Roel Kuiper: 'Verbod op godslastering niet schrappen'

Roel_Kuiper-3dinsdag 26 november 2013 12:20

'Het schrappen van het verbod op godslastering zal geen bijdrage zijn aan de vrede tussen groepen in de samenleving, het zal een uitnodiging zijn elkaar op de ziel te trappen. Dit is niet het Nederland dat ons voor ogen staat.', dat zei ChristenUnie-senator Roel Kuiper tijdens een debat in de Eerste Kamer over het initatiefwetsvoorstel van D66 en SP.


Bijdrage Roel Kuiper aan het debat over wetsvoorstel 32203: Initiatiefvoorstel inzake het laten vervallen van het verbod op godslastering.

Voorzitter,

Woorden zijn niet onschuldig. Woorden hebben kracht en betekenis. Woorden hebben betekenissen die mensen tot de allerheiligste rekenen en hen dus ook het diepst kunnen raken. Europa kent een beschaving waarin geleerd is dat wat heilig is voor mensen te respecteren. Eeuwenlang was duidelijk dat het beschimpen of letterlijk vertrappen daarvan het begin was van echt geweld of plaatsvond in een context van geweld. De tong is een klein orgaan, maar kan veel in brand zetten. Oncontroleerbaar geweld begint niet zelden met definities, etiketten, beledigingen. Eer is teer.  Onze multireligieuze wereld vraagt gevoeligheid voor de ander en respect in de onderlinge omgang, niet om zielsbeledigingen. Dit wetsvoorstel staat haaks op de verantwoordelijkheid die onze tijd van ons vraagt. Beseffen indieners wel welk signaal zij afgeven aan een samenleving waarin tegenstellingen gemakkelijk op te roepen zijn en waar eerder behoefte is aan rust dan aan reuring.    

Het  wetsvoorstel lijkt ons te verplaatsen naar een ideologische strijd uit de vorige eeuw. De initiatiefnemers vinden het blijkbaar nodig onze wetgevingen te schonen en een kruistocht te voltooien, ook als deze niet meer actueel is. Zij houden, ondanks het terechtwijzende commentaar van de Raad van State en de uitleg van de Hoge Raad, koppig vast aan een voorstel dat een incorrecte lezing van de wet bevat. Zij zijn op missie en menen de samenleving en de mensheid een dienst te bewijzen door het beschimpen van geloofsovertuigingen onder de vrijheid van meningsuiting te scharen.  Ik houd dit voor een breekijzer in onze beschaving en een wig tussen bevolkingsgroepen. De sluis van beledigingen die mensen in het hart treffen, gaat straks een stuk verder open. Een medialogica die zich ontfermt over ieder stuk polemisch zwerfvuil, zal de grens van het onbetamelijke verder gaan verleggen.     

Voorzitter, de indieners houden van ‘scherpe uitingen’ die kunnen leiden tot doorbreking van de ‘status quo’. Ik zal mijn best doen de status quo van de indieners te doorbreken om door te stoten naar een ‘rijker palet aan meningen, en nieuwe inzichten’. Ik hoop dat zij, als liefhebbers van het debat, te bereiken zijn. Ik kan dit wetsvoorstel niet anders lezen dan als een voorwendsel om gelovige medeburgers te treffen.  Ik doe ook een beroep op alle fracties hier in dit huis om geen politieke verantwoordelijkheid te nemen voor dit wetsvoorstel waarmee we onze samenleving geen dienst bewijzen.

Actuele situatie

Voorzitter, indieners menen dat de wetsartikelen over het verbod op smalende godslastering een slapend bestaan hebben. Ze kunnen daarom ook wel verdwijnen. Het beste bewijs dat ze niet slapend zijn is dit wetsvoorstel dat ze uit het Wetboek van Strafrecht wil verwijderen. De indieners maken zich er druk om. Het feit dat deze artikelen een norm stellen in het publieke verkeer bevalt hen niet. Het was ongelukkig dat minister Donner het verbod op smalende godslastering wilde actualiseren na de moord op Theo van Gogh, want toen leek het erop dat de dader in bescherming werd genomen. Maar meer in het algemeen had de minister een punt: in een samenleving waarin verscheidene stromingen en godsdiensten met elkaar samenleven en er sprake is van nieuwkomers en niet-westerse godsdiensten, wordt ook de onderlinge tolerantie op de proef gesteld. Dat kan betekenen dat het publieke verkeer en maatschappelijke vrede gediend is met een verbod op smalende godslastering. Die actuele politieke situatie wordt door de indieners niet aangevoeld. Zij blijven praten over het Ezelsproces uit de jaren 1960. Zij hanteren ook nog een ouderwetse  secularisatietheorie die intussen al lang is weersproken. Secularisatie, zo laten de nieuwere inzichten zien, betekent niet dat godsdienst en geloofsbeleving verdwijnen uit de samenleving, ze krijgen juist opnieuw vorm, niet noodzakelijkerwijs collectief en institutioneel, meer persoonlijk. In de afgelopen decennia heeft zich bovendien hier een nieuwe godsdienst, de Islam, gevestigd. Religie blijft onderdeel van het maatschappelijk verkeer. In andere landen is dat reden voor hernieuwd gesprek, in omvangrijke multireligieuze samenlevingen zoals Zuid-Afrika wordt gewerkt aan een handvest ter regeling van religieuze rechten en vrijheden,  van hoofddoek tot rituele slacht. Indieners, doe uw ogen open, kijk naar de wereld van nu!  Welk urgent belang is met dit wetsvoorstel gediend? Hoe komen we hier verder mee? Ik vraag dit ook aan de Minister.

Foutieve lezing     

Voorzitter, dan het wetsvoorstel zelf. Hier wordt de ene onzorgvuldigheid op de andere gestapeld en denkfout op denkfout. Allereerst treedt het een discussie binnen over de verhouding tussen de grondrechten, i.c. de vrijheid van godsdienst en de vrijheid van meningsuiting. Grondrechten formuleren fundamentele vrijheden en strekken ertoe groepen of individuen te beschermen tegen overheden en tegen andersdenkende meerderheden. Tot de vrijheid van godsdienst hoort ook het daadwerkelijk ‘genot’ ervan en van overheden mag een beschermende inspanning worden verwacht. Volgens de indieners kan smalende godslastering ook wel worden ondergebracht bij beperkingen die aan de vrijheid van meningsuiting worden gesteld. Steker nog: zij menen dat uitingen die de voorstellingen van iemands geloof raken thuishoren bij de vrijheid van meningsuiting. Daarmee wordt de eigen aard van godsdienstige voorstellingen ontkend. Dit wetsvoorstel miskent de aard van de vrijheid van godsdienst. Dat wat gelovigen geloven heet in het maatschappelijk verkeer een mening. Dat is een miskenning van wat we altijd hebben bedoeld aan te duiden onder de vrijheid van godsdienst. Het grondrecht vraagt bescherming voor de eigen aard van geloofsvoorstellingen, zoals die worden gezien en beleefd door gelovigen zelf. De wetgever moet hier buiten blijven en zeker niet verklaren dat die geloofsvoorstellingen gelijk te stellen zijn aan opinies in een publiek debat. Voorzitter, hier wordt niet alleen een nieuwe lezing van de constitutionele vrijheden geïntroduceerd en worden grondrechten opzettelijk met elkaar in botsing gebracht en de vrijheid van godsdienst ten achter gesteld bij de vrijheid van meningsuiting. Het grondrecht van de vrijheid van meningsuiting gaat heersen over de vrijheid van godsdienst. Dat hebben we in Nederland nooit zo gewild. De Raad van State wijst er in dit verband op dat de vrijheid van godsdienst oude papieren heeft en hier in het gedrang komt. We gaan met dit wetsvoorstel een delicate constitutionele balans omvergooien.  Ik wil op dit punt graag een expliciete reactie van de minister en de indieners. Mijn fractie kan zich niet voorstellen dat de regering zich zomaar achter deze herordening van de grondrechten kan scharen.  

Vervolgens is het zo dat dit wetsvoorstel uitgaat van een foutieve interpretatie van de gewraakte artikelen 147, 147a en 429bis SR en deze, ondanks pogingen die aan het verstand van indieners te brengen, handhaaft. Hoe men ook denkt over nut en noodzaak van deze wet, zij is er niet primair gekomen om christenen, laat staan God zelf, te beschermen, maar uit oogpunt van bescherming van de openbare orde. Wat doen nu de indieners? Zij blijven maar verkondigen dat het verbod op smalende godslastering een privilege schept, een ‘extra bescherming’ voor gelovigen in het publieke debat. Hun opinies - geloofsvoorstellingen zijn immers niet meer dan opinies - worden extra beschermd. Dat zou een ongerechtvaardigde ongelijkheid scheppen. Eerst wordt dus  aangenomen dat geloofsovertuigingen en –gevoelens meningen zijn, vervolgens wordt gedaan alsof de bedoelde artikelen privileges te scheppen. Nogmaals: de wetgever had de openbare orde op het oog en niet iets anders. Het had dus ook niet het soort horizontale werking op het oog, waar de indieners kennelijk steeds aan denken. Ook het gelijkheidsbeginsel wordt er ten onrechte bijgehaald. De vrijheid van godsdienst beschermt alle aanhangers van welke godsdienst ook in gelijke mate. Het beschermt ook iedereen die zich wil verenigen of iets via de drukpers openbaar wil maken in gelijke mate. Wie dat niet wil wordt niet ongelijk behandeld. Het is een misvatting dat te beweren. Wat hier gevraagd wordt is respect voor de eigen aard van godsdienstige gevoelens en voorstellingen. Het spijtige is dat dat nu juist ontbreekt. Er wordt veel overhoop gehaald om vooral deze boodschap uit te zenden: we gaan niet langer rekenen met de eigen aard van godsdienstige overtuigingen en gevoelens in het publieke debat. Is dat vooruitgang? Is dat beschaving? Wil de regering hiervoor tekenen, vraag ik opnieuw aan de minister?

Beschaving

Voorzitter, aanvaarding van deze wet verarmt het denken over de rechtsstaat en geeft ruim baan aan onnodige tegenstellingen. Waar gaat het de indieners om? Wat is nu eigenlijk hun diepste motief? Zij houden vast aan een foutieve lezing van de wet om maar uit te kunnen komen bij hun voorstelling dat gelovigen geen recht kunnen claimen op extra bescherming. Voorzitter, gelovigen vragen helemaal geen extra bescherming, dat denken de indieners. Zij zien niet dat deze gewraakte wetsartikelen wellicht van nut kunnen zijn in het publieke verkeer, gelet op de soms huizenhoge zeeën van vuil en smaad die over elkaar wordt uitgestort. Maar daar liggen de indieners niet wakker van, zij liggen wakker van een zogenaamd privilege van gelovigen. Dat moet verdwijnen. De inzet daarvoor is niet alleen onzuiver, maar verraadt ook een poging gelovigen op een gevoelig punt te treffen. Wat denkt u dat er zal gebeuren als gelovigen op hun ziel worden getrapt en, als zij verhaal willen halen, te horen krijgen dat zij misschien een interessant punt hebben in het publieke debat, maar dat dit verder hun eigen zorg is? Is een verbod op smalende godslastering, hoe moeilijk te handhaven ook, niet een uiting van onze beschaving en maakt het niet precies duidelijk wat we eigenlijk bedoelen met tolerantie?  

Indieners leggen hier echter een malicieuze kaart op tafel. En dit is nog niet alles. Zij hebben wel degelijk door dat de wetgever in 1931 sprak over de ‘openlijke erkenning van God’ die uit dit wetsvoorstel zou spreken. Dat is ook zo, een meerderheid van de bevolking had er destijds geen moeite mee dit te erkennen. Die omstandigheid van toen maakt dit wetsvoorstel nu niet ineens onbruikbaar. De indieners willen vastgesteld hebben dat de staat neutraal is. Voor hen is de staat een ‘Etat Athée’. Over dat denkbeeld valt veel te zeggen, maar ook dit: indieners zijn zelf al partijdig in dit debat. Geen enkele overheid is neutraal, een atheïstische staat al helemaal niet. Elke overheid moet in zijn hoedanigheid van wetgever inhoudelijke opvattingen, normen en strafbaarheden hanteren. Dat is niet neutraal, maar waardegeladen. De waarden die de indieners nu willen opleggen zijn die van een ‘exclusief humanisme’, zoals de filosoof Charles Taylor het noemt. Dat ‘exclusief humanisme’ kan niet meer rekenen met geloofsuitingen die ze zelf niet erkent. Gelovigen moeten zich nu voortaan uiten in termen die alleen voor dit exclusieve humanisme nog toegankelijk zijn. Terwijl het christendom, met vallen en opstaan, in een lange historische ontwikkeling  ruimte heeft leren maken voor andere overtuigingen juist omdat ze de betekenis van geloofs- en gewetensvrijheid inzag, willen de indieners die ruimte weer beperken, ditmaal alleen voor gelovigen, omdat zij volgens hun eigen denkfout privileges zouden hebben.

Voorzitter, woorden hebben kracht van betekenis, zij kunnen veel in beweging zetten. De woorden van dit wetsvoorstel zullen ook weer een eigen werkelijkheid oproepen. Het zal geen bijdrage zijn aan de vrede tussen groepen in de samenleving, het zal een uitnodiging zijn elkaar op de ziel te trappen, dit is niet het Nederland dat ons voor ogen staat. Indieners zouden dit ook moeten inzien en hun wetsvoorstel van tafel halen. Ik hoop dat ik hen heb kunnen bereiken.               

Lees ook: Roel Kuiper in debat bij Pauw en Witteman over verbod op godslastering

Lees hier het volledige verslag van het debat op de website van de Eerste Kamer

 

 

      

Labels
Eerste Kamer
Roel Kuiper

« Terug

Nieuwsarchief > 2013 > november