Mirjam Bikker: "Zorg dat terroristen veroordeeld worden"

Mirjam Bikker 2014dinsdag 31 januari 2017 21:23

Dinsdag 31 januari debatteerde de Eerste Kamer over een drietal wetten inzake terrorismebestrijding. De ChristenUnie-fractie steunt de wet met bestuurlijke maatregelen ter bestrijding van terrorisme en inzake het van rechtswege laten vervallen van reisdocumenten. Dat geldt niet voor de wet die de minister buiten het strafrecht om de mogelijkheid geeft personen de nationaliteit te ontnemen. "De kans op gerechtigheid neemt met dit wetsvoorstel af en daarom stemt de ChristenUnie-fractie komende week tegen dit wetsvoorstel", aldus Mirjam Bikker.

Lees hier haar volledige bijdrage.

Voorzitter,

Onder de Memorie van Antwoord  van een van de wetsvoorstellen die wij vandaag behandelen, de wijziging van de Paspoortwet, stond minister Blok als minister van Binnenlandse Zaken. Nu is hij hier weer bij de behandeling van deze wetsvoorstellen, maar dan als minister van Justitie. Ik wens hem graag namens mijn fractie een goede tijd op dat belangrijke departement. En dank zijn voorganger voor de samenwerking. Onze vreugde over de gezonde terugkeer van minister Plasterk hebben wij al eerder uitgesproken, dat blijft natuurlijk staan.

De wetsvoorstellen die wij vandaag behandelen hebben helaas niets aan actualiteitswaarde ingeboekt. Zij richten zich op het versterken van de nationale veiligheid en het voorkomen van aanwas van jihadgangers. In onze afweging of deze wetsvoorstellen daartoe een bijdrage zijn, weegt mijn fractie de doeltreffendheid en effectiviteit, maar ook de proportionaliteit. Nieuwe wetten moeten een bijdrage zijn tot verbetering van de aanpak. Ik begin daarom voorzitter met het wetsvoorstel waar mijn fractie de grootste vragen bij heeft. Dat handelt over het mogelijk maken van verlies van het Nederlanderschap indien een Nederlander met een dubbele nationaliteit, en ouder dan 16 jaar, zich vrijwillig begeeft in vreemde krijgsdienst of indien dit verlies in het belang is van de nationale veiligheid omdat de betreffende persoon zich buiten het Koninkrijk heeft aangesloten bij een organisatie op de nationale terrorismelijst.

Bij de behandeling van het wetsvoorstel over het ontnemen van het Nederlanderschap bij terroristische misdrijven heeft mijn fractie ook al een groot deel van ons afwegingskader bij het toevoegen van die verliesbepaling met de minister gedeeld. Leidraad is het Europees Verdrag inzake Nationaliteit en in het bijzonder artikel 7 dat limitatief de gronden opsomt waarin verlies van nationaliteit toegestaan is. Vrijwillig in vreemde krijgsdienst treden is een van de gronden die in dit artikel genoemd wordt. Dat is goed voorstelbaar, iemand kiest er immers voor om zich in te zetten voor het leger van een vreemde natie en spreekt daarmee zijn loyaliteit uit voor die betreffende natie. De ChristenUnie-fractie vraagt zich echter af waarom nu gekozen is voor een beoordeling van de minister in plaats van de huidige situatie dat betrokkene van rechtswege zijn nationaliteit verliest. In welke gevallen is het als knellend ervaren dat dit van rechtswege gebeurde? Waarom is dit beter?

Een tweede aanpassing is dat de nieuwe bepaling niet alleen ziet op meerderjarigen, maar ook op minderjarigen in de leeftijd van 16-18 jaar. Dit naar analogie met het strafrecht waarin  soms ook gekozen wordt voor het vorderen van een veroordeling volgens het volwassen strafrecht. Ik merk echter op dat het omgekeerde voor de categorie 18 tot 23 jaar ook gebeurt, indien de persoonlijkheid van de dader dit wenselijk maakt of er bijzondere omstandigheden gelden. Waarom is de bepaling slechts een kant op verruimd? Hoe oordeelt de minister indien een betrokkene in het Strafrecht naar alle waarschijnlijkheid onder artikel 77c Wetboek van Strafrecht valt? Is dit een aspect dat gewogen wordt bij zijn beslissing?

Naar analogie van het treden in vreemde krijgsdienst wordt nu ook de aansluiting bij een organisatie die is geplaatst op een lijst van organisaties die deelnemen aan een nationaal of internationaal gewapend conflict en een bedreiging vormen voor de nationale veiligheid toegevoegd. Voor mensen die zich aansluiten bij een terroristische organisatie geldt in zekere mate ook dat zij kiezen om Nederland, om alles waar wij voor staan, om dat de rug toe te keren. Om die reden hebben wij indertijd het voorstel gesteund dat onder andere regelt dat in geval van veroordeling voor terrorisme de strafrechter de mogelijkheid heeft om het Nederlanderschap in te trekken. Wij zijn zoals gezegd voor het intrekken van het Nederlanderschap bij een veroordeling voor terrorisme, voorafgegaan door een goede toets van de strafrechter. Maar bij het huidige voorstel is er vooraf geen rechter die er aan te pas komt..

Ook het Europees Verdrag inzake Nationaliteit kent een dergelijke bepaling niet, maar spreekt over gedrag dat de essentiële belangen van de Staat ernstig schaadt. In 2000 schreef een van de ambtsvoorgangers van de minister nog dat toevoeging van een verliesbepaling aan de wet, hoge eisen stelt aan het bewijs, gelet op de vergaande gevolgen van intrekking van de nationaliteit. Om te voldoen aan de eisen van proportionaliteit zal dit niet anders zijn bij de nieuwe bepaling die de minister voorstelt. Of vindt hij enkel de aansluiting bij een dergelijke organisatie, hoe kort of beperkt ook, altijd al ernstige schade toebrengen aan de essentiële belangen van de Staat? De beantwoording van onze vragen geven die indruk, maar de voorgestelde bepaling suggereert een individuele toets. Wordt de dreiging voor de veiligheid nu wel of niet eigenlijk alleen al door het lidmaatschap aangenomen? Geldt dat bijvoorbeeld ook een meisje van 16 dat vanwege de relatie die ze met een Jihadist heeft of denkt te hebben, zich aansluit bij een terroristische groepering? Wat als ze al snel spijt krijgt? Of niet ondenkbeeldig - opgespoord wordt door familie die zich vervolgens bij de Nederlandse ambassade meldt? Welke essentiële belangen worden dan geschaad? Hoe toetst de minister? En hoe weegt hij dat deradicalisering hiermee uitgesloten raakt en opsporing en berechting ten minste zeer bemoeilijkt? Terwijl dat laatste toch juist een basale notie is in onze rechtsstaat? Zullen ouders met een kind in het buitenland nog wel melding doen? Heeft de minister inmiddels positieve ervaringen in het buitenland weten te vinden met deze maatregel? Wat betreft de rechtsbescherming: hoe kan de rechter nagaan of de informatie klopt als deze uit vertrouwelijke bron, bijvoorbeeld van inlichtingendiensten komt?

Voorzitter, een laatste punt bij dit voorstel. Sinds 2014 registreert de Basisregistratie Personen (BrP)niet meer of mensen een dubbele nationaliteit hebben. Dat maakt het op termijn steeds moeilijker om na te gaan of überhaupt aan intrekking van de nationaliteit kan worden gedacht. Bovendien moet toch opgemerkt dat alleen degenen die hun tweede nationaliteit niet kunnen of willen schrappen, onder de maatregel vallen.

En dan het wetsvoorstel bestuurlijke maatregelen terrorismebestrijding. De dreiging van teruggekeerde jihadstrijders is er, ook in Nederland. Voor de fractie van de ChristenUnie begint de aanpak van deze groep met toepassing van het strafrecht. Daartoe zijn in de afgelopen jaren aanvullingen gedaan in het wetboek van strafrecht. Maar voor die personen die nog voornemens zijn om uit te reizen of die terugkeren zonder dat strafrechtelijke vervolging effectief is, is deze wet een vangnet, zo lazen wij ergens. Omdat het strafrecht dus inmiddels uitgebreid is, hecht mijn fractie er wel aan nog eens precies te horen wat nu de aanvullende werking van dit voorstel is. Dat wordt in de adviezen namelijk heel wisselend beoordeeld. Zowel de Raad van State als het College van Procureur-Generaals is daar vriendelijk gezegd zuinigjes over. Kan de minister voorbeelden geven die de meerwaarde illustreren? Mimiset dergelijke voorbeelden in de beantwoording.

Een tweede zorg ziet op het uitreisverbod buiten het Schengengebied. Hoe wordt er opgetreden als iemand met het paspoort van zijn andere nationaliteit reist? Heeft de minister er inmiddels vertrouwen in dat een dergelijk verbod handhaafbaar is? Waar baseert hij dat op?

Voorzitter, ik kom tot een afronding. Mijn fractie vindt dat we de strijd moeten voeren tegen gewelddadige terroristische groeperingen en individuen die zich tegen onze samenleving keren en ongeveer tegen alle denkbare minderheden: christenen, Joden, Yezidi's, vrouwen, of medegelovigen die niet gelovig genoeg zouden. Ook wetgeving kan behulpzaam zijn in die strijd. Bij de voorliggende voorstellen heeft mijn fractie echter nog wel vragen. In het bijzonder bij de ontneming van het Nederlanderschap ziet mijn fractie haken en ogen. Veel kan al met de huidige wet en om een nationaliteit onherroepelijk te ontnemen zonder voorafgaande strafrechtelijke veroordeling wringt naar onze mening met de uitgangspunten van de rechtsstaat. 

Deze strijd tegen terrorisme winnen we trouwens niet alleen met nieuwe wetten, maar juist ook door een stevige inzet op deradicaliseren, op het aangaan van de ideeënstrijd. Ik zie daarom zeer uit naar de evaluatie van het actieprogramma integrale aanpak jihadisme, dat beide elementen bevat. Ik weet dat de inspectie VenJ dit gestart is en vraag de minister om ons de uitkomsten te doen toekomen. Ik zie uit naar de beantwoording.

Labels
Eerste Kamer
Mirjam Bikker
Veiligheid

« Terug