Ester: 'Innovatiedebat moet meer over ethiek gaan'

Peter Ester - Foto: Anne Paul Roukema / ChristenUniedinsdag 18 maart 2014 18:11

Innovatie moet worden verbonden met een inhoudelijke toekomstvisie op de grote economische en sociale uitdagingen waarvoor Nederland staat. Bij een visie op innovatie en technologie mag ethiek bovendien niet worden vergeten. Dat zei ChristenUnie-senator Peter Ester tijdens een debat over het Nederlandse innovatiebeleid. Lees hieronder zijn hele tekst.

Beleidsdebat Innovatie, ChristenUnie-fractie, 14 februari 2014

Uitgangspunt voor de ChristenUnie-fractie in dit beleidsdebat over innovatie is de noodzaak om het debat te verbinden met een inhoudelijke toekomstvisie op de grote economische en sociale uitdagingen waarvoor Nederland staat en de vraag of onze basisinstituties goed zijn opgelijnd om deze visie te realiseren. Nederland, zo zal ik betogen, moet zijn verdienmodel herijken en ons innovatiebeleid moet leidend zijn in dit transformatieproces. De kerntaak van de overheid daarbij is het scheppen van de juiste randvoorwaarden om innovatie te bevorderen en aan te jagen. Dat wordt dan ook de rode lijn in mijn betoog. Ook vraag ik aandacht voor nieuwe ethische vraagstukken rond ingrijpende technologische innovaties. Vraagstukken die zorgvuldige bezinning vereisen.

Nederland moet, zo stelt mijn fractie, zich beraden op zijn nationale verdienmodel; op de wijze waarop we als land ons brood verdienen. We moeten niet denken dat de manier waarop we in de afgelopen 50 jaar ons geld hebben verdiend, garant kan staan voor de komende 50 jaar. Globalisering en technologische ontwikkelingen veroorzaken een kwalitatieve omslag. We zien de opkomst van de BRIC-landen en andere “emerging economies”. De continentale economische krijtstrepen worden opnieuw getrokken. Het is naïef te veronderstellen dat ons huidige verdienmodel onze welvaart op middellange termijn kan zekerstellen. De eindigheid van fossiele brandstoffen, de wijze waarop we met natuur en milieu omgaan, brengen nu snel de grenzen in zicht van dit verdienmodel. Het klimaatprobleem vereist dat we onze ecologische footprint beduidend terugdringen. De schepping is in het geding. De ChristenUnie is van mening dat de transitie naar een bio-based economie, die gebaseerd is op hernieuwbare en duurzame energie, onafwendbaar is. Een circulaire economie waarin herbruikbaarheid van producten en grondstoffen centraal staan; een radicale breuk met de lineaire economie die te zeer CO2 afhankelijk is. Dit vereist een economische transitie van ongekende omvang. De consequentie van deze economische Wende is een slagvaardig groen innovatiebeleid. Innovatiebeleid, zo stelt mijn fractie, moet daarom vooral gericht worden op het ontwikkelen van een nationaal verdienmodel waarin duurzaamheid en vergroening centraal staan. Daar ligt de regietaak van de overheid. Een dergelijk model vermindert de kwetsbaarheid van ons land en maakt dat Nederland zijn internationale concurrentiepositie kan behouden. Zowel de SER als het Planbureau voor de Leefomgeving hebben hier behartenswaardige woorden aan gewijd. Onze huidige economie en export zijn veel te energie-intensief en vroeger of later zal ons dat opbreken. Kijkend naar landen als Duitsland en Denemarken blijkt dat deze groene economische transformatie hen geen windeieren legt. In beide landen ligt de bijdrage van groene technologie aan het BBP boven de 10%. De markt voor groene en cleantech-producten groeit met vergelijkbare percentages. Het gaat daarbij om substantiële werkgelegenheid. Een groene, duurzame economie is al lang geen utopie meer. We moeten er dus voor zorgen dat ons innovatiebeleid zich onderscheidt door het bedenken en vermarkten van producten en diensten die deze groene economische transformatie versnellen. En daar zit nu juist de crux. Zo concludeert het genoemde Planbureau voor de Leefomgeving, ik citeer: “Nederland loopt achter als het gaat om groene innovatie”. Ons innovatiebeleid is nog te breed, we moeten scherpere keuzes maken. Als de stelling van mijn fractie juist is dat deze economische paradigmabreuk onafwendbaar is, dan moet ook ons topsectorenbeleid veel gerichter worden ingezet. Er worden nu, zoals ook de WRR stelt in het rapport “Naar een lerende economie”, niet echt keuzes gemaakt.  

Graag hoort mijn fractie van de minister hoe hij de breedte van het topsectorenbeleid beoordeelt vanuit zijn visie op het verdienmodel van Nederland en de rol die groene technologie daarin moet spelen. Is er aanleiding tot meer focus en minder breedte in het innovatiebeleid? Hebben we niet meer maatwerk nodig? Overigens heeft ons land geen slechte papieren om het nieuwe groene verdienmodel naderbij te brengen. Nederland doet het internationaal goed op terreinen als biotechnologie en recycling. De agro-industrie, de chemie, de energiesector, de logistieke sector en de papierindustrie – bepalende sectoren in een bio-based economy – zijn economische spelers van formaat. Bedrijven als Philips, Akzo en Unilever scoren hoog in sustainability-rankings. En dat zijn juist bedrijven die focus in hun activiteitenarsenaal aanbrengen. Mijn fractie wil met deze aanscherping niet zeggen dat we het topsectorenbeleid moeten verlaten. De sterke posities van Duitsland en Denemarken tonen juist hoe belangrijk een stabiele langetermijn innovatiepolitiek is. Maar het behoeft wel meer focus en richting. Daarbij hoort ook het punt van de “governance”. Het publieke belang mag zichtbaarder worden in het topsectorenbeleid. Ook de WRR maakt dit punt. Hoe beoordeelt de minister zelf de borging van het publieke belang?

Overigens moet het mijn fractie van het hart dat de kabinetsreactie op het WRR-rapport erg mager is. Het gaat hier om een grondige toekomstvisie op de Nederlandse economie die goed empirisch onderbouwd is. Het kabinet komt in de reactie niet veel verder dan dat Nederland het eigenlijk allemaal al doet. Teleurstellend, voorzitter.

Innovatie, voorzitter, moet onze economie dus sterker maken en moet ook nieuwe antwoorden geven op de grote maatschappelijke uitdagingen. We hebben ook sociale innovatie nodig. Indien we vanuit een helikopterblik naar het innovatiebeleid en het topsectorenbeleid kijken, dan geldt dat de technologische invalshoek dominant is. Mijn fractie pleit er voor om de grote maatschappelijke vraagstukken een meer prominente positie in het innovatiebeleid te geven. Het recente AWT-rapport steunt ons in deze gedachtegang. Nederland heeft dringend behoefte aan innovatieve antwoorden op vraagstukken rond de vergrijzing van onze bevolking, knellende problemen in de zorg, in arbeidsorganisaties, rond sociale slimmer werken, employability, etc. De balans is wat uit het verhaal. Kan de minister zijn licht over deze verhouding tussen technologische en sociale innovatie laten schijnen? Hoe beoordeelt hij de balans? Hoe is de middeleninzet verdeeld? Hecht de minister met de ChristenUnie-fractie aan een substantiële investering in sociale innovaties? Het moet gezegd dat de Europese Commissie de sociale innovatieagenda veel eerder en veel voortvarender heeft opgepakt dan Nederland. We bungelen er nog wat bij.

Voorzitter, Nederland kent nogal wat fiscale innovatieregelingen waar de nodige publieke middelen in omgaan. De WBSO en de RDA zijn daarvan de bekendste. Uit de evaluatie van de WBSO blijkt een gemiddelde “dead weight loss” van 55%; onder grote bedrijven zelfs van 65%. Dit zijn geen kinderachtige percentages. Ze wijzen op het subsidiëren van innovatietrajecten die zonder de fiscale aftrek ook wel ondernomen zouden zijn. Hoe beoordeelt de minister deze bevindingen en welke beleidsconclusies verbindt hij hieraan?

Het is goed dat in het kader van het topsectorenbeleid en de fiscaliteit er meer aandacht is gekomen voor het MKB. Sterker: het MKB speelt een onmisbare rol. De sector vormt een speerpunt van de Nederlandse economie, zeker waar het de werkgelegenheid betreft. Innovatie in het MKB gaat via twee lijnen: het starten van nieuwe, innovatieve bedrijven en het innovatief maken en houden van bestaande bedrijven. Mijn fractie neemt waar dat veel van de financiële stimuli (de MIT-regeling, de verlenging van de S&O overdrachtsvermindering in de eerste schijf) vooral gebruikt worden door grotere MKB-bedrijven die het pad van de innovatie al zijn opgegaan. In hoeverre wordt nu de rank & file van het MKB bereikt? Hoe slagen we er in ook de achterblijvende bedrijven te bereiken? Of bedrijven die afgeschrikt worden door het waas van bureaucratie dat rond de regelingen hangt? Daarbij komt dat een regeling als het MKB+ toch eigenlijk gewoon een regeling voor grote bedrijven is. Voor Nederland is het cruciaal dat ook het traditionele MKB wordt aangemoedigd om de transitie naar verduurzaming en vergroening van de Nederlandse economie te maken. Graag een reactie hierop.

Voorzitter, we hebben het vandaag vooral over een nationaal perspectief op innovatiebeleid, ofwel over de rol van de landelijke overheid. Dat is eigenlijk merkwaardig. Als we naar feitelijke ontwikkelingen op het gebied van technologische innovaties en start-ups kijken, dan is het niveau van de regio misschien wel belangrijker. Regio’s zijn broedplaatsen voor ondernemerschap. Innovatieve bedrijven hebben de neiging om geografisch te clusteren, vaak rond technologische zwaargewichten. De hightech campus in Eindhoven is daarvan het beste voorbeeld in ons land, waar tal van innovatieve bedrijven zijn ontstaan rond Philips en ASML. Brainport Eindhoven wordt een mondiaal kennis-knooppunt en heeft de ambitie bij de top-10 in de wereld te gaan horen. Ook Food Valley in Wageningen wordt steeds spraakmakender. Internationaal kennen we dit soort hoogwaardige technologieregio’s al veel langer. Silicon Valley is natuurlijk het meest aansprekende voorbeeld. Maar ook regio’s rond steden als Tel Aviv, Sydney, Taipei, Singapore, Seoul en Sao Paulo komen snel op. Het gaat dan steeds om de combinatie van reeds aanwezige basistechnologie, toegang tot kapitaal, ruime aanwezigheid van hoogopgeleid talent, excellente kennisinfrastructuur, een ondernemende cultuur, slimme samenwerkingsverbanden en beleid dat start-ups faciliteert. De vraag die ik de minister wil stellen is hoe hij in dit licht de verhouding tussen nationaal innovatiebeleid en regionaal innovatiebeleid ziet. Waar is de regiefunctie het best belegt? In Den Haag of in de regio? Hoe kan landelijk beleid regionale brainports versterken? Wat verwachten regionale “technology hubs” van nationaal beleid?

Onderwijs, voorzitter, is de sleutelinstitutie in succesvol innovatiebeleid. Zonder excellent onderwijs geen excellent innovatieklimaat. Wat opvalt is dat als we spreken over de bijdrage van het hoger onderwijs aan innovatie, het blikveld zich vooral richt op universitair onderzoek. Praktijkgericht onderzoek zoals dat wordt gedaan aan HBO-instellingen komt slechts mondjesmaat in beeld. De rol van het HBO in het aanjagen van innovatie krijgt doorgaans een bescheiden plaats in het denken over de kennissamenleving. De Commissie Veerman zag dit anders en meende dat het toegepaste onderzoek door HBO-instellingen wel degelijk strategische meerwaarde heeft en een eigen bijdrage kan leveren aan de innovatie-agenda in Nederland. Mijn fractie wil de staatssecretaris vragen een korte beschouwing te geven over hoe hij de rol en taak van het HBO ziet wat betreft het ontwerpen en implementeren van toepassingsgerichte product- en procesinnovaties. Is er in zijn waarneming voldoende samenwerking in het topsectorenprogramma rond innovatietrajecten tussen universiteiten en HBO-instellingen? Tussen het HBO en het bedrijfsleven? Tussen HBO-instellingen onderling?

Het onderwijsverhaal gaat echter verder dan hoger onderwijs alleen. Ook het middelbaar beroepsonderwijs speelt een wezenlijke rol. Innovatie en technologie kunnen niet zonder een goede maakindustrie en daarvoor zijn goede technici nodig op MBO-niveau. Daar zit een knelpunt. Mijn fractie maakt zich daar zorgen over. De markt voor top-technologen is al lang geïnternationaliseerd en we halen onze toptalenten uit het buitenland. Op dit niveau merken we tekorten aan technici en bèta’s niet zo. Dat geldt niet voor lager opgeleid technisch talent. Die rekruteren we vooral in eigen land en dat zal niet snel veranderen. Om te kunnen concurreren met andere landen heeft Nederland een sterke en creatieve maakindustrie nodig en goed opgeleide MBO-technici. Technici die innovatieve duurzame producten maken die reële meerwaarde hebben. De vraag van mijn fractie is tweeërlei. Hoe beoordeelt de minister de toekomst van de maakindustrie in Nederland? Is er überhaupt nog sprake van industriepolitiek? Deelt hij onze visie dat de maakindustrie onontbeerlijk is voor technologische innovatie en dat we deze industrie moeten behouden? Een maakindustrie die om wat voor reden dan ook wegvalt of zich naar een ander land verplaatst, komt zelden terug. Weg is weg. Welke rol ziet de minister voor het kabinet om de maakindustrie te versterken? En in het verlengde hiervan: hoe beoordeelt hij – gezien de intrinsieke relatie tussen maakindustrie en techniek - het beleid dat zich richt op het verhogen van de techniekkeuze onder MBO-leerlingen? Wat hebben de diverse stimuleringsprogramma’s opgeleverd en moet Nederland hier niet veel meer uit de kast halen? Wat kunnen we in dit opzicht van Duitsland leren?

Voorzitter, het stimuleren van innovatie heeft niet alleen van doen met fiscale stimuli, grootschalige onderzoeksprogramma’s, coalities tussen onderwijs en bedrijven en het faciliteren van start-ups, maar ook met een cultuur die pro-innovatie is. Een cultuur die ondernemend gedrag en ondernemerschap bevordert. De geschiedenis van Silicon Valley illustreert hoe belangrijk een pro-innovatie cultuur is. Een cultuur die wars is van middelmatigheid en waarin talent - zeker ook jong talent – volop tot zijn recht komt. Een cultuur waarin je het beste uit jezelf haalt en waar de lat hoog ligt. Een cultuur die open, sociaal en dynamisch is. Een cultuur die het experiment niet schuwt en waarin ondernemers die het niet redden niet geconfronteerd worden met maatschappelijke stereotypering en persoonlijk verwijt. Uit onderzoek komt naar voren dat Nederland het qua aantallen ondernemers en start-ups zo slecht nog niet doet, maar dat het ambitieniveau en de innovatiegerichtheid achterblijven. De WRR stelt dat het versterken van het verdienmodel van ons land vooral zal afhangen van onze veerkracht, ons adaptatievermogen en onze pro-aktieve attitude. De Boston Consulting Group concludeert zelfs dat aanpassingsvermogen de nieuwe bron van welvaart in Nederland wordt. De vraag die ik de minister wil stellen is  als hij met zijn beleidsverantwoordelijkheid naar de Nederlandse cultuur kijkt, onze cultuur voldoende ondernemend en pro-innovatie is. Is er reden voor zorg? Hoe doet Nederland het in dit opzicht eigenlijk, ook in internationale vergelijking? Kan overheidsbeleid hier naar zijn oordeel verdere verbetering in aanbrengen? En zo ja, langs welke lijnen denkt de minister dan?

Een beleidsdebat over innovatie, voorzitter, is naar zijn aard wat algemeen. De vraag die mijn fractie de minister wil voorleggen, sluit bij deze generieke invalshoek aan. De vraag lijkt vaag, maar is dit niet. Sterker, het is de kernvraag. Het raakt het wezen van de overheidsbemoeienis rond innovatie. Ik introduceerde deze vraag aan het begin van mijn betoog. Bij het bepalen hoe goed Nederland is toegerust om de slag te maken naar een innovatieve, duurzame en concurrerende groene economie, is de ‘line-up’ van onze instituties doorslaggevend. Staan ons onderwijssysteem, ons onderzoekssysteem, onze ondernemerscultuur, ons fiscaal systeem, ons bedrijfskredietsysteem en ons arbeidsmarktsysteem goed in het gelid om Nederland deze slag te laten maken en ons land van een goede en vooral duurzame toekomst te voorzien? Staan onze kerninstituties in de juiste slagorde? En zo nee, waar zit de bottleneck volgens de minister en wat zijn de prioritaire verbeterpunten?

Innovatiebeleid is ingebed in het bredere kader van een kennissamenleving. Deze kennissamenleving kent winnaars, maar ook verliezers. De ChristenUnie wil nadrukkelijk aandacht vragen in dit debat voor bevolkingsgroepen die maar moeilijk staande blijven in de lofzang op innovatie, kennis en ondernemerschap. Ik denk aan de omvangrijke groep ongeletterden, mensen met gering kenniskapitaal, personen die niet over de juiste vaardigheden beschikken om het verschil te kunnen maken en burgers die buiten de juiste netwerken vallen. We moeten blijven nadenken hoe zij een zinvolle rol kunnen spelen in een samenleving die hoog inzet op cognitieve skills, up-to-date know how en verdienvermogen. Bovendien is het ook in een hoogtechnologische samenleving niet allemaal koek en ei. Zo zullen er de nodige banen verdwijnen bij vooral het middenkader in organisaties. Banen die relatief eenvoudig geautomatiseerd kunnen worden of die het slachtoffer worden van offshoring. Hoe denkt de minister over het perspectief voor deze groepen van verliezers? Wat heeft Nederland deze groepen te bieden?

Voorzitter, de ChristenUnie-fractie wil tot slot aandacht vragen voor de ethische kant van innovaties. Ethiek mag in dit debat niet ontbreken. Veel vertogen over innovatie en vernieuwende technologie kenmerken zich door een positiviteitsbias. Innovatie en technologie zijn goed, zo luidt de onderliggende assumptie en de achterliggende rationaliteit heeft vaak een lineair karakter. Hoe meer innovatie, hoe meer technologie, des te beter. Vertogen over de schaduwzijden van innovatie en technologie bewegen zich vaak in de marginaliteit van het debat. Dat is niet terecht. Het vernauwt ons blikveld en kan ons voor grote normatieve problemen stellen. Technologische revoluties waaronder de zogeheten NBIC-convergentie (het ineengrijpen van nanotechnologie, informatietechnologie, biotechnologie, en cognitieve technologie) raken de persoonlijke levenssfeer direct. Innovaties en technologieën richten zich niet alleen naar buiten (de samenleving) maar ook naar binnen (het menselijk lichaam). Of zoals het Rathenau Instituut het onlangs verwoordde: “De mens wordt machine, de machine wordt mens”. We hebben nieuwe ethische en juridische kaders nodig om revolutionaire technologische innovaties te doordenken: Big Data, grootschalige surveillance van burgers, de inzet van drones, zorgrobots, beïnvloeding van koopgedrag door wifi-tracking, elektronica in het menselijk lichaam, opslaan en lezen van emailcommunicatie door vreemde mogendheden, genetische modificatie, biohacking, diepe breinstimulatie, etc. Er is volgens mijn fractie behoefte aan ethische reflectie op deze, soms revolutionaire, toepassingen en hun consequenties. Er zijn nieuwe en fundamentele ethische vragen in het geding die met huidige wetgeving niet meer gevat kunnen worden. Het gaat om geheel nieuwe dimensies van privacyvraagstukken en kwesties rond de integriteit van het menselijk lichaam. Maar ook om vragen rond burgerschap en zeggenschap. De ChristenUnie-fractie wil de minister dan ook tot slot vragen welke ruimte hij inbouwt voor ethische bezinning in het technologie- en innovatiebeleid. Is hij het met mijn fractie eens dat een structurele verankering van ethische vraagstellingen nodig is en zo ja, hoe denkt hij dat vorm te geven?

Mijn fractie ziet uit naar de antwoorden van de beide bewindslieden.

« Terug

Nieuwsarchief > 2014

december

november

oktober

september

augustus

juli

juni

mei

april

maart

februari

januari