onze meest centrale staatswet weer stevig in handen van deskundigen (juristen) geduwd, die er namens ons allen goed op hebben te passen en af en toe er iets over schrijven in een geleerd vaktijdschrift.

Voordat ik op de inhoud van de kabinetsreactie inga, wil ik proberen de context van de discussie te schetsen, de wens ook om van de Grondwet een meer bindend document te maken dat opnieuw in rapport is gebracht met de behoeften van onze tijd. Telkens als er grote veranderingen in ons staatsleven voorvielen, mondde dit uit in aanpassingen van onze Grondwet. Onze collega Sophie van Bijsterveld heeft eens uiteengezet dat iedere (wijziging van de) Grondwet in de afgelopen twee eeuwen reageerde op maatschappelijke en politieke veranderingen en wensen. In 1814 ging het om de vestiging van de gedecentraliseerde eenheidsstaat, in 1848 om de vestiging van de rechtsstaat en de parlementaire democratie, in 1917 om de doorwerking van minderheidsrechten en in 1983 om de incorporatie van sociale grondrechten en gelijkheidsrechten. De discussie die we in de afgelopen tien jaar zijn gaan voeren had te maken met burgerzin en constitutionele waarden.

MdV,

Ik noemde een periode van tien jaar. In mei 2002 werd Pim Fortuyn vermoord. De revolte die zijn optreden ontketende maakte duidelijk dat er in een snel veranderende en mondialiserende samenleving diepe kloven waren ontstaan tussen delen van de Nederlandse bevolking. Niet alleen tussen de bestuurlijke elite die door Fortuyn op de korrel werd genomen en burgers die zich van de politiek hadden afgewend, maar ook tussen bevolkingsgroepen onderling, tussen nieuwkomers en gevestigde Nederlanders. In de jaren die volgden zouden we veel nadruk gaan leggen op sociale samenhang, op maatschappelijke en politieke verbindingen, op waarden die ons allen dierbaar zouden moeten zijn, op actief en participerend burgerschap. Deze gedachtegangen werden nog eens versterkt door het referendum voor de Europese Grondwet van 1 juni 2005 dat liet zien dat Nederlandse burgers in meerderheid (61%) anders stonden in het Europese integratieproces dan de grote politieke stromingen die sinds jaar en dag het Europabeleid in Nederland hadden bepaald. De meest nabije politieke gemeenschap was en is de nationale, pas daarna komt Europa.

Zo zijn er nieuwe vraagstukken gekomen die doorwerkten in de bezinning op de politieke en constitutionele ordening van Nederland. Deze vraagstukken waren in 1983, ten tijde van de laatste grondwetswijziging, nog goeddeels buiten beeld. Sindsdien hebben we te maken met de komst van nieuwe Nederlanders die hun plek moesten vinden in onze samenleving en hebben we te maken met een verdere ontwikkeling van de Europese Unie met ingrijpende consequenties voor de verhouding tussen nationale lidstaten en het Europees bestuur. De Nederlandse samenleving heeft enorme veranderingen ondergaan. Het is in deze context dat opnieuw de vraag opkwam hoe het gesteld is met de constitutie van die Nederlandse politieke orde. Zou de Grondwet in een tijdperk van dreigende desintegratie niet een meer verbindende rol moeten spelen? Zou ze niet een centraler rol moeten spelen bij het kenbaar maken van de waarden die deze nationale politieke gemeenschap een eigen gezicht geven?

De Nederlandse regering zelf (!) startte eind 2005 een traject dat een bezinning moest inhouden op onder andere de ‘positie van de Grondwet in de samenleving’ (22 december 2005). Het was geen opdracht tot Grondwetswijziging, maar een bezinning op plaats en functie van de Grondwet in de samenleving. De Nationale Conventie die zich hierover mocht buigen heeft zich hier inderdaad over uitgelaten. In haar eindrapportage in 2006 vermeldt ze: “Onze Grondwet is vooral een staatkundig basisreglement. In dat opzicht voldoet de Grondwet prima. In bepaalde opzichten is de Grondwet echter minder geschikt om een samenbindende en instructieve functie voor de samenleving te vervullen. Dat heeft te maken met inhoud en structuur van de Grondwet. De Grondwet is nu alleen goed leesbaar voor juridisch geschoolden’.

De Nationale Conventie merkte al op dat een van de belangrijkste kenmerken van ons staatkundig bestel, namelijk dat Nederland een democratische rechtsstaat is, niet in de Grondwet staat en dat de maatschappelijke betekenis van de Grondwet kan worden versterkt door middel van de opname van enkele nieuwe elementen waaronder een preambule. Dat versterking van de maatschappelijke betekenis van de Grondwet een belangrijk thema was, stond voor de Nationale Conventie destijds buiten kijf. Een volgend kabinet (Balkenende IV) heeft de aanbevelingen van de Nationale Conventie gevolgd en is gekomen tot de instelling van de Staatscommissie en voegde aan de studie naar onder meer een preambule in de opdracht nog enkele vragen toe, zoals die met betrekking tot de beschermwaardigheid van het leven. Ook de relatie tussen de Nederlandse rechtsorde en de internationale rechtsorde werd onderwerp van studie.

En nu staan we hier, in zekere zin met lege handen. De Staatscommissie heeft zich bekwaam gekweten van haar taak en pogingen gedaan om stappen verder te komen. Het huidige kabinet wil niet en zal niet, het meent dat de Staatscommissie te zeer bevangen was door een ‘basispresumptie’ dat de Grondwet een meer normatieve functie zou moeten hebben en verklaart zonder veel nadere argumentatie dat de noodzaak of urgentie om anders over de functie van de Grondwet te denken er niet is. Alsof er niet al tien jaar een discussie wordt gevoerd over de Grondwet en alsof de analyse van twee eerdere kabinetten (Balkenende III en IV) er ineens niet meer toe doen. (Ik wijs er op dat het kabinetten waren onder leiding van het CDA die deze ontwikkeling in gang hebben gezet en dat hier nu een minister van CDA-huize staat met een tegenovergestelde boodschap namens het kabinet). Mijn fractie betreurt dit en meent dat dit soort abrupte koerswendingen door opeenvolgende kabinetten niet zouden moeten optreden. Spreken over de functie van de Grondwet in de samenleving is niet een hobby van sommigen, maar behoort tot het serieus staatkundig onderhoud dat we van tijd tot tijd hebben te plegen. In 2008, bij de herdenking van 150 jaar Grondwet, is er een symposium gehouden in de Oude Zaal van de Tweede Kamer over de ‘onzichtbare Grondwet’. Een meer zichtbare Grondwet, zo betoogde prof. Foque daar, opent de blik op de ‘grondoriëntaties van ons bestel’ (De onzichtbare Grondwet, 58). Hij trof de geest waarin de bezinning zich de afgelopen jaren heeft ontwikkeld. Als het ene kabinet een Staatscommissie instelt en dit werk begeleidt met een veelheid aan publicaties kan een volgend kabinet niet volstaan met de mededeling dat de urgentie er niet is. Zij zal zich in elk geval hebben te verhouden tot de onderliggende argumenten die aanleiding waren tot de instelling van een Staatscommissie. Graag hoor ik daar de regering op antwoorden.

MdV,

Ik ga tot slot nog in op enkele kwesties waar onze fractie nadere opheldering over wil vragen. Wat de preambule betreft, hebben we alle argumenten die voor en tegen een dergelijke vaandel boven onze Grondwet inmiddels wel de revue zien passeren. Ik ben altijd wel voorstander geweest van een dergelijke preambule, niet omdat ik daar wonderen van verwacht, maar omdat enkele noties omtrent de staatkundige identiteit van Nederland in zo’n belangrijk document niet zouden misstaan. Het argument dat we nu eenmaal een sobere Grondwet hebben en dat het daarbij maar moet blijven heb ik altijd wat armoedig gevonden. Het is juist deze soberheid, voortgekomen uit de houding en pen van Thorbecke, die inmiddels schraal aandoet. Onze democratie heeft zich ontwikkeld van een wereld waarin slechts enkelen deelnamen, naar een wereld waarin allen in principe deelnemen. Daar past een Grondwet bij die zich meer geeft. Het argument dat het in onze samenleving moeilijk zal zijn om een voor iedereen aanvaardbare formulering te vinden is vreesachtig. Een preambule die aansluit bij ons eigen verleden, formuleringen zou kennen uit belangrijke historische documenten en in elk geval zou aangeven dat ons land voortgekomen is uit een strijd voor de vrijheid en tegen onderdrukking en tirannie, zou een begaanbare weg moeten kunnen opleveren.

Wat de opname van een bepaling over het ‘recht op leven’ betreft, staat een antwoord van het kabinet nog uit. Het was een van de meest in het oog springende onderdelen van de opdracht destijds. De Staatscommissie komt met een verdeeld advies en dat is voor het kabinet reden zich er niet meer over uit te laten. Wat was de voor een vorig kabinet moverende reden om toch te vragen naar opname van het recht op leven in de Grondwet? Volgens sommigen is het voldoende dat het recht op leven is gewaarborgd in artikel 2 van het EVRM. Maar een Nederlands staatsburger zal eerder letten op de eigen Grondwet dan op het EVRM. Ook hier gaat het om zichtbaarheid en kenbaarheid. Wat de materiële inhoud betreft van zo’n bepaling kan het gaan om lichamelijke integriteit, om de beschermingsplicht van overheden en op het recht op leven van ongeborenen. De manier waarop levensbescherming in Duitsland is geregeld zou ons tot voorbeeld kunnen strekken. Graag op dit punt een reactie van het kabinet.

Tot slot een enkel woord over de doorwerking van internationaal (Europees) recht in onze rechtsorde. Zoals gezegd, is onze Grondwet niet ontworpen met het oog op dit vraagstuk en heeft ze daarom ook geen begrenzingen gesteld aan de doorwerking van internationaal recht. Onze Grondwet heeft een ‘open’ karakter, zo wordt gezegd. Ik begrijp niet goed waarom dat open karakter in bescherming wordt genomen, want die openheid is geen bewust ontwerp. Doorwerking van internationale wetgeving was niet voorzien. Moet er niet een steviger toetsing mogelijk zijn van deze doorwerking en zou de Grondwet daarvoor geen procedures moeten kennen? Het kabinet meent dat aan de huidige praktijk niets veranderd hoeft te worden, in de Tweede Kamer is gevraagd om een procedure om internationale verdragen met gekwalificeerde meerderheid aan te kunnen nemen. Onze fractie heeft behoefte aan een beschouwing over de vraag waarom volgens het kabinet de huidige praktijk voldoende waarborg biedt om grenzen te kunnen stellen aan de doorwerking van internationale verdragen.

MdV,

De Grondwet is een uiting van de soevereiniteit van een zelfstandige staat. In een wereld waarin die soevereiniteit onder druk staat, is het van belang dat de Grondwet uitdrukking kan geven aan de staatkundige identiteit en zelfstandigheid van Nederland. Zoals ik al aangaf is het wat ons betreft een gemiste kans om de bezinning op dit punt hier af te breken. Wij doen dan ook een appel op dit kabinet om het hier niet bij te laten, maar aan te geven hoe de bezinning kan worden voortgezet. De bezinning ging niet primair om de vraag of de inhoud nog op orde is, maar om de functie van onze Grondwet in een transformerende wereld. Ik hoop dat dit debat ons in de gelegenheid stelt daarover te reflecteren.

Labels
Eerste Kamer
Roel Kuiper

« Terug

Nieuwsarchief > 2012 > februari